Klassiekers (65)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

23 februari 2005

Leo Vroman - Nacht


Een analyse door Joop Leibbrand


Op het adres http://klassiekegedichten.net zijn alle Klassiekers te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.


Lezers reageren

De bespreking door Inge Boulonois van De Waterlelie van Frederik van Eeden leverde zowaar een discussie op, voor het eerst in Klassiekers!
Rutger H. Cornets de Groot merkt op:
Het gedicht herbergt een paar geheimen die onbesproken zijn gebleven. Het gaat naar mijn idee niet om een discrepantie tussen werkelijkheid en ideaal, maar om het verschil tussen afkomst (Freud) en bestemming (Jung). Meer dan christelijke, spelen bildungs- en wellicht ook alchemistische ('gouden hart') motieven een rol. Het woord 'rijzend' verwijst expliciet naar een tot wasdom komen, vanuit de donkere ondergrond naar de liefde tot God. Goed gezien is de identificatie van het subject met het object, waarbij de eerste van zijn eigen geestelijke ontwikkeling in de waterlelie een beeld probeert te geven. Maar met schoonheid en zuivere liefde heeft dat alleen zijdelings te maken; ik weet ook niet in hoeverre de waterlelie daarvan een symbool bij uitstek is, zoals wordt gezegd. De sfeer in Van Eedens dagen en in zijn kring was toch boeddhistisch/antroposofisch, waardoor het 'niet meer wensen' in de laatste regel als uitdrukking van het verlangen naar het Nirvana kan worden gelezen, het opgeven van verlangen om zo de cyclus van wedergeboorten te doorbreken, enz.; het 'peinzen op het watervlak' is dan de verwoording van meditatieve contemplatie. De context van het gedicht moet niet in eerste instantie in het christendom of het katholicisme worden gezocht, maar bij Jung, de alchemie, Blavatsky en eventueel nog bij een vroeg-communistisch sentiment. Een bij uitstek zweverig gedicht dus, volgens het vooroordeel, maar niet zonder verdienste, wat de bespreker verder mooi heeft laten zien.

Reactie Inge Boulonois:
Ik kan mij wel voorstellen dat Cornets de Groot wat aanhikt tegen de (tentatieve!) interpretatie die ik vanuit Van Eedens utopische visie aanreikte, tegen die 'discrepantie tussen werkelijkheid en ideaal'. Het zijn termen uit de meer hedendaagse psychologie en die toepassen op Van Eeden doet anachronistisch aan. Toch heb ik zelf weer moeite om het gedachtegoed van allang gedateerde psychoanalytici uit de kast te halen, omdat dat mijns inziens geen recht doet aan de tijdloze inhoud van dit gedicht. Dat is natuurlijk een kwestie van persoonlijke smaak, want legitiem is het zeker: Freud en Jung waren dť dieptepsychologen uit Van Eedens tijd.
Inderdaad had Van Eeden een levendige belangstelling voor het boeddhisme. Maar als schrijver is hij natuurlijk wel geworteld in onze bloedeigen, voor een groot deel christelijk gevormde traditie, dus het zou mij te ver voeren het gedicht uitsluitend vanuit dat persoonlijke interessegebied te bekijken.
Symbolen zijn vanzelfsprekend historisch-cultureel bepaald en hebben daardoor lang niet altijd een eenduidige betekenis. Het Hebreeuwse sjoesjan kan zowel met lelie als met lotusbloem vertaald worden. Laatstgenoemde vormt symbool bij uitstek van het inzicht dat tot het nirwana leidt. In China en Tibet is de lotus met het boeddhisme verbonden als beeld van het zuivere streven. De bloem is trouwens door Van Eeden ook wel gebruikt als boekvignet.
Het hier besproken gedicht gaat echter over een waterlelie en niet over een lotusbloem. Naar mijn idee had Van Eeden, indien hij aan het gedicht inhoudelijk een 'exotische' lading wilde geven, er wel 'De Lotusbloem' boven gezet. Met andere woorden: een christelijke duiding klinkt hier, ook gezien hetgeen ik in de tweede alinea te berde breng, plausibel. In die optiek is de witte lelie zinnebeeld van reine dus schone, maagdelijke liefde. Zo wordt de aartsengel GabriŽl gewoonlijk met een lelie in de hand afgebeeld als hij Maria de boodschap brengt. Ook in het Hooglied wordt de symboliek van de bloem benut. Zijn lippen zijn lelies, ze druipen van vloeibare mirreÖ zegt de bruid als zij de schoonheid van de bruidegom bezingt.
De waterlelie was, tot slot, niet alleen geliefd vanwege haar fraaie uiterlijk, maar ook vanwege de heerlijke geur die zij verspreidde, maar dat terzijde.

Antwoord Rutger H. Cornets de Groot:
De slechtste dienst die je een gedicht kunt bewijzen is het tijdloos te willen maken door het los te koppelen uit het persoonlijke interessegebied van de auteur. Gedichten - en mensen - zijn allesbehalve tijdloos, en er zou veel gewonnen zijn in de wereld wanneer dat eens werd erkend. Liever neem ik iemand als H.H. Ter Balkt als voorbeeld, die de vaderlandse geschiedenis als tijdgenoot van een verleden werkelijkheid benadert, in plaats van als 'objectieve' beschouwer van een zelfstandige, onveranderlijke en dus in alle richtingen te manipuleren grootheid.
Het is die opvatting van poŽzie als autonoom verschijnsel die onder meer verantwoordelijk is voor zulke verwarring als ten aanzien van de lotusbloem en de waterlelie. Het zijn allebei planten, maar ze behoren niet tot dezelfde begripscategorie. De lotusbloem is een centraal symbool van het boeddhisme. Het is niet omdat Van Eeden geworteld is in onze bloedeigen vaderlandse cultuur dat hij die vervangt door een waterlelie, maar eenvoudig omdat hier geen lotus groeit. Dat wil niet zeggen dat daarmee het boeddhisme door het christendom wordt vervangen, alleen maar dat Van Eeden het oorspronkelijke symbool door een concreet object vervangt. Zo houdt hij de wereld waar het symbool naar verwijst levend.
Met noties als die uit het Hooglied en andere bijbelplaatsen bereik je hier maar weinig. Ik zie niet in hoe dit gedicht met schone, maagdelijke liefde in verband kan worden gebracht. Het is een 'Bildungsgedicht', dat beschrijft hoe het subject zich ontwikkelt van ongevormde materie (de 'donker-koele vijvergrond') naar het nirvana. Door de betrokkenheid van het subject op het object is het gedicht behalve boeddhistisch ook alchemistisch, want de dichter ziet zichzelf weerspiegeld in de waterlelie, zoals de alchemist zichzelf herkende in de materie die hij in zijn fiool bij elkaar had gebracht, en zo in een dubbelproces zelf ook de ontwikkeling doormaakte van prima materia tot edelmetaal.
Natuurlijk bestaan er voor de uitkomst in alle geloofssystemen equivalenten: de steen der wijzen bij de alchemie, nirvana bij het boeddhisme, satori bij Zen, de apotheose bij de Grieken, het samenzijn met God in het christendom. Dat maakt allemaal niet veel uit. Maar de kern van het gedicht is de beschreven ontwikkeling van het subject van chaos naar volheid. Dat heeft met schoonheid of maagdelijkheid niets te maken. Maar juist die twee termen worden door mensen met een neiging naar het autonome te pas en te onpas te pas gebracht, om de eenvoudige reden dat zij moeite hebben om de wereld te aanvaarden zoals die is: lelijk, onvolmaakt, veranderlijk, vergankelijk. Daarom moet het gedicht van zijn oorsprong, de dichter van zijn historische context en de bespreker van zijn eigenschappen worden vervreemd. Resultaat: een gedicht dat tijdloos geworden is, en daardoor niemand meer wat te zeggen heeft.

Slotopmerking Inge Boulonois:
Op de (zeer geapprecieerde!) reactie van Rutger reageer ik zo beknopt mogelijk, slechts op de essentie.
Van huis uit zijn wij dualistische denkers: of het ene, of het andere bezit exclusieve geldigheid. De werkelijkheid is natuurlijk veel te complex om met onze denkbeelden, hoe theoretisch gefundeerd, hoe significant aantoonbaar details ook mogen zijn, te omvatten. Als we alle theorieŽn en de optocht van lucide ideeŽn uit diverse invalshoeken over een kunstwerk of een gedicht bij elkaar zouden vegen, ontstaat een beeld dat het dichtst ligt bij wat dat voorstelt. Een optiek is immers niet meer dan een mogelijke manier van kijken en denken, van benaderen.
Wat ten aanzien van poŽzie en overigens de meeste vormen van kunst geldt is, en nu spreek ik even als kunstpsychologe, dat kunst die de tijd weet te trotseren, naast een tijdgebonden aspect ook een tijdloos element in zich heeft. Op een of andere manier vormt een groots kunstwerk een geslaagde synthese tussen tijdgebonden en tijdloze aspecten, het slaagt erin onze tijdelijkheid aan het eeuwige te koppelen. Wellicht is dit een duidelijker formulering: hoe een gedicht zich uitdrukt is primair gekoppeld aan de maatschappelijk-culturele context, aan de tijd dus, maar wŠt wordt uitgedrukt is meer van tijdloze aard.
Een gedicht dat uitsluitend product van de eigen tijd vormt, heeft met trend en mode te maken, is geŽnt op de waan van de dag. Dat kan uiteraard korte tijd succesvol en vooral leuk zijn, maar al gauw wordt het als leeg en nietszeggend ervaren. Nog even dit: prachtig klinkend, natuurlijk, 'de vaderlandse geschiedenis als tijdgenoot van het verleden', maar meer dan een geconstrueerde taalkundige uitspraak waar je ook in de praxis van het dagelijks leven moeilijk mee uit de voeten kunt, is dat niet.
Wat ik met mijn bespreking van 'De Waterlelie' heb willen laten zien, is juist de diversiteit aan perspectieven die mogelijk zijn bij een bekend gedicht als dit en waar christelijke connotaties en interpretaties die twee millennia lang in onze maatschappij vigerend waren, pertinent bij horen. Daar voeg ik overigens graag de invalshoek van Rutger met zijn Bildungs-notie naar het Nirvana aan toe. De alchemie laat ik buiten beschouwing; Van Eeden lijkt mij niet de man geweest te zijn om zich langdurig met goochelachtige praktijken als transmutaties en levenselixers in te laten.


Van Manja Herstel kwam nog een persoonlijke opmerking:
'Hartelijk dank voor de heldere bespreking van het gedicht 'De Waterlelie' van Frederik van Eeden. Ik heb dit gedicht vaak gebruikt om aan iemand te zenden als troost bij een overlijden. Ik kocht dan een mooie ansichtkaart met een waterlelie en schreef het gedicht er bij. Wijlen Gied Jaspers (programmamaker) was weg van dit gedicht en liet het op zijn rouwkaart en overlijdensadvertentie zetten.'


Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 23 maart 2005 en zal dan gewijd zijn aan een gedicht van Hans Andreus.



Nacht

Dieper naar voren kan ik mij niet buigen
over de wereldrand, spaarzaam verlicht.
Met het gelaat op blinde duisternis gericht
kan ik mij van Gods glans niet overtuigen.

De verste nadering betracht ik in de vele
gedachten die ik naar dat hol gebied
uitzend; talrijke keren niet,
doch ik verlies mij in dit koppig spelen

en in de pijn die tot een lust verdooft
om hun verminkte wederkomst waaraan
'k een wreed en zeker teken hecht van Gods bestaan:
dat ginds een wand is waar wat in hem gelooft
en tot zijn licht vliegt blindelings op stuit.

Doch wellicht hoort hij in de stilste nachten
het zieke ritselen van mijn gedachten
die zich te pletter fladderen buiten op zijn ruit.


Leo Vroman (1915)

Uit: 262 GEDICHTEN, Querido, Amsterdam, 1974





'Nacht' behoort tot Vromans vroegste gedichten. Het stond oorspronkelijk in Gedichten, vroegere en latere (1949) en kreeg in 126 GEDICHTEN (1964) een plaats in de kleine afdeling 'In IndiŽ, 1940-1941'. (126 GEDICHTEN werd in 1974 integraal opgenomen in 262 GEDICHTEN.)

In de gedichten uit 'In IndiŽ, 1940-1941' is duidelijk een dichter aan het woord die net als in de allereerste gedichten uit 'In Holland, 1935-1940' nog worstelt met een eigen stem, een eigen vorm. Er zijn echo's van de vroege Bloem, van Slauerhoff, Marsman, Van den Bergh misschien ook wel en van grote afstand lijkt zelfs Bilderdijk Vromans pen te sturen: 'Hoe lelie welker blaren/ buiging Uw keelwit baren/ al sluit om kernrood merk:/ in 't wilde wimperstaren/ wil nog geen licht bedaren/ en fonkelt het stervend zwerk.' ('Schemering', eerste strofe.) En dan is er ineens als zesde en laatste gedicht 'Nacht', onvergelijkbaar veel beter dan al wat voorafging. Authentiek, uitdagend, direct beklijvend - een gedicht dat je een leven lang met je meeneemt, omdat het zo overduidelijk geschreven is vanuit het perspectief van de moderne mens.
Zie hem staan op 'de wereldrand' van deze kleine uithoek van ruimte en tijd van ruim 4,5 miljard jaar oud, nabij een dwergsterretje, 3500 lichtjaar buiten de kern van een middelgroot melkwegstelsel dat in 5 miljard jaar is ontstaan aan de rand van een bescheiden groepje van zulke stelsels, in een gestaag uitdijend heelal dat tenminste 13,4 miljard jaar oud moet zijn en dat miljarden van dergelijke sterrenstelsels bevat, elk met miljarden sterren die in grootte en temperatuur overeenkomen met de zon, alleen al in ons melkwegstelsel zo'n 200 miljard, met ruim 600 miljoen 'aardse' planeten in hun gevolg.
Hoewel deze aannamen in de tijd waarin Vroman zijn gedicht schreef aanmerkelijk lager lagen, moet voor hem tijdens de aanschouwing van de zuidelijke nachthemel het perspectief hetzelfde geweest zijn: zoveel te weten en niets te weten, zoveel te zien en niets te zien. Nacht en duisternis waar je deze even verbijsterende als verpletterende 'schepping' wilt doorgronden en erin naar de mogelijke 'schepper' van dit alles op zoek wilt gaan.

Vromans godzoeker is een ambivalent man. Hij wil door 'denken' tot een godsbewijs komen, maar weet tegelijkertijd dat denken alleen tekortschiet, dat hij daarvoor (de zin is ambigu!) te weinig 'verlicht' is en dat hij door er zich alleen verstandelijk over te buigen, en zich niet te willen 'buigen', dus geen gelovige te willen zijn, blind moet blijven, in feite zich zelf blindmaakt. Waarvoor hij enerzijds zelf verantwoordelijk is - hij staat dan wel op de uiterste rand van de (als plat voorgestelde?) aarde, maar durft deze uit voorzichtigheid niet los te laten -, doch wat ook God verweten kan worden, omdat die zijn goddelijke glans onzichtbaar houdt en ook anderszins bepaald spaarzaam met 'verlichting' omgaat, in de (drie)dubbele betekenis van het woord.

In 'Nacht' lopen denken en geloven voortdurend door elkaar heen, elkaar even sterk bevestigend als ontkrachtend. De ik zoekt de uiterste grenzen van zijn voorstellingsvermogen ('verste nadering'), maar weet dat hij een 'hol' - dus leeg en beslist unheimlich - gebied verkent. Door tegen beter weten in zijn verslavende gedachtespel te blijven spelen (hoe 'koppig' en met hoeveel ernst!), komt hij, omdat zijn gedachten immers steeds eenzelfde kant opgaan, niettemin haast automatisch uit bij 'Gods bestaan', maar niet zonder dan zichzelf te 'verliezen', zelfs zichzelf als persoon kwijt te raken; niet voor niets staat in r. 12 'wat in hem gelooft' en geen 'wie'!

