30 juni 2004
J. A. dèr Mouw (Adwaita) - ’K BEN Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Een analyse door Edith de Gilde
Lezers reageren
Over De ontdekker van J. Slauerhoff schreef Ton Delemarre:
Wim Hazeu merkt in Slauerhoff. Een biografie op dat hier doodsverlangen en
verlangen naar oneindigheid samenvallen. Het gaat helemaal niet over verlangen; het
gaat over feiten, over Slauerhoffs leven. Hij beseft dondersgoed dat hij hartstikke
dood loopt. Bij Hazeu wordt de hartstochtelijke mens een soort praatjesmaker die zijn
weemoed in een versje plast. Maar zo zat Slau niet in elkaar.
Verder denk ik dat er meer te zeggen valt over de parallel met Christofoor (let op de naam) Columbus.
Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
joopleibbrand apenstaartje klassiekegedichten.net
De volgende aflevering verschijnt op 28 juli 2004.
Onderwerp van bespreking is dan 'LANG rolt, een bol van klank, de knal van ’t schot,' eveneens van J. A. dèr Mouw.
'K BEN Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:
'k gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
Zíj zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En 'k voel me hulploos en vol zelfverwijt,
als zij mijn lang verwende onpraktischheid
verwent met wat ze toverde in de pan.
En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
tot feeërie van wereld, kunst en weten:
als zij me geeft mijn bordje havermout,
en 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
dan voel ik éénzelfde adoratie branden
voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.
J. A. dèr Mouw (Adwaita) (1863-1919)
Uit: Volledig dichtwerk, G.A. van Oorschot , Amsterdam 1986
Johan Andreas dèr Mouw ís zijn poëzie. Hij heeft die niet alleen geschreven,
en hoe, maar ook geleefd. Alles wat hij van kind af aan heeft gevoeld, gedacht, geleerd,
gedaan, weerspiegelt zich in de gedichten die hij rond zijn vijftigste levensjaar
begint te schrijven. 'Nu bloedt hij verzen', schrijft hij zelf.
Dèr Mouw, geboren in Westervoort in 1863, als baby met zijn ouders naar Zwolle en op zijn tiende naar
Deventer verhuisd, groeit op in een door christelijke waarden en vormen bepaalde omgeving.
Tegen de zwarte kanten daarvan zet hij zich later onomwonden af: 'God zou de ziel
vergodlijken door smart? / Die dat zei, was een spotter of een gek: / Wie wast 't
onreine blank met klev'rig pek, / En bleekt met nacht 't diep ingezogen zwart?' Een
voorgevoel van zijn latere overtuiging dat al het geschapene een goddelijke vonk in
zich draagt ('Wat in je rilde, toen tot ogenblik / De oneindigheid zich samentrok,
was ik, / Brahman, jouw Zelf. [...]') zal hem op het pad hebben gebracht van zijn studie
van Latijn, Grieks, wijsbegeerte en Sanskriet en zijn belangstelling voor wis- en
sterrenkunde hebben gevoed.
Oorspronkelijk leidt zijn filosofisch denken tot
een consequent doordacht en doorvoeld solipsisme: niets is zeker behalve de eigen
geestesinhoud. Dat maakt een mens wezenlijk eenzaam. Zijn eigenzinnig, ondogmatisch
optreden als leraar in Doetinchem en mogelijk zijn biseksuele geaardheid leiden bovendien
tot een conflict dat hem aan de rand van de afgrond brengt. Na twee zelfmoordpogingen
en een rechtszaak vestigt hij zich rond 1902 met zijn gezin (echtgenote en aangenomen
dochter) in Den Haag, waar hij privé-lessen geeft. In deze jaren herkent hij in de
eeuwenoude geschriften, de Upanishads, waarin het Indische weten en denken, de Veda's,
zijn neergelegd, zijn eigen meest diepe levensgevoel. Het bevrijdt hem uit zijn isolement
en zorgt voor een gevoel van eenheid met al wat is. Het geeft bovendien een bestaansgrond
aan zijn voorkeur voor een heldere, onomwonden wijze van zeggen: het 'hoogverhevene'
is in deze manier van denken immers niet beter, want niet wezenlijk anders, dan het
'laagkomieke'.
Het wezen van de Veda's, uitmondend in de Vedanta, is een zoektocht
van het individu naar wijsheid in zichzelf. In de Adwaita Vedanta mondt deze zoektocht
uit in het besef, het ervaren, dat er een eenheid is van mens en kosmos. Atman (het
fundamentele geestelijke principe van ieder mens of wezen, het Zelf) en Brahman (het
fundamentele kosmische principe, het Absolute) zijn één. Het westerse godsbesef is
één van de verschijningsvormen van Brahman. De eenheid van Atman en Brahman wordt
uitgedrukt in de zin: Tat tvam asi (Dat ben jij). Het is een van de motto's die Dèr
Mouw aan zijn eerste gedichtenbundel meegeeft. Als dichter noemt hij zich ook Adwaita:
de tweeheid voorbij.
Het besef van eenheid met al het aardse en al het goddelijke
geeft de dichter Dèr Mouw vleugels. Hij zwerft in zijn gedichten met het grootste
gemak van sterrenstelsels naar glimwormpjes, van de dagelijkse werkelijkheid naar
een 'twee'spraak met Brahman. Van angst bevrijd bereikt zijn taal, die zich vrijwillig,
maar bepaald niet slaafs voegt in de sonnetvorm, een zeggingskracht die vandaag nog
volstrekt niet verminderd is.
Zou hij, als hij was blijven leven, op dezelfde wijze
zijn blijven schrijven? Zoals 'niets godlijks' was ook niets menselijks hem vreemd
en niemand kan altijd op de toppen van extase verblijven ('Ik walg van 't Wezen, tot
mijn Ik verkleind, / Wanneer ik zie, waartoe het leven dwingt.') En bovendien, de
taal heeft zelf het dualisme niet overwonnen: het wezen van Brahman wordt gekenmerkt
door 'onuitspreekbaarheid'. Het antwoord heeft hij zelf niet hoeven geven. Hij overleed,
55 jaar oud, kort voor zijn eerste bundel uitkwam.
Het sonnet met de onsterfelijke beginregel ' 'K BEN Brahman. Maar we zitten zonder meid.' (eerste publicatie:
Brahman
I, 1919) is een van de gedichten die het huiselijk leven als uitgangspunt nemen. Al
zal de betekenis en sociale context van het woord 'meid' bij behandeling in een schoolklas
van nu enige toelichting behoeven, de regel geeft meteen de grootheid van Dèr Mouw
in een notendop: dit ben ik, een god in het diepst van mijn gedachten, maar ja. Helderheid,
humor. De rest van de eerste strofe en de tweede schetsen een beeld van een man die
zijn best doet: hij is vol goede wil, maar het huishouden is hem nu eenmaal vreemd
en zijn vrouwelijke omgeving moedigt hem daarin aan. Hem rest niets anders dan eerbied
tonen, ja zelfs adoreren. In de natuur (Zon), de muziek (Bach), filosofie (Kant),
de zorgende, vergankelijke medemens (haar vereelte handen), in al deze dingen is Hij
te vinden, zich manifesterend in een toverachtig scala van aspecten. En tot overmaat
van geluk is de 'ik' er met al zijn onhandigheid niet van uitgesloten: ook hij is
Brahman.
Vele boeken zijn er volgeschreven over het gedachtegoed van de Upanishads
en vele zullen er nog volgen. Maar zelden zal iemand zo treffend voelbaar hebben gemaakt
wat het besef van eenheid betékent als Dèr Mouw in dit ogenschijnlijk eenvoudige gedicht.
Frederik van Eeden schrijft: '... ik ben vervuld van die verzen, (...) Het is alles
echt
van begin tot eind, en het is heel bijzonder. Er komen wel heel wonderlijke regels
in, maar ik ben nu geneigd het alles te aanvaarden, en geen aanmerkingen te maken.'
Ik zeg het Van Eeden na.
Eerder verschenen: 1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W. F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html
* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres
|
Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële
ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt
naar girorekening 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.
|
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen
toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de
auteur(s).