MEANDER KLASSIEKERS (40)

 Redactie Joop Leibbrand



8 januari 2003

Anthonie Donker – Achterbalcon




Op het adres http://meander.italics.net/klassiekers/ zijn de Klassiekers
tot en met aflevering 19 te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.
Vanaf nr. 20 staan ze op http://meander.italics.net/klassiekers/archief

----------

LEZERS REAGEREN

Op de bespreking van Voor de lieve lezer van Hans Andreus kwam een reactie binnen van Rutger H. Cornets de Groot. Met betrekking tot de in “De woorden der gemakkelijkheid, / woorden van rose sluimer,” rondwapperende ‘voličrevogeltjes’ merkt hij het volgende op. “In een van de befaamde anti-Vijftigersartikelen van Bertus Aafjes in Elseviers Weekblad staat het volgende te lezen: ‘Jaren geleden vroeg ik [Aafjes dus] A. Roland Holst […] wat hij dacht van de schare jonge poëten die in Criterium het hoofd opstak. “Criterium,” zei hij, “doet mij denken aan een voličre. Men hoort een levendig geluid dat van alle kanten in het oor dringt. Het klinkt niet oncharmant, alleen: men kan maar niet uitmaken welke toon bij welke zanger hoort. Het kwetteren en kwinkeleren is zo eensluidend dat men onmogelijk achterhalen kan van wie het gehoorde geluid is en het zou onopgemerkt blijven als het lied van de een uit het keelgat van de ander schoot.” Verderop in hetzelfde artikel citeert Aafjes nog Lucebert zelf: ‘“Grootvaderlijk beginnende nachtegalen” heten de vroegere dichters bij Lucebert’, en: ‘“We gaan plastic spinrag uitvinden teneinde een oog te vangen, een vogel aan te kleden.”‘
Voor de belangstellende tijdgenoot zullen die voličrevogels uit de schandaalwekkende artikelen van Aafjes ongetwijfeld gemeengoed zijn geweest.”

----------

Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers

----------

De volgende aflevering verschijnt op 5 februari 2003.
Onderwerp van bespreking is hopelijk dan wél het eerder aangekondigde ‘Men Moet’ van Gerrit Kouwenaar.





Achterbalcon 


Het menselijk gelaat  - hoe droef mistekend,
Des morgens in de tram grauw van de nacht,
Des avonds in de tram grauw afgejacht
Van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
Tobt elk van wat er kan tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
Onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
Het hemellicht hoog neerstraalt over allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
En vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
Tegen elkander schuddend in de bocht.
 


Anthonie Donker  (1902 – 1965)
Uit: Orcus en Orpheus, Van Loghum Slaterus, Arnhem, 1941  



Anthonie Donker, pseudoniem van prof. dr.  N. A. Donkersloot, debuteerde in De Vrije Bladen, maar onderscheidde zich toen reeds door zijn traditionele georiënteerdheid en zijn gevoelige toon, in overeenstemming met zijn melancholische natuur. Hij is ook redacteur geweest van De stem, waarin hij zich meer een ethisch humanist toonde dan een vitalistisch expressionist.

In Achterbalcon is de humanistische stem sterker dan die van de lyrische expressionist. Rationele duidelijkheid wordt verkozen boven schoonheid. Het mededogen met de mens blijkt uit het feit, dat de mens beschouwd wordt als iemand die niet gelooft in de troost van het geloof.
 
De kwatrijnen beschrijven de mens in zijn dagelijkse doen; het eerste terzet verbeeldt de mens zonder verwachting, het tweede terzet toont de rationele houding die God hier tegenover inneemt - een teken hoe de humanistische visie van de dichter doordringt in zijn poëzie.
De mens in dit sonnet is onderweg, maar vindt geen bevrediging; niet in zijn werk en niet thuis. De mislukking is te zien in de uitdrukking van zijn gezicht.

Regel 6 luidde aanvankelijk: Tobt elk van al wat er kan tegenvallen, en is later in de Verzamelde gedichten van 1947 vervangen door: tobt elk om wat men zich ziet tegenvallen. Niet alleen is er toen een hinderlijk germanisme in de tekst geslopen, maar de regel werd er ook minder welluidend en minder duidelijk door en bovendien onpersoonlijker. Het kan zijn dat de dichter zich later als lyrisch expressionist minder kon losmaken van de vermeende schone taal en zich niet meer realiseerde dat een eenvoudige zegging de voorkeur verdient. Het zou ook de invloed van W. Hussem kunnen zijn geweest, want de herdruk, die verscheen onder de naam De einder, was volgens een verantwoording van de schrijver tot stand gekomen in samenwerking met hem.
(R. 10 werd in de latere versie trouwens: het hoge hemellicht neerstraalt op allen?)

De letterlijke herhaling in de derde regel van het eerste kwatrijn geeft de mislukking van de mens op zoek naar het geluk sterker weer. De vele assonanties en acconsonanties verhogen de welluidendheid. Die beginnen al in de eerste regel met de -l in menselijk en gelaat en de -oe in hoe droef. Maar kijk ook naar regel 4, 6, 8, 10, 12 en 13.
Er schuilt spot in de terzetten, wat niet inhoudt dat we die dan ook maar in de kwatrijnen moeten constateren. Het is juist de tegenstelling tussen de ernst in de kwatrijnen en de spot in de terzetten, die dit gedicht extra zeggingskracht geeft.

Het gebruik van het woord onverwisselbaar in r. 8  komt me overbodig voor. Ik weet tenminste niet wat de dichter met dat woord extra wil toevoegen aan de paraaf der pijn.
Het uitroepteken achter r. 11: Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!, had ik aanvankelijk over het hoofd gezien. Ik las die regel telkens als een vraag gericht tot de lezer, misschien door anticipatie van de vragende leestoon in de regel ervoor. Er staat echter een uitroepteken en dat maakt de spot in die regel schrijnender. Er is namelijk helemaal geen sprake van een verhoord gebed, want de moderne mens (van rond 1940!) bidt niet meer, hij verstaat het teken verkeerd, hij heeft niets gevonden. Regel 9 en 10 staan in de aanvoegende wijs, vormen als het ware een voorwaardelijke bijzin, wat aan de hoofdzin in r. 11 de zekerheid ontneemt. Door het uitroepteken herstelt de dichter de zekerheid op een eigenaardige manier. Bekent de dichter in deze bevestigende zin dat hij hoort bij degenen die niet meer kunnen bidden? Zegt hij er daarom als spottende troost onmiddellijk achter dat God zuinig is op zijn wonderwerken?

Door de aanspreekvorm in r. 11 en het gebruik van gij wekt de dichter de indruk dat hij zich richt tot één persoon, omdat de dichter expliciet zegt: gij zocht. Het meervoudige zij in r. 13 van het volgende terzet benadrukt dat de dichter denkt aan meer personen. Wij staan anno 2002 te ver af van het persoonlijk voornaamwoord gij, om de meervoudsvorm er nog in te zien. Is nog te achterhalen of dit al dan niet een zwakke plaats is in het gedicht? Bij herhaalde lezing van de betreffende regels, blijft het me storen, temeer, omdat de dichter zich keurig houdt aan de wetten van het sonnet: het gedicht is opgebouwd uit vijfvoetige jamben en het rijmschema is eveneens volgens de regels. De chute ligt volgens mij tussen de terzetten. De enkele antimetrieën zijn functioneel, vooral bij Onverwisselbaar (r. 8 ) en Hoe (r. 9).

