MEANDER KLASSIEKERS (42)

 Redactie Joop Leibbrand



5 maart 2003

Anneke Brassinga – Roeping




Op het adres http://meander.italics.net/klassiekers/ zijn de Klassiekers
tot en met aflevering 19 te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.
Vanaf nr. 20 staan ze op http://meander.italics.net/klassiekers/archief

----------

LEZERS REAGEREN

Over de bespreking van men moet van Gerrit Kouwenaar (Klassiekers 41) merkte  Klaas de Geus op: “Wat een mooi gedicht, en wat een boeiende bespreking. Mag ik daaraan nog iets toevoegen? Het zo vaak herhaalde ‘nog’ drukt natuurlijk uit hoe sterk de tijd hier dringt. Dat ‘het donker/ de weg vraagt’ houdt de vraag in naar de juiste (levens-)weg naar de dood:  hoe moet je in het aangezicht van het grote, angstaanjagende, duistere geheim (vgl. de lichtloze zwarte kaarsen) leven? Ook de zonen zullen de laatste weg ooit moeten gaan. Hoe bereid je hen voor op een leven in het perspectief van de komende dood? En hoe kun je de dochters leren met de harde, onmogelijke eisen van het leven in het reine te komen? De vlinder is meer dan alleen een metafoor voor de ziel, namelijk ook de ziel zelf (‘psyche’ betekent in het Grieks ziel én vlinder); treffend is hier bovendien de tegenstelling tussen het lichte, liefelijke van de vlinder en het vuile, lelijke van de (doods-)kuil. Is dat onze bestemming? Ten slotte: het is een oud, betekenisvol gebruik dat een vader aan het eind van zijn leven zijn horloge schenkt aan zijn zoon. De tijd van de vader houdt op, zijn tijd is gekomen, hij wordt een mens van de dag. De zoon zet het leven voort, totdat ook hij…”

----------

Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers

----------

De volgende aflevering verschijnt waarschijnlijk op 9 april 2003.
Onderwerp van bespreking is dan ’21 november 1981’ van Jan Eijkelboom.





Roeping

Fluit er een merel, dan voel ik geluk.
Fluit er een merel ten hemel schreiend mooi
in China terwijl ik niet in China ben;

heeft naar verluidt men hier ter stede merels
ook gehoord in het blauwe schemeruur
van 3 Februarij 1603; zal, naar verwacht mag

over zes weken, in mijn tuin hun lied weer
klinken; stel dat ik al op weg zal zijn
gegaan, naar China, of het onbekende

voorbij de grens van mijn bestaan - hoe nu hier
leven zonder geluk? Op eigen kracht te horen
wat de merel zo vaak zong, het moet

volstaan. De oren toegestopt, in stilte,
denk ik dag in dag uit mij in dat ik
die ene ben en steeds een ander,

die urenlang of even maar en waar ook maar
door eeuwen heen geluk heeft en de merel hoort.
Dan vangt in mij misschien het zingen aan.

Anneke Brassinga  (1948)
Uit: Verschiet, De Bezige Bij, Amsterdam, 2001 



****

Anneke Brassinga ontving voor haar bundel ‘Verschiet’ de VSB-prijs voor poëzie. Alleen al voor ‘Roeping’, het openingsgedicht van de bundel, kwam die bekroning haar toe, want de wijze waarop zij in dit poëticale gedicht onderzoekt en verwoordt welke de krachtige impuls is die haar tot dichten aanzet, is indrukwekkend.

Wie snel een bundel doorbladert en verkennend hier en daar een paar regels leest, zou kunnen denken met dit gedicht snel klaar te zijn. Verbindt de eerste regel met de laatste, betrek de titel erbij en voilà, de betekenis lijkt duidelijk: de dichteres voelt zich door de schoonheidservaring die de zang van een merel haar geeft (Fluit er een merel, dan voel ik geluk), geroepen om zich ook zelf uit te zingen. Veel vaker vertoond, niets oorspronkelijks aan, iedere poëzielezer weet hoe het fluiten van een vogel, of het nu de zwarte lijster of een nachtegaal is, beeld kan zijn voor het dichten.

Het gaat hier echter om iets veel wezenlijkers, want het blijkt niet alleen te gaan om hoe de turdus merula zingt, maar vooral om wat en waardoor hij zingt (r. 13) Om daar achter te komen volstaat niet het toevallige moment waarop je in de actuele werkelijkheid een merel hoort fluiten; je moet ze eigenlijk allemaal kunnen horen, niet alleen die op andere plaatsen (China – ga je daarheen op weg, zou je ze hier kunnen missen), maar ook die uit andere tijden (die in het blauwe schemeruur van 3 Februarij 1603 bijvoorbeeld, en dat is weer ver voorbij de grens van het eigen bestaan). Maar zelfs het aanhoren van miljoenen en miljoenen keren steeds het zelfde mooie lied, met bij iedere merel de gedachte dat een ándere merel het wellicht nog mooier zou zingen, ten hemel schreiend (‘God geklaagd’) mooi wellicht, helpt niet om voor eens en altijd het wezen van die zang te doorgronden. Om te weten wat de vogels wordt ingegeven en hoe zij het tot uitdrukking brengen, is het nodig zelf de bron van absolute schoonheid en volmaakt geluk te kennen waaruit de merel put en dat kan alleen als je daarop met een zuiver innerlijk gehoor weet af te stemmen. Vandaar: De oren toegestopt, alsof de merelzang in feite de noodlottige verleiding is van sirenes die de ikfiguur afhouden van wat zij ten diepste wil: in zich verenigen al wat schoonheid en geluk vertolkt én beleeft, omdat slechts dán zij zelf – misschien - tot ‘zingen’ komt.

‘Roeping’ luidt de titel. Dat betekent niet alleen het zich innerlijk geroepen weten, een sterke aandrang tot een bepaalde taak kennen en zich tot de vervulling ervan voorbestemd zijn weten, maar volgens Van Dale ook Gods voornemen met de mens, Diens roepen van de mens tot zijn bestemming, vooral met betrekking tot zijn bekering, zaligheid of volmaking.

Zo opgevat heeft de roep om ‘zaligheid’ een religieuze dimensie, is zuiver geluk letterlijk van goddelijke schoonheid en gaat het erom aan de goddelijke inspirator gehoor te geven. Een gelovig gedicht wordt het daarmee echter niet, tenminste niet in de door de titel gesuggereerde christelijke zin. Niet voor niets wordt precies in het hart van het gedicht gesproken over het onbekende // voorbij de grens van mijn bestaan waarbij ‘onbekende’ door het enjambement nog extra nadruk krijgt. Het is Brassinga dus kennelijk niet te doen om de introductie van een God die haar roept (als we haar gemakshalve - maar altijd gevaarlijk – met de ikfiguur vereenzelvigen). Ook Op eigen kracht uit r. 11 is daarmee in tegenspraak. Maar wie of wat roept haar dan wel en doet het beroep op haar daarvan te getuigen?

Zoals de merel een metafoor is voor een soort absolute natuurlijke schoonheid, vertegenwoordigt de dichteres zelf de van alle tijden zijnde bijzondere menselijke capaciteit daarvoor gevoelig te zijn; zij heeft de ‘gelukkige’ predispositie om de merel te kúnnen horen. Het gaat hier dus om een bijzondere harmonie tussen mens en natuur, om de hogere – maar niet hemelse – eenheid waarvan zij deel uitmaken. Daarvan wil de dichteres getuigen en als zij ‘zingt’ hoopt zij op een vergelijkbaar effect op anderen. Hoe kan zij dat beter doen, dan ook zelf te fluiten als de merel? Tot midden in de vierde strofe hóór je haar kunstige modulaties, uitgebeeld door de ingewikkelde zinsbouw met vele hoofd- en bijzinnen en de frequente vooropplaatsing van de persoonsvormen; de laatste twee stofen bestaan bijna geheel uit één lange triller. Alles vanuit eigen inspiratie – op eigen kracht – en met de intentie dat de anderen in dit leven er zo voor worden behoed ‘merelloos’ te blijven, dus gespeend van iedere schoonheidsontroering.

Aarde, mens en natuur, daarbuiten is er niets. In het gedicht Merelloos zegt ze het zo:

   Nabij nabij o en voorgoed nabij o
   koude klonterpap van modderdonker
   merelloos het binnenste der aarde schoot.


Het is een directe verwijzing naar J. C. Bloem, een van onze meest illusieloze dichters, die in Herinnering (uit Media Vita, 1931) het stervensmoment evoceerde met de beroemd geworden regel Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

Luister. Wees een geroepene. Zing, hier en nu, voor het te laat is.


(Dit gedicht werd gekozen door Pim Heuvel, die ook de aanzet gaf tot de interpretatie ervan.)   

Joop Leibbrand



eerder verschenen

01 M. Vasalis — Aan een boom in het Vondelpark
02 J.P. Rawie — Interieur
03 Jan Kal — Mont Ventoux
04 Jan Emmens — Voor de kade
05 M. Vasalis — Streng en aanbiddend…
06 Simon Vinkenoog — Ver als de horizon ben je
07 Gerrit Achterberg — Dryade
08 Gerard Reve — Wiegelied
09 Paul van Ostaijen — Melopee
10 Hanny Michaelis — Het kind
11 J.C. Bloem — De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg — Verzoendag
13 Hans Warren — Bekentenis
14 E. du Perron — Het kind dat wij waren
15 P.C. Boutens — De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst — Ook ik ben omstreeks 't midden mijner jaren
17 H. Roland Holst — De zachte krachten…
18 W. Elsschot — Bij het doodsbed van een kind
19 J.H. Leopold — Staren door het raam
** John Irons — The poetry of P.C. Boutens (Klassiekers extra)
20 Han G. Hoekstra — De ceder
21 Paul Rodenko — Het beeld
22 Anna Blaman — De spin
23 Martinus Nijhoff — Moeder
24 Martinus Nijhoff — Impasse
25 Rutger Kopland — Die Kunst der Fuge
26 Rutger Kopland — Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent — Tuinpad
28 Jan Hanlo — Oote
29 Ida Gerhardt —
A en O
30 Ed Leeflang — De vader van de baby Constantijn, wat hem
31 Jacques Hamelink — Grijsaard
32 Ed Leeflang — Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33 Ed. Hoornik — Te Middelharnis is een kind verdronken
34 Ed. Hoornik — Overgang
35 Willem van Toorn — Een kraai bij Siena
36 Jan Kuijper — Statica
37 Lucebert — vrede
38 Lucebert — gedicht
39 Hans Andreus — Voor de lieve lezer
40 Anthonie Donker — Achterbalcon
41 Gerrit Kouwenaar — men moet



* Abonneren?
Zend een e-mail met als inhoud: subscribe klassiekers

* Abonnement opzeggen?
Zend vanaf het adres waarop u de klassiekers ontvangt een  e-mail
en zet daarin: unsubscribe klassiekers

* Adres wijzigen?
1. Zeg uw abonnement op vanaf uw oude adres
2. Neem een abonnement vanaf uw nieuwe adres



Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen
toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de
auteur(s).



Evenals Meander literair e-zine is
Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.