Vroman stelt in het beeld de naar God uitgaande gedachten voor als een soort uitgezonden vliegende verkenners, 'ritselende' motten bijvoorbeeld, of 'fladderende' nachtvlinders, die immers onweerstaanbaar door een lichtbron worden aangetrokken. Omdat het licht voor de beschouwer zelf niet waarneembaar is, kan van de niet teruggekeerde insecten nooit gezegd worden of ze hun doel bereikt hebben. Maar als ze (met verbrande vleugeltjes en verschroeide pootjes?) 'verminkt' terugkomen, kan het betekenen dat ze dicht, heel dicht bij het beoogde doel geweest zijn, dat het 'licht' er ook werkelijk was. 'Wederkomst' heet hun terugkeer dan ook, een plechtig woord met een duidelijk christelijke notie.
De ik lijkt bereid er een 'zeker teken' in te zien, maar het feit dat hij in zijn denken altijd voor grenzen moet blijven staan, maakt het juist fundamenteel onzeker. Hij gaat aan het ingeschapen verlangen kapot, zijn 'zucht' naar God is letterlijk ziekmakend, hij vliegt zich als het ware te pletter en dat blijkt allemaal door Vromans God gewild, als het enige waarmee de mens het moet doen. Het is 'wreed', het verminkt. God heeft in zijn verborgenheid het volle zicht op ons en onze gedachten, maar zelf kijken wij in een duistere spiegel, staan wij voor de duur van ons bestaan voor een muur, 'wand' waarop je 'blindelings' stuit.
Zo blijft of God er in dit gedicht nu wel of niet is op een intrigerende manier verborgen. Hij schijnt te zijn, maar in het verborgene en mits je gelooft, maar alles is speculatief en even onzeker is het of hij ook maar iets van alles wat op hem afketst, opmerkt.

Over de vorm van het gedicht slechts een paar opmerkingen. Op grond van het rijmschema (omarmend rijm) zou je een indeling in vier kwatrijnen verwachten, maar ten koste van de vierde strofe is de derde strofe een regel langer gemaakt. Heel functioneel, want de door 'Doch' uitgedrukte tegenstelling wordt versterkt en 'stuit' houdt nu ook in het gedicht een grens in. Het is min of meer te vergelijken met wat Vroman met de regellengte doet. De meeste regels met mannelijk rijm tellen tien lettergrepen en die met vrouwelijk rijm elf, maar in de gevallen waarin hij daarvan afwijkt, is dat niet zonder betekenis. Zo mist r. 7, de regel waarin gedachten niet terugkeren, een hele versvoet en heeft de laatste regel drie lettergrepen te veel, waarmee het durende hulpeloze gefladder mooi ook in de vorm wordt uitgedrukt. Het is niet moeilijk om in de andere afwijkende regels (3, 5 en 12) iets vergelijkbaars aan te wijzen.

***

Hoe in de natuurkunde het kleine het grote spiegelt is bekend. Bij Vroman gebeurt dat ook in zijn poŽzie. In 'Mijn beroep' (uit De ontvachting, 1960) beschrijft hij hoe graag hij als onderzoeker een atoom zou willen ingaan. Het gedicht eindigt met de volgende twee strofen:

Ik wil krom voorover gaande
neergaan in dat onbestaande
waar wij allen uit bestaan
tot ik in mij zelve val,
of wel achteroverkrullend
zwijgend of behoeftig brullend
om de nacht van het heelal

Wee dit hongerig verlangen,
wee mij, spin, blind opgehangen
in mijn haarwerk van gedachten
wee de lange lange nachten
vangstenloos en ongevangen
web, het hoge luide bos;
de bergstroom kan ik horen razen,
en de wind giert door de mazen,
maar geen zoogdier scheurt mij los.

De parallellen met 'Nacht' zijn duidelijk. En hoe fraai de voorstelling van God als 'zoogdier'!
Het onderwerp heeft Vroman nooit losgelaten. Zo schrijft hij in de bundel De roomborst van Klaas Vaak (1997), waarin het begrip 'God' heeft plaats gemaakt voor 'Systeem' het volgende: 'Systeem, er is in mij geen gen/ dat Ik is maar dat ik niet ben [Ö]// Hoe kan ik in mijn waakse nachten/ dan ooit een plaatsbare gedachte/ laat staan een stem van u verwachten// Met al Uw geur, licht en geluid/ begrijpt geen mens wat Gij beduidt,/ Gij die Zich zo Onmenselijk uit.'

Vromans metafysische worsteling is natuurlijk volstrekt niet uniek. Geen weldenkend mens of vergelijkbare gedachten hebben hem ooit door het hoofd gespeeld. Ruim een halve eeuw na 'Nacht' schrijft Willem Jan Otten in zijn bundel Eindaugustuswind (1998) over de zelfde problematiek, waarbij hij met name in het uit drie delen bestaande titelgedicht een beslissende, vanwege de ultieme paradox niet te ontkrachten, stap zet. Een tweetal fragmenten, respectievelijk uit de delen 2 en 3:

Ik ben gaan liggen op mijn rug met boven mij
een sterrenwak precies als toen ik dertien was.
Het was opnieuw als lag ik denkend in een kuil.
Takken zwarter dan het doodstil uitspansel.

Ik heb mij nu zo luid tot u gericht
dat uw zwijgen is gaan klinken
naar de stilte in een bladstil bos
[Ö]
                            Ik twijfel niet
aan uw bestaan zo lang u tot mij
zwijgt. Het is aan mij, u laat mij vrij
om uit uw echoŽnde stilte op te staan.

Dat laatste doet dan weer denken aan deze regels uit het bekende Tussen de lage kamerÖ van Vasalis uit De vogel Phoenix (1947):

De sterren siddren in onzichtbre netten,
zij zijn zo licht, zo schuldeloos en vrij,
fonklend verkerend in hun trotse wetten.

En ik weet niet wat mijn eigenlijke wetten zijn,
ik zoek een ver, onmenselijk en zeker teken
uit deze wildernis van pijn
en zelve ben ik te verward, te warm, te klein.

PoŽzie, het is een koppig spelen.


Joop Leibbrand




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
  2 J.P. Rawie - Interieur
  3 Jan Kal - Mont Ventoux
  4 Jan Emmens - Voor de kade
  5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend
  6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
  7 Gerrit Achterberg - Dryade
  8 Gerard Reve - Wiegelied
  9 Paul van Ostaijen - Melopee
10 Hanny Michaelis - Het kind
11 J.C. Bloem - De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij waren
15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17 H. Roland Holst - De zachte krachten
18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19 J.H. Leopold - Staren door het raam
20 Han G. Hoekstra - De ceder
21 Paul Rodenko - Het beeld
22 Anna Blaman - De Spin
23 Martinus Nijhoff - Moeder
24 Martinus Nijhoff - Impasse
25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent - Tuinpad
28 Jan Hanlo - Oote
29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31 Jacques Hamelink - Grijsaard
32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34 Ed. Hoornik - Overgang
35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36 Jan Kuijper - Statica
37 Lucebert - vrede
38 Lucebert - gedicht
39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40 Anthonie Donker - Achterbalcon
41 Gerrit Kouwenaar - men moet
42 Anneke Brassinga - Roeping
43 Jan Arends - drie gedichten
44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45 Ria Borkent - Sieraad
46 Simon Vestdijk - Het kind
47 Jac. van Hattum - Visvangst
48 Simon Vestdijk - De overlevende
49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50 Leo Vroman - Een boot
51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52 H. Marsman - 'Paradise regained'
53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54 Willem Jan Otten - Op zaal
55 Hester Knibbe - Vannacht
56 J. Slauerhoff - De ontdekker
57 J.A. dŤr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58 J.A. dŤr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59 J.H. Leopold - Regen
60 Jan G. Elburg - gelovig soms
61 J.C. Bloem - Insomnia
62 J.H. Leopold - Saadi
63 Anton Korteweg - Wij samen
64 Frederik van Eeden - De Waterlelie



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).