In de slotregel worden de mensen in de tram door elkaar geschud. Daar proef ik in dat de mensen zich willoos laten meevoeren. Of zit daar ook de gedachte achter dat de mensen door het schallen der bazuinen wakker geschud zijn? En dat kan dan weer inhouden dat de dichter het betreurt dat het geloof verloren is geraakt. Hoe dan ook, deze zin is een staaltje van humor en maakt het gedicht potdicht. De dichter vermengt spot en deernis, waardoor de geloofwaardigheid sterker overkomt.
  
Ik vind Achterbalcon door zijn tekortkomingen een merkwaardig gedicht. Toch boeit het me al jaren. Komt dat omdat het ongeloof van de huidige mens zo treffend wordt weergegeven, of omdat het onvermogen van de mens zonder pijn te leven een oude waarheid is waar ook wij niet onderuit kunnen?

Pim Heuvel


Aanvulling

Een aantal jaren voor de verschijning van Achterbalcon liet ook Martinus Nijhoff een tram rijden. In de oktoberaflevering van De Gids van 1936 verscheen onder de titel Voor dag en dauw een reeks van acht sonnetten. Het derde luidt aldus:



Verwachtingen en haren eenmaal grijs
zijn niet als nevelen van ’t hoofd te vage,
mijmert de trambestuurder, bij de slagen
der ruitenwissers, mogelijkerwijs.

De eerste rit is altijd weer een reis.
Full speed. Hij ziet bij ’t zingen van de wagen
oude, onvergetelijke winterdagen
als niemand voor hem uit was op het ijs.

De stad slaapt nog. Zo ver men zien kan zijn
rolluiken voor de winkels neergelaten.
De draad hangt drup’lend door de lege straat.

Verstoot de woonsteden, o God, en laat
de kalveren weer weiden in woestijn.
Twist met ons, twist met ons, twist niet met mate.



Is het vergezocht te veronderstellen dat Donkers gedicht in zeker opzicht een antwoord is op dat van Nijhoff?
(red.)




eerder verschenen

01 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
02 J.P. Rawie - Interieur
03 Jan Kal - Mont Ventoux
04 Jan Emmens - Voor de kade
05 M. Vasalis - Streng en aanbiddend…
06 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
07 Gerrit Achterberg - Dryade
08 Gerard Reve - Wiegelied
09 Paul van Ostaijen - Melopee
10 Hanny Michaelis - Het kind
11 J.C. Bloem - De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij waren
15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner jaren"
17 H. Roland Holst – De zachte krachten…
18 W. Elsschot – Bij het doodsbed van een kind
19 J.H. Leopold – Staren door het raam
** John Irons – The poetry of P.C. Boutens (Klassiekers extra)
20 Han G. Hoekstra – De ceder
21 Paul Rodenko – Het beeld
22 Anna Blaman – De spin
23 Martinus Nijhoff – Moeder
24 Martinus Nijhoff – Impasse
25 Rutger Kopland – Die Kunst der Fuge
26 Rutger Kopland – Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent – Tuinpad
28 Jan Hanlo – Oote
29 Ida Gerhardt -
A en Ω
30 Ed Leeflang – De vader van de baby Constantijn, wat hem
31 Jacques Hamelink – Grijsaard
32 Ed Leeflang – Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33 Ed. Hoornik – Te Middelharnis is een kind verdronken
34 Ed. Hoornik – Overgang
35 Willem van Toorn – Een kraai bij Siena
36 Jan Kuijper – Statica
37 Lucebert – vrede
38 Lucebert – gedicht
39 Hans Andreus – Voor de lieve lezer



* Abonneren?
Zend een e-mail met als inhoud: subscribe klassiekers

* Abonnement opzeggen?
Zend vanaf het adres waarop u de klassiekers ontvangt een  e-mail
en zet daarin: unsubscribe klassiekers

* Adres wijzigen?
1. Zeg uw abonnement op vanaf uw oude adres
2. Neem een abonnement vanaf uw nieuwe adres



Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen
toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de
auteur(s).



Meander Klassiekers is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig! Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.