MEANDER KLASSIEKERS (23)
31 oktober 2001

Martinus Nijhoff – Moeder
___________________________________________________________

Op het adres http://meander.italics.net/klassiekers/ zijn de Klassiekers
tot en met aflevering 19 te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.
Vanaf nr. 20 staan ze op http://meander.italics.net/klassiekers/archief/
----------

LEZERS REAGEREN

Chris Coolsma (j.c.coolsma@rechten.rug.nl) schreef: veel dank voor de
boeiende en ook weer zeer leerzame bespreking van ‘De spin’. Ik realiseerde
mij niet, dat Anna Blaman als vergeten wordt beschouwd. Ik heb haar in elk
geval niet vergeten! ‘Eenzaam avontuur’ ging mijn adolescentenziel in als bier in
een saxofoonspeler. Niet dat ik het boek daarna ooit nog gelezen heb, maar dat
geldt ook voor mijn twintig Vestdijks en die is toch ook niet vergeten.
Arm prozameisje…. Nou, wat mij betreft was ze ook een poëziemeisje!

Iris van de Casteele (cr33467@chello.be) schreef: Dit gedicht ontroert me om
veel redenen heel sterk. Ik kende het niet. Ik voel de gekwelde vrouw aan die
Anna Blaman was. Een vrouw die misschien veel heeft genomen maar nog veel
meer heeft gegeven. Dit gedicht zal mij er zeker toe aanzetten méér van haar te
gaan opzoeken en te lezen. (…) Wat een prachtige taal en wat een in-droefheid
haal ik er uit. En wat een schoonheid ook; pure poëzie die bij jongere dichters
omzeggens niet meer aan bod komt.
Hoe kleinzielig kunnen uitgevers soms zijn (ook in het katholieke Vlaanderen).
Hoeveel schoonheid onthouden ze ons. Hoeveel dieptezin. Ik kan me inleven in
de frustratie die deze bijzonder talentvolle dichteres moet gekend hebben. Het
is alsof ik een vriendin gevonden heb ; een zielsgelijke. Eén in zekere zin
geweerde, verstotene.

Henk Ruijsch (henkruijsch@planet.nl) vroeg zich af waarom in de laatste regel
staat “ik lag gebroken en bevrijd”, terwijl qua muzikaliteit en zinsvorm te
verwachten was “lig ik gebroken en bevrijd”. Hij vermoedt dat met de voorop-
plaatsing van ‘ik’ de regel niet alleen aansluit op de vier eerdere regels die zo
beginnen, maar dat er tevens mee wordt gesuggereerd, dat de spin tot het
laatste moment zelfbewustzijn behoudt.
- Misschien, maar het is toch vooral zo, dat dit orgastische, extatische moment,
dat het (zelf)bewustzijn juist doorbreekt, in de taal alleen adequaat kan worden
weergegeven door de verstoring van de grammaticaliteit.
----------

Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers, jl@meander.italics.net

___________________________________________________________

De volgende aflevering verschijnt op 21 november.
Onderwerp van bespreking is dan ‘Impasse’ van Nijhoff.
 
___________________________________________________________


MOEDER

We liepen samen dikwijls langs de stranden
Als ’t  avond werd. Dan zong ze naast de zee -
Ik, kleine jongen, die haar stem zoo kende,
Ik hield haar hand en zong de liedjes mee.

Een klein wit vrouwtje, met nerveuse handen
En steeds bewegend, steeds bewegend hart -
Wij wisten dat in haar geleden werd,
Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden.

Ze ligt in ’t graf met het gelaat naar boven,
Donkere moeder, wieg haar lichaam warm,
Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot -

Zachter dan ’t leven zij haar de eeuw’ge dood,
Die mensen eenzaam maakt en stil en arm -
Maar die het witte zonlicht niet kan dooven.


Martinus Nijhoff  (1894 – 1953)
Uit: ‘Verzamelde gedichten’,  vierde druk, Bert Bakker Den Haag, 1974


In 1916  verschenen twee poëziebundels die een keerpunt in de literatuur betekenden. Martinus Nijhoff debuteerde met de bundel ‘De wandelaar’ en Paul van Ostayen publiceerde ‘Music-Hall’, zijn eerste Expressionistische gedichten. Hun werk stond ineens los van het individualisme en de schoonheidsdrang van de Tachtigers. Nijhoff met name streeft naar eenvoud in het poëtisch taalgebruik, zonder zich los te maken van de classicistische vormregels. In ‘De wandelaar’ blijkt Nijhoff bovendien een daadloze wandelaar, die zich niet opwerpt als de strijdbare spreekbuis van een nieuwe stroming. Later zou Nijhoff  zich ontwikkelen als de dichter van het vers in de spreekvorm. Die eenvoud is het kenmerk van Nijhoffs poëzie geworden. Het is een eenvoud, waarachter een gelaagdheid schuil gaat, die het gevaar voor oppervlakkigheid voorkomt.

