Klassiekers (68)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

18 mei 2005

Gerrit Komrij - Een gedicht


Een analyse door Inge Boulonois


Op het adres http://klassiekegedichten.net zijn alle Klassiekers te raadplegen, compleet met poëtisch woordenboