De overlevende is een van Vestdijks bekendere gedichten. Daarmee is het nog niet heel bekend, want bekende gedichten van Vestdijk zijn er eigenlijk niet. Nu is citeerbaarheid c.q. populariteit geen kwaliteitscriterium,
misschien zelfs integendeel, en Vestdijks dichterschap wordt dan ook door geen
mens betwist, maar je zou als liefhebber van zijn werk toch wensen dat het
poëzieminnend volk hem iets inniger omarmen zou dan het geval is. Helaas,
evergreens als 'Domweg gelukkig' of 'Denkend aan Holland' heeft Vestdijk niet
geschreven, en er is nog geen strofe, niet eens een regel van hem die zich
spontaan aan het geheugen aanbiedt, - tenzij, heel misschien, de openingsregels
van dit gedicht een lichte, men zou haast zeggen aarzellichte neiging naar die
status vertonen.
Inderdaad koos Vestdijkvorser Martin Hartkamp in 1982 de eerste regel als titel
voor een bloemlezing uit Vestdijks poëzie. Helemaal gelukkig was dat misschien
niet, want het gedicht ontleent zijn aanzien vermoedelijk juist aan de
vereenzaamde treurboom uit de tweede regel. Wie weet meende Hartkamp
dat de Vestdijkliefhebber aan een half citaat genoeg zou hebben, zoals ongetwijfeld
hijzelf. Beter ware het nog geweest als hij het tot een kwart had teruggebracht:
"Wanneer mijn vader sterft..." Het valt toch niet aan te nemen dat
het Vestdijk om het 'staan' te doen zou zijn, alsof de regel eventueel 'Wanneer
mijn vader sterft, laat me er dan bij gaan liggen' had kunnen luiden.
Voor de
minder in Vestdijk ingevoerde lezer houdt het gebrek aan citeerbaarheid van
Vestdijks gedichten allicht verband met hun moeilijkheidsgraad. In het
Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur staat het er
zelfs officieel: "Vestdijk is ongetwijfeld een zeer moeilijk dichter. (...) Door
de overvloedige beeldspraak van zeer persoonlijke allure is op het eerste
gezicht niet altijd duidelijk "wat er staat"."
Dat geldt zeker ook voor
De overlevende: er staat geen duister woord
tussen, maar toch geeft het gedicht zijn geheimen niet zomaar prijs, zelfs niet
als we erkennen dat het ons heus op een bepaalde manier raakt. 't Onverdraaglijkste daarbij is dat het regelmatige,
jambische metrum en 't krachtige, mannelijke rijm er een aura van ijzeren logica
aan verlenen, van vanzelfsprekendheid haast...
De overlevende is het negende, voorlaatste gedicht uit de reeks
Vader
en zoon, onderdeel van de
Gestelsche liederen (1949).
Deze ongemeen rijke bundel schreef Vestdijk in 1943 in het plaatsje Sint-Michielsgestel,
waar hij samen met 400 andere staatsgevaarlijke intellectuelen door de Duitsers
als gijzelaar werd vastgehouden. Aan verzet hoefde in die situatie vanzelfsprekend
niet te worden gedacht, en Vestdijk, van nature individualistisch ingesteld,
trok zich op zichzelf terug; staatsgevaarlijke ambities had hij toch al nooit
gehad. Aan zijn veel strijdbaarder kompaan Theun de Vries schreef hij: "Wij
zouden in deze tijd eigenlijk heel eenvoudige dingen moeten schrijven;
meditaties, zo uit het onderbewuste opgeweld; nederige notities van in een hoek
gedrukte kleine luyden." De reeks
Vader en zoon is van dat voornemen een
goed voorbeeld. Veel verder dan op zijn eigen afkomst kan men zich niet terugtrekken, en Vestdijk had niet alleen
net zijn eigen vader verloren, maar ook nog een andere vaderfiguur: schrijver Du
Perron, aan wiens hand hij, zoals hij het zelf uitdrukte, "het volle letterkundige
leven was binnengeleid".
Tezamen vormen de
Gestelsche liederen de neerslag van een in poëtisch
opzicht uitermate productieve periode die bekend staat als Vestdijks
'tweede vlaag', - niet van verstandsverbijstering weliswaar, al zou je ertoe neigen
om dit woord in verband met poëziebeoefening niet helemaal af te wijzen. Tussen
die vlagen door - de eerste dateert van rond 1932 - hield hij zich maar
spaarzaam met het schrijven van poëzie bezig, en na een derde vlaagje, rond
1956, was de koek ook op. "Er is zo'n geheel andere poëziebeoefening
tegenwoordig. Het had voor mij geen zin meer iets in die richting te proberen.
Dat was ik mij wel bewust," zoals hij er zelf in 1968 van zei. Tot zijn dood in
1971 bepaalde hij zich nog vrijwel uitsluitend tot zijn romans.
Van poëtische discipline of van heilig moeten was bij Vestdijk dus geen sprake,
al hebben die drie vlagen bij elkaar dan nog liefst 2000 pagina's opgeleverd.
Daarbij berust Vestdijks belang voor de poëzie niet alleen op zijn gedichten,
maar ook op wat hij
over poëzie te berde heeft gebracht. Als criticus,
maar vooral als essayist heeft hij veel geschreven dat ook vandaag nog heel
goed te lezen is. Een van die boeken draagt de deftige, ook wat angstaanjagende
titel
Albert Verwey en de Idee (met een hoofdletter) en te vrezen valt
dat de doorzetter verderop in dit artikel nog op dat boek zal worden
getrakteerd. Voor echte vrees is natuurlijk geen reden, want in dat boek, zoals
in zijn andere, neuzelt hij niet over wat goed of fout is in de poëzie, maar
laat hij zien wat werkt en niet werkt. Het zijn bij uitstek praktijkboeken, en
die vormen de mooiste en beste theorieën.
Desondanks blijft het merkwaardig dat Vestdijk met al zijn liefde en begrip
voor poëzie zelf nauwelijks door het lezend volk in het hart is gesloten. Te
cerebraal? De nogal verontrustende gedachte dringt zich daarbij op dat hij
als pedagoog zou hebben gefaald, want hoe zouden wij ooit belangstelling voor
poëzie en poëtica op kunnen brengen wanneer de poëzie van de meester zelf ons
niet aanspreekt? Of ligt het misschien aan onszelf? Het is het waard om die
vraag met enige nadruk te stellen, aangezien Vestdijk zich in zijn werk maar al
te vaak als pedagoog manifesteert, en pedagogie vanzelfsprekend ook een rol
speelt bij de reeks
Vader en zoon, waarvan ons gedicht deel uitmaakt.
Maar de enige manier om erachter te komen is natuurlijk door het gedicht nader
onder de loep te houden. Daarbij zijn we ons er wel van bewust,
dat Vestdijk het pleit juist dankzij die inspanning al voor de helft heeft gewonnen...
Elke regel van
De overlevende telt tien lettergrepen en het metrisch
grondpatroon berust op de jambe. De monotone dreun die dat met zich meebrengt
weet Vestdijk door het hele gedicht heen fraai te verdoezelen en te variëren,
bijvoorbeeld aan het begin van r. 4 en r. 5, met mooie alliteraties, en bij
regels 9, 14 en 15, die eveneens met een heffing worden begonnen. De sterkste
antimetrie treedt op in regels 7 en 8, wat daar heel functioneel is, want je
hoort er het ruisen en ziet de diepe buiging.
Hoe bedreven Vestdijk het metrum hanteert, bleek trouwens ook al uit de eerste regel,
die met vijf heffingen kan worden gelezen, maar waarin de hoofdaccenten toch vallen
op
vader en op
mij, immers de twee hoofdrolspelers in het gedicht.
De overlevende bestaat verder uit vier strofen, waarover vijf zinnen zijn verdeeld. Regel 9 en
10 bevatten elk een volledige zin, en hoewel het niet om een sonnet gaat, lijkt
daar toch sprake van een soort volta: beide regels scheiden de wens die in de eerste
twee strofen wordt uitgesproken van de werkelijkheid die in de laatste twee onder
ogen wordt gezien.
De treurboom zelf, met zijn 'diepst neergebogen treurgebaar',
is het centrale en, mogen we zeggen, bijzonder geslaagde beeld van het gedicht.
Er is wel gespeculeerd over de vraag om wat voor treurboom het gaat: zo zouden het
tere, avondlijke groen en de sneeuwwitte bloesems op een treur
berk wijzen, maar
je vraagt je bij zo'n conclusie meteen af waarom Vestdijk dat dan niet zelf al schreef.
Eerder dan gegevens te leveren voor een botanische determinatie lijkt r. 4 de tijd
van het jaar aan te willen duiden. De boom is 'bijna bebloesemd', dus is het bijna
lente, en er is nog sprake van 'sneeuw' (ook in r. 14), dus is het nog winter. Winter
en lente, en de overgang tussen die beide: ook hier bevinden we ons dus op de grens
tussen leven en dood. Het 'teerste, avondlijkste groen' wijst op jong leven, gewijd
aan de dood.
Dat tweeslachtige is volgens de dichter ook het kenmerk van het plantsoen
waarin de boom staat: geen stad en geen land (r. 13). Nu is de combinatie van
stad en land geen onbekend verschijnsel in Vestdijks werk: een van zijn vroege
bundels heet
Kind van stad en land ("Want 'k weet, er is waar men het leven
slijt / En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid / te vinden dan in bergen
of ravijnen", uit het toch ook vrij bekende gedicht
Zelfkant in die bundel), en
in zekere zin speelt heel Vestdijks oeuvre zich in die halflandelijke sfeer af.
Voorbijrazende brommers ontbreken bij hem net zo goed als kwinkelerende vogels.
Maar wanneer hij zo expliciet naar die sfeer verwijst, dan zouden we ons met dit
gedicht en deze beelden wel eens in het hart van zijn ervaringswereld kunnen bevinden.
Geen stad, geen land: men is geen kind meer, maar wél het kind van degene die net is
gestorven. Hoe zit dat? In de verhouding tussen vader en zoon is de dood van de
vader het meestbepalende moment: de geboorte van de zoon wordt door de vader beantwoord
met diens dood. Weliswaar volbracht de vader toen hij de zoon verwekte ook al een
daad, maar die is toch van secundair belang voor de verhouding, omdat hijzelf toen
nog geen vader was en de zoon nog geen zoon; vandaar dat de moeder in het gedicht
ook alleen in het voorbijgaan wordt genoemd. Essentieel voor het gedicht is de onbeslisbaarheid
na de dood van de vader, of 'aarzellichte tusschenstand'. De zoon is geen zoon meer,
terwijl hij niet eerder zo aan zijn zoon-zijn werd herinnerd als juist op dit moment.
De laaghangende takken van de boom doen aan een sluier denken. Opmerkelijk
genoeg heeft de dichter daarbij geen rouwsluier, maar integendeel een bruidssluier
op het oog. Bovendien wordt de boom met vrouwelijke termen uitgebeeld: gesmukt,
teerste, bebloesemd, sneeuwwit. Op het eerste gezicht doet het vreemd aan dat een
zoon zichzelf met een bruid vergelijkt, maar hij vergelijkt dan ook niet zichzelf,
maar zichzelf
als treurboom met een bruid. En hij doet dat, omdat de boom alleen
levend de dood actief kan uitbeelden, en de zoon ook alleen levend aan de opdracht
van zijn vader, namelijk zelf vader te worden, gevolg kan geven. Van dat leven is
een bruid het symbool bij uitstek. In een kladversie van de laatste strofe van het
gedicht, waarin het rijm nog onvolledig is, is dat duidelijker te zien:
Want onder mij heerscht steeds mijn vader nog
En drijft mij met zijn wil boven zich uit,
Steeds hogerop en bloeiend als de bruid
Die uit zijn dood verlangen teer ontlook.
De zoon wordt als het ware door de dode vader naar het volgende, tiende
en laatste gedicht voortgedreven!
Maar binnen dit negende gedicht is het zover
nog niet en hoopt de zoon het verbond tussen zijn vader en zichzelf te kunnen hernieuwen.
Parafraserend: daartoe moet hij als overlevende deelnemen aan de dood door als treurboom
een symbool van de dood te belichamen. Weliswaar zou hij liever daadwerkelijk sterven
om zich met zijn ouders te herenigen, maar hij is nu eenmaal de zoon en moet dus
nog moet blijven leven. Er blijft hem daarom niets anders over dan te ruisen, en
al stijgend en dalend de tussenstand zien te bewaren van zoon te zijn van een vader
die er niet meer is.
Voortdurend moet in het oog worden gehouden dat deze indrukken
op een denkbeeldige situatie, een voorstelling berusten: in de eerste regel wordt
immers geen feit geconstateerd, maar een wens uitgesproken, beter nog, uitdrukking
gegeven aan de consequentie van de liefde die de zoon voor zijn vader voelt. Het
gaat in laatste instantie om een idee, een gedachte die bevriest in het beeld van
een treurboom in een plantsoen, - niet om een gebeurtenis. Een van de redenen waarom
de tussenstand aan het eind 'aarzellicht' wordt genoemd - overigens een prachtig,
aan het Tachtiger idioom herinnerend woord - is omdat het idee tussen leven en dood
te bemiddelen bij het lichtste contact met de werkelijkheid als een zeepbel uiteenspat:
het is immers maar een idee, een voorstelling. Er wordt alleen in de geest, maar
dan ook voor eeuwig, gevolg aan gegeven. In de werkelijkheid gaat het leven
en gaat de reeks verder.
Zo vormt
De overlevende een schitterend beeld van de
laatste waarheid omtrent vader en zoon, een eeuwig beeld waarin de liefde van de
zoon voor zijn vader is vervat. Het is een voorstelling die de zoon niet bij de
aanvang van de reeks had, maar die toch als ster boven alle gedichten uit de reeks
Vader en zoon uitstraalt, óók boven die eerste vier of vijf, waarin nog pas sprake
is van vaderhaat en infantiel verzet. Daarmee voldoet dit gedicht aan twee
belangrijke kenmerken van reekspoëzie: het kan op en om zichzelf worden gelezen,
maar ook in samenhang met de reeks. In het op
De overlevende volgende tiende en
laatste gedicht,
Het nieuwe gezin, is de zoon verlost van de ouderbinding die hem
tot dan toe parten speelde en aanvaardt hij zelf zijn nieuwe rol als vader.
Ten slotte.
In r. 11 wordt de klacht van de zoon buitengewoon indringend verwoord door de smeekbede
'Erbarm u mijner'. Daarbij vragen we ons een moment af tot wie hij zich richt: de
vader, God? - totdat we inzien dat het God de Vader moet zijn. Daar wijst ten eerste
''t oud verbond' uit r. 7 op, waarvan niet kan worden aangenomen dat het alleen
op het huwelijk van zijn ouders betrekking heeft; de woordkeus verwijst immers rechtstreeks
naar het Oude Testament (= verbond) tussen God en mens. Bovendien beziet Vestdijk
in het vijfde gedicht uit de reeks de vader/zoon-verhouding al in religieus aspect.
In dat gedicht, de
Ballade van het vierde kruis, speelt hij beiden vakkundig uit
elkaar wanneer hij God de volgende klacht in het gezicht slingert: "Híj [d.w.z.
Christus, de Zoon] is het die de ergste wonden heelt, / Maar Gíj [nl. God de Vader]
hebt nimmer aan het kruis gehangen."
Hieruit blijkt niet alleen dat pedagogische
verhoudingen uiterst dynamisch zijn en alle stadia van haat tot verering kunnen
doorlopen, maar ook dat zij zich van het kleinste, huiselijkste niveau - de verhouding
tussen een vader en een zoon - tot kosmische proporties laten opblazen. Die schaalvergroting
stelt ons daarom in staat om ook onze cultuur in het juiste perspectief te bezien.
Wanneer we eerder zeiden dat de dood van de vader het bepalende moment is in
de verhouding met de zoon, welke conclusies kunnen er dan worden getrokken uit de
dood van God, zoals die hem in het westen is aangezegd? Staat die westerse
cultuur als geheel vereenzaamd als een treurboom in 'n plantsoen? Het gedicht
dwingt ons weliswaar niet tot dergelijke vragen, maar Vestdijks oeuvre is op
dergelijke vragen wel toegerust. Want ook alles wat zich tussen vader en Vader
in bevindt resoneert mee: van leraar, meester, dokter, priester, filosoof,
politiek leidsman, rabbi, wetgever tot goeroe. Wie Vestdijks oeuvre naloopt,
ziet dat veel van zijn belangrijkste personages in deze beroepen werkzaam zijn,
- met uitzondering dan van Anton Wachter, de pupil... En het zou wel eens zo kunnen
zijn dat het pedagogische de kernmotivatie uitmaakt van Vestdijks schrijverschap;
ook dit gedicht slaagt er ten slotte in om begaanheid in ons op te wekken met het
verdriet en het tragisch vooruitzicht van de zoon. Zo verovert het zich toch de
plaats die het verdient, namelijk in ons hart, waar wij het teken van de treurboom
meedragen wanneer wijzelf boven onze vaders dode handen uitstijgen.
***
R.A.
(Rudy) Cornets de Groot (1929-1991) wijdde aan Vestdijk tal van belangwekkende essays.
Zie http://www.xs4all.nl/~cornets/deopenruimte
TOEGIFT -
De overlevende en
de intern antithetische methode
Wanneer men een vers niet geheel begrijpt, terwijl
men daarnaast heel duidelijk het gevoel heeft, dat de dichter een voor hemzelf zeer
belangrijk onderwerp heeft aangesneden, dan is dit onderwerp in verreweg de meeste
gevallen de Idee. (S. Vestdijk)
De vraag die Vestdijk zelf in verband met
reekspoëzie heeft proberen te beantwoorden, is op welke manier gedichten in zo'n
hecht verband met elkaar kunnen staan dat er van een reeks gesproken kan worden,
anders gezegd, wat de verbindende idee is en op welke manier die idee de gedichten
vervolgens aan elkaar rijgt. Het boek waarin hij deze materie bespreekt, men raadt
het, is het eerder met enige schroom aangekondigde
Albert Verwey en de Idee. In
dat boek ontwikkelt Vestdijk een methode om Verwey's poëzie als reekspoëzie te kunnen
begrijpen. Hij gaat er daarbij vanuit dat een gedicht, wil het aanleiding geven
tot een voortzetting, op een innerlijke tegenstelling, een antithese moet berusten,
waarbij de ene term waaruit die antithese bestaat wordt voortgezet in het erop volgende
gedicht, terwijl de andere term teruggevonden moet kunnen worden in het eraan voorafgaande
gedicht. In een formule uitgedrukt ziet deze zogenaamde
intern antithetische methode
er als volgt uit:
a - non a;
b (= non a) -
non b;
c (=non b)
non c, enz., waarbij
het isgelijkteken geen volkomen identiteit uitdrukt, maar een identiteit onder wisselend
aspect; was dat niet het geval, dan zou er tussen de gedichten immers geen enkel
verschil kunnen bestaan.
Nu ontwierp Vestdijk deze methode om de poëzie van Albert
Verwey door te lichten, maar het verbaast niet dat ook zijn eigen reekspoëzie er
inzichtelijk door kan worden gemaakt. Sterker nog, gebleken is dat de methode niet
alleen op Vestdijks eigen reekspoëzie kan worden toegepast, maar dat ook de structuur
van bepaalde romans en van sommige afzonderlijke gedichten eraan beantwoordt. Om
dat laatste is het ons hier te doen.
Passen we de methode toe op
De overlevende,
dan blijken inderdaad alle vier de strofen ervan op een innerlijke tegenstelling
te berusten, die zich om de twee regels voordoet - bijna alsof Vestdijk voor dit
treurdicht het aloude elegisch distichon door de structuur wilde laten heenschijnen.
Men zie:
a: Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan
Vereenzaamd als een treurboom in 'n plantsoen
non a: Gesmukt met 't teerste, avondlijkste groen,
Bijna bebloesemd, sneeuwwit aangedaan.
b (= non a): Bijna een bruid, boven de sponde waar
Sinds kort mijn moeder ook een toevlucht vond;
non b: En ruischende hernieuw ik 't oud verbond
Met mijn diepst neergebogen treurgebaar.
c (= non b): Zoo, treurend, zou ik willen sterven ook.
Maar hoe te sterven, zoo ver boven hen?
non c: Erbarm u mijner, treurboom die ik ben,
Gedoemd te bloeien onder de stadsrook,
d (= non c): In 't tweeslachtig plantsoen, geen stad, geen land,
Dalend als sneeuw en stijgend als de bruid
non d: Boven mijn vaders doode handen uit
In deze aarzellichte tusschenstand.
Waarbij:
a: afzien van leven;
non a: eerste levensbegin
b (= non a): nieuwe toekomst; non b: bevestiging verleden
c
(= non b): behoefte om te sterven; non c: tot leven veroordeeld
d (= non c): voortdurende
wisseling; non d: ruststand
Het aardige van de methode is natuurlijk dat ze van
Vestdijk gebruikmaakt om Vestdijk te verklaren, waardoor de auteursintentie niet
al te veel geweld kan worden aangedaan.
Een laatste opmerking: de tegenstellingen
worden aan het eind
niet verzoend en de dynamiek blijft gehandhaafd, hoezeer de
taal en een synthetische reflex ons ook aan het tegendeel willen doen geloven. Aan
het eind van de reeks keert men weer terug naar het eerste gedicht, als de zoon
die, in de geest althans, vader is geworden.