’De wandelaar’ eindigt met drie gedichten over de moederfiguur. Voor zijn moeder heeft Nijhoff altijd grote achting gehad. Het laatste gedicht is getiteld ‘Moeder’ en is een herinnering aan de  gestorven moeder.

De eerste twee kwatrijnen van dit sonnet staan in de onvoltooid verleden tijd. Het verleden werkt door in het heden. Het eerste kwatrijn gaat terug naar de tijd dat de moeder jong was en de dichter als kleine jongen naast haar liep. Samen zongen ze liederen tegen het gedruis  van de zee in. Het is bijna een idyllisch tafereel.
In het tweede kwatrijn is de moeder oud, krachteloos en ze heeft bevende handen. Dat haar hart beweegt, benadrukt de dichter twee keer in r.6: En steeds bewegend, steeds bewegend hart. In de herhaling van de woorden steeds en bewegend is het wellicht te horen dat de menselijke bewogenheid een aanslag pleegt op haar hart. Dat bewegend hart hier niet alleen betekent kloppend hart benadrukt de dichter ook  in r.7, waarin staat dat de moeder veel verdriet had. De klankovereenkomst tussen de woorden bewegend en geleden is functioneel. R.8 vermeldt de reden van haar lijden: Dat zij het leven kende, en ’t voelde branden. Hoe eenvoudig wordt in dat tweede kwatrijn het grote lijden van de moeder getekend. Geen pathos kan hier het lijden beter verbeelden. Alleen het woord branden aan het slot van r.8 onthult de felheid van het verdriet van de moeder.

De twee terzetten staan in de onvoltooid tegenwoordige tijd. De moeder is overleden. De dood is  een periode die is begonnen en niet teruggedraaid kan worden. In het eerste terzet gedenkt de dichter de zojuist begraven moeder. Het beeld van de moeder in het graf blijft hem achtervolgen. Hij ziet haar in gedachten liggen met ’t gelaat naar boven, maar nog onaangetast door de vergankelijkheid van het vlees. R.10 vertoont een gelaagdheid die het gedicht aangrijpend maakt. De aarde wordt gepersonifieerd met het beeld Donkere moeder’. Zoals de moeder tijdens haar leven een aards wezen was en op een geheimzinnige manier leven droeg, zowel vóór de geboorte als zwangere vrouw als na de geboorte van haar kinderen, toen de de jonge kinderen in haar armen droeg, zo staat in die twee woorden: Donkere moeder de verbondenheid uitgedrukt van de moeder met de aarde. Als lezer kun je je hoogstens afvragen, hoe het mogelijk is dat twee woorden zo trefzeker het wezen van de moeder uitbeelden.
De dichter spreekt tot de aarde als tot een moeder, en vraagt  of ze haar kind, zijn moeder wil troosten, wil wiegen, zoals een moeder haar kind wiegt voordat het slapen gaat. Dat wiegen is een poging om het kind van onrust te bevrijden. Zo vraagt de dichter de aarde de onrust die de moeder tijdens het leven had, weg te nemen.
R.11 is een dwingende oproep aan moeder aarde, die nu de plicht heeft voor haar kwetsbare kind  - het is nu immers naakt’ - te, zorgen.
In het tweede terzet treedt een verbreding op. Het leven is een tranendal geweest, maar maakt, nu zij dood is, haar leven na de dood aangenamer. Nijhoff wist dat zijn moeder diepgelovig was en in het eeuwige leven geloofde. De dichter gebruikt in r.12 het contrast van de woorden leven en dood. Hij doet dat weer zonder dikke woorden. De werkelijkheid verdraagt die niet. Door de eenvoud van de woordkeuze wordt het gedicht alleen maar sterker.
R.13 noemt de dood een bron van eenzaamheid, en  het gevolg van de dood stil en arm.
Het geldt voor degenen die achterblijven, niet voor de doden zelf. Dat zegt de dichter in de eerste helft van deze regel. Hij weet dat de levenden de dood als een verschrikking zien. Wil de dichter hier zeggen dat wij, de achterblijvende mensen, in feite ten onrechte bedroefd zijn, want in de regel ervoor wenst hij de doden zachtheid. Uit de wens, uitgesproken in r.12, spreekt minder het ongeloof van de dichter dan de hoop van de gelovige. Als een apotheose wordt in  de slotregel het verdriet van de achterblijvers alsnog gerelativeerd: Maar die het witte zonlicht niet kan doven”. Voor de eerste keer gebruikt de dichter een versierend woord: witte’. Het felle licht als teken van leven kan paradoxaal de zachte stilte van de dood niet verdrijven.

Is het toeval dat de dichter Gerrit Kouwenaar in een gedicht over zijn gestorven moeder ruim zeventig jaar later ook zijn moeder ziet liggen met het gelaat naar boven? Hij doet dat in: ‘Al met aarde’.

