MEANDER KLASSIEKERS (30)


10 april 2002


Ed Leeflang – De vader van de baby Constantijn, wat hem…


 


Op het adres http://meander.italics.net/klassiekers/ zijn de Klassiekers
tot en met aflevering 19 te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.
Vanaf nr. 20 staan ze op http://meander.italics.net/klassiekers/archief/
----------

LEZERS REAGEREN

De reacties op de bespreking van ‘A en Ω van Ida Gerhardt beperkten zich tot complimenten over de volledigheid van de analyse.

----------

Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers, jl@meander.italics.net

---------------------------------------------------------------------------------------------

 
De volgende aflevering verschijnt op 1 mei a.s.
Onderwerp van bespreking is dan ‘Grijsaard’
van Jacques Hamelink.


______________________________________________________________
---------------------------------------------------------------------------------------------


   De vader van de baby Constantijn, wat hem
   voor ogen zweefde stuit en kalmeert mij niet.
   Precieze dromen moet ik ’s nachts wel uit,
   naar de keuken en ik wil dan nog een uur
   op een bevriende stoel.

   Niet de geringste engel zou er voor
   hebben gevoeld verder te gaan
   met haar broze, bedreigde lichaam.

   Hij heeft veel te veel bedoeld.
   Ik kom niet uit met zijn stoďsch verdriet
   en niet met zijn troostrijke orde.

   Hoe waar zijn die in zijn huis
   trouwens geworden?

   Want de moeder schreef het niet.


  
Ed Leeflang  (geb. 1929)
   Uit: Bewoond als ik ben, Amsterdam 1981 , De Arbeiderspers


*****


Het hart van Leeflangs bundel ‘Bewoond als ik ben’ wordt gevormd door de afdeling ‘Een groene linnenkast’, zeventien titelloze gedichten over zijn ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapte dochtertje.‘De vader van de baby Constantijn, wat hem’ is hiervan het achtste gedicht, waarmee het dus een centrale plaats inneemt. Het kan niet anders of Leeflang moet zich hierin duidelijk uitspreken over datgene waardoor hij ‘bewoond’ wordt.

“Er is een kind in mijn leven/” schrijft hij in het tweede gedicht, “dat niet goed spelen kan en/ niet goed denken, maar verdriet,/ heimwee en pijn gaan niet/ langs haar heen.” Direct daarop staat in het derde gedicht: “De eerste maanden reden we naar/ het ziekenhuis in een onbeheerst/ rode eend.// Zo ongeneselijk als ze geworden was,/ zo was ze”. “Ondoordringbaar”, noemt hij haar in een ander gedicht, waarin ook staat: “Zij heeft verstarde tweewoordszinnen/ en soms een heersend trefwoord, honderd/ keer herhaald, voor wat ze leed of/ deed. Ze maakt geen plan, is onderworpen/ aan gewoonten en leidt alleen in ons/ en anderen een leven waar zij zelf/ ternauwernood van weet.”

In het allereerste gedicht van deze reeks zegt hij “Lang heb ik niet over haar durven schrijven”, maar al in de indrukwekkende debuutbundel ‘De hazen en andere gedichten’ (1979) stonden vijf gedichten over haar, waaronder ‘Het kind’: “Alleen maar liefde geeft ze ons/ om geen reden kan ze ons haten,/ (…) haar beentjes zijn zo mager/ haar rug is misschien gebogen/ omdat geen doel haar meestal/ benedenwaartse blikken kan verhogen,/ haar vingers zijn dun, handen die/ niet wennen aan vorken of pennen”. In het gedicht dat volgt stelt hij vast: “toch nadert haar puberteit/ en de kleuter komt al niet af”. In het vierde gedicht gaat hij terug naar het begin. Hier volgt het in zijn geheel:


     Drie dagen twijfelde haar lichaam diep
     en bleef een jaar van huis:
     elke dag over dijken, zeventig
     kilometer heen en terug,
     een koorts die niet wist van wijken

     ik moest afstuderen, dacht ik,
     met rederijkers aan mijn hoofd;
     hun toneel verwijst naar de zaligheid
     en de zinnen die ons misleiden
     ver van genade en geloof

     verdriet brak de wereld af
     en legde onze zinnen in het graf,
     maar ik wilde niet mee
     en schaamde me tevens: onder
     die witte schorten ademden
     de verpleegsters, in hun loop
     over de gangen zat iets gedrevens;
     ik begeerde wel niet, maar toch
     ik wist: mijn levenswil eerder
     dan mijn verdriet vernielt
     straks onze levens.


Twee elementen uit dit gedicht zijn belangrijk voor de bespreking van onze ‘Klassieker’: het feit dat de jonge vader Nederlands studeert (en hij dus – dat was toen nog zo – niet alleen de hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur paraat heeft, maar ook de levensinzichten van het geloof kent dat die teksten vaak domineert), en dat er iets gezegd wordt over de invloed die het verdriet om dit kind zal gaan hebben op de huwelijksrelatie, omdat er een essentieel verschil is in de wijze waarop de ouders reageren op het noodlot dat in hun leven viel.

’De vader van de baby Constantijn’ is natuurlijk Joost van den Vondel (1587-1679), de dichter van ‘Kinderlijck’ (1632):


   Kinderlijck

   Konstantijntje, ’t zaligh kijntje,
           Cherubijntje, van om hoogh
   d’Ydelheden, hier beneden,
           Uitlacht met een lodderoogh.
   Moeder, zeit hy, waerom schreit ghy?
           Waerom greit ghy op mijn lijck?
   Boven leef ick, boven zweef ick,
           Engheltje van ’t hemelrijck:
   En ick blinck’ er, en ick drinck’ er,
           ’t Geen de schincker alles goets
   Schenckt de zielen, die daer krielen,
           Dertel van veel overvloets.
   Leer dan reizen, met gepeizen,
           Naer palaizen, uit het slick
   Dezer werrelt, die zoo dwerrelt:
           Eeuwigh gaet voor oogenblick.


Het is een bekend verhaal: Al bijna een jaar werkt Vondel aan wat zijn magnum opus gaat worden, de Constantinade, een groot epos over Constantijn de Grote dat uiteindelijk twaalf boeken moet gaan tellen. Als zijn tweede zoon geboren wordt, wil hij zijn kind Constantijn noemen. Zijn vrouw Maaiken protesteert, maar stemt uiteindelijk in met ‘Konstantijn’. Vrij kort na de geboorte overlijdt het jongetje en Vondel, die had gehoopt twee ‘volwassen’ Konstantijns te kunnen scheppen, verliest daarmee beide, omdat hem gaandeweg (ook door veel ander leed dat hem overkomt) de lust ontbreekt het werk te voltooien. Uiteindelijk zal hij wat hij geschreven heeft zelfs vernietigen.

Wat Vondel bij de dood van zijn zoontje (haast letterlijk) “voor ogen zweefde”, “stuit en kalmeert mij niet”, zegt Leeflang, want hij kan weinig beginnen met die ‘troostrijke orde’, waarin dankzij een goddelijk heilsplan het gestorven kind als engeltje voor altijd deel zal hebben aan het opperste geluk.
Het was de gangbare opvatting, het verlies van het kind garandeerde tegelijkertijd het eeuwig behoud. Rembrandt schilderde bijvoorbeeld Hendrikje Stoffels met haar overleden dochtertje in de armen en beeldde daarbij het ‘herboren’ kind af als een gevleugeld engeltje, dat werkelijk zo zou kunnen wegzweven. Op de gezichten geen spoor van smart; serene, zekere rust is wat ze uitstralen.

Ook Vondels ‘stoďsche’ manier om met verdriet om te gaan, is hem vreemd. Er is geen sprake van dat hij kalm en beheerst zijn persoonlijke leed als iets onvermijdelijks heeft aanvaard en in ‘vastheid des gemoeds’ deze bittere levenservaring vredig en harmonisch in zichzelf heeft geďntegreerd. (Het heeft hem wel sterk beziggehouden; in een van de andere gedichten schrijft hij in een opsomming van wat het meisje had moeten leren: “en misschien zelfs hoe je aan het lot/ behaagt door je er niet meer/ van af te keren.”)

Waar Vondel benadrukt hoe belangrijk het is zich door geestelijke oefening – het kan geleerd worden! - het hemelse geluk voor te stellen, krijgt Leeflang alleen maar heel concrete nachtmerries, de ‘precieze dromen’ waar hij ’s nachts uit moet. Hij heeft de bittere vaststelling moeten doen, dat in de hemel zijn naar lichaam en geest imperfecte meisje kennelijk niet gewenst was, dat het ‘volmaakte’ deze vorm van ‘inferioriteit’ bewust buitensloot: “Niet de geringste engel zou er voor/ hebben gevoeld verder te gaan/ met haar broze, bedreigde lichaam”. Uit deze gedachte, die lijnrecht ingaat tegen de gebruikelijke christelijke opvatting dat juist het arme en zwakke verhoogd zal worden, blijkt hoeveel onrechtvaardigheid Leeflang ervaart in het lot dat hem (en haar) is opgelegd.

Over de eeuwen heen trekt Leeflang vervolgens de vaste, kalme zielenrust in huize Vondel in twijfel. Een gewaagd standpunt is dat allerminst. Al vaker is er op gewezen dat die ‘onaandoenlijkheid’ voor een groot deel ook sociaal gewenst gedrag was, een min of meer vanuit de christelijk-klassieke cultuur voorgeschreven ‘pose’; de sterkte van Vondels verdriet zou dan ook beter kunnen worden afgemeten aan de verdere lotgevallen van de Constantinade.
Ten aanzien van de moeder lijkt de regel “Want de moeder schreef het niet” nogal overbodig, want Vondel maant zijn huilende en klagende vrouw immers zelf al omhoog te kijken en meer te letten op het eeuwig belang van haar kind dan op de vergankelijkheid van al het aardse, inclusief haar eigen tijdelijke verdriet. Zij demonstreert voor haar man “de zwakhejt der sex in zoodaanigh ongeval”, zoals Hooft het in een vergelijkbaar verband uitdrukte.

Het is Leeflang met de apart geplaatste slotregel over de moeder om iets anders te doen. Keren we nog even terug naar de eerste strofe. Als het hem ’s nachts bij de strot grijpt, moet hij er uit, wil hij “op een bevriende stoel” (mooi voorbeeld van een indirect gebruikt adjectief), wat niet anders wil zeggen, dan dat hij die thuis niet vindt. Hij moet weg, want het verdriet en de opstandige onmacht kunnen met de moeder niet gedeeld worden. De laatste regel suggereert dat ze er helemaal niet is. Waarom niet? Ook daarover geeft deze regel uitsluitsel: “de moeder schreef het niet”: in hoe de dichter met het verdriet, het lot, het leven omging, kon de moeder niet meegaan. Het moet fnuikend geweest zijn voor de relatie.

Ook in ‘Bezoek aan het vrachtschip’ (1985) staan nog twee gedichten over de dochter, misschien wel de mooiste die hij geschreven heeft: ‘De veren’ en ‘Groot hoefblad’. In dat laatste gedicht schrijft hij: “Iemand verwekt te hebben is een los gelijk/ in het omringend licht van onverschilligheid,/ in slechte dagen is het ook onkuis.// (…) niets wat er groeit uit ons,/ niets van gedachten of van vlees,/ weten wij voor erger te behoeden.”

Ter afsluiting volgt hier bij wijze van toegift nog het gedicht dat onlosmakelijk met ‘Kinderlijck’ verbonden is: de elegie die Hubert Kornelisz. Poot (1689 – 1733) in zijn laatste levensjaar voor zijn dochtertje moest schrijven. Kijk en vergelijk!


   Op de doot van myn dochtertje

  
   Jakoba tradt met tegenzin
   Ter snode werelt in;
   En heeft zich aen het endt geschreit,
   In haere onnozelheit.
   Zy was hier naeu verscheenen,
   Of ging, wel graeg, weęr heenen.
      De moeder kuste ’t lieve wicht
   Voor ’t levenloos gezigt,
   En riep het zieltje nogh te rug:
   Maer dat, te snel en vlug,
   Was nu al opgevaren
   By Godts verheugde schaeren.
      Daer lacht en speelt het nu zo schoon,
   Rontom den hoogsten troon;
   En spreit de wiekjes luchtigh uit,
   Door wee noch smart gestuit.
   O bloem van dertien dagen,
   Uw heil verbiedt ons ’t klagen.



Joop Leibbrand
jl@meander.italics.net



COLOFON

De Klassiekers staan onder redactie van Joop Leibbrand jl@meander.italics.net
en Elly Woltjes ew@meander.italics.net


EERDER VERSCHENEN:

01 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
02 J.P. Rawie - Interieur
03 Jan Kal - Mont Ventoux
04 Jan Emmens - Voor de kade
05 M. Vasalis - Streng en aanbiddend…
06 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
07 Gerrit Achterberg - Dryade
08 Gerard Reve - Wiegelied
09 Paul van Ostaijen - Melopee
10 Hanny Michaelis - Het kind
11 J.C. Bloem - De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij waren
15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner jaren"
17 H. Roland Holst – De zachte krachten…
18 W. Elsschot – Bij het doodsbed van een kind
19 J.H. Leopold – Staren door het raam
** John Irons – The poetry of P.C. Boutens (Klassiekers extra)
20 Han G. Hoekstra – De ceder
21 Paul Rodenko – Het beeld
22 Anna Blaman – De spin
23 Martinus Nijhoff – Moeder
24 Martinus Nijhoff – Impasse
25 Rutger Kopland – Die Kunst der Fuge
26 Rutger Kopland – Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent – Tuinpad
28 Jan Hanlo – Oote
29 Ida Gerhardt -
A en Ω
___________________________________________________________


* Abonneren?
Zend een e-mail aan majordomo@meander.italics.net met als inhoud:
subscribe klassiekers

* Abonnement opzeggen?
Zend vanaf het adres waarop u de klassiekers ontvangt een e-mail aan
majordomo@meander.italics.net en zet daarin: unsubscribe klassiekers

* Adres wijzigen?
1. Zeg uw abonnement op vanaf uw oude adres
2. Neem een abonnement vanaf uw nieuwe adres

___________________________________________________________

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen
toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).