Al met aarde besmet haar uitwendig gezicht, nooit
keek men zo laat in het vroegste gezicht

toppen van binnenvingers onder de huid, in
gekuild licht, gras onder steen, tellen tot een

nog moeder dan haar dubbelgangster is zij
slapen moet zij buiten het ei

dit goed inlezen en nooit meer aanspreken
nu zelfs de winter zich afschreef, te zwart
om te sneeuwen

dat waar men levenslang uitkroop nu dood
lopend vlees is, gedicht en ontledigd

tijd verbruikt, ingeteerd heden, geven en nemen
één tweeërlei lepel, onaangeroerd eten

'neergegooid in de hoek van een oud station'

vergeten bagage, afgelast eindpunt, zelfs
geen laatste trein die haar meeneemt -

Gerrit Kouwenaar -  ‘Het ogenblik: terwijl’, Amsterdam 1987


Pim Heuvel
p.heuvel@wxs.nl


Reeds voor de verschijning van bovenstaand artikel leverde Geert Koefoed in een correspondentie met Pim Heuvel commentaar. We willen onze lezers zijn opmerkingen niet onthouden:

Persoonlijke aanvulling: het ritme is zo aangrijpend in dit gedicht.
’We liepen samen dikwijls langs de stranden’: Keurig, kalm, jambisch. Dat blijft het hele kwatrijn zo, maar de tweede regel heeft wel een duidelijke grammaticale grens, een afgedwongen stilte; en de derde regel een antimetrie bij ‘ik’ en pauzes om ‘kleine jongen’.
Ook het tweede kwatrijn heeft maar weinig antimetrieën, wel prachtige tempowisselingen door het verschil in klinkerlengte (‘steeds bewegend, steeds bewegend’ is vanwege de lange klinkers een vertraging, althans zo lees ik het). De laatste regel heeft eigenlijk ook geen antimetrieën, maar laat zich, door de elisies, toch niet in de maat lezen, het vertraagt (en wordt daardoor geladener) bij ‘kende’, en ‘'t voelde branden’. De dichter geeft een pauze aan precies op plek van de elisie; dat geeft de regel spanning.

Het kalme, jambische thema van de eerste regel wordt hernomen in de eerste regel van het sextet.
Maar dan! ‘Donkere moeder’, een naar voren springende antimetrie zodat er een dactylisch ritme gesuggereerd wordt. De daarop volgende regel:
    “Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot -”
is geheel dactylisch! Dat is hij natuurlijk niet, want het is een jambisch gedicht, het gaat hier om afwijkingen van een jambische versregel. Maar wat een spanning ontstaat hier, wat een emotionaliteit, wat een warmte. En dan precies op dit moment de bede van de ik aan moeder aarde om zijn gestorven moeder warm te wiegen.
Bij dit gedicht heb ik steeds de indruk dat ik met een zeer 'geraffineerde' componist te maken heb (een soort Schubert). Stel dat je de woorden alleen in hun ritmische structuur zou kunnen lezen , met voorbijgaan aan hun inhoud. Je 'neuriet' als het ware alleen het ritme van het gedicht. En je zou je dan afvragen: waar ligt het emotionele hoogtepunt van deze melodie - dan zou je ongetwijfeld bij deze twee regels uitkomen:
    “Donkere moeder, wieg haar lichaam warm,
    Zie, als een kind ligt zij naakt in uw schoot -”

Ach ja, er is maar één Nijhoff.


Geert Koefoed
gkoefoed@xs4all.nl 



___________________________________________________________
COLOFON

De Klassiekers staan onder redactie van Joop Leibbrand jl@meander.italics.net
en Elly Woltjes ew@meander.italics.net


EERDER VERSCHENEN:
01 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
02 J. P. Rawie - Interieur
03 Jan Kal - Mont Ventoux
04 Jan Emmens - Voor de kade
05 M. Vasalis - Streng en aanbiddend…
06 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
07 Gerrit Achterberg - Dryade
08 Gerard Reve - Wiegelied
09 Paul van Ostaijen - Melopee
10 Hanny Michaelis - Het kind
11 J. C. Bloem - De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij waren
15 P. C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner jaren"
17 H. Roland Holst – De zachte krachten…
18 W. Elsschot – Bij het doodsbed van een kind
19 J. H. Leopold – Staren door het raam
     ** John Irons – The poetry of P. C. Boutens (Klassiekers extra)
20 Han G. Hoekstra – De ceder
21 Paul Rodenko – Het beeld
22 Anna Blaman – De spin

___________________________________________________________

* Abonneren?
Zend een e-mail aan majordomo@meander.italics.net met als inhoud:
subscribe klassiekers

* Abonnement opzeggen?
Zend vanaf het adres waarop u de klassiekers ontvangt een e-mail aan
majordomo@meander.italics.net en zet daarin: unsubscribe klassiekers

* Adres wijzigen?
1. Zeg uw abonnement op vanaf uw oude adres
2. Neem een abonnement vanaf uw nieuwe adres

___________________________________________________________

Verdere verspreiding van deze aflevering van de Klassiekers is alleen
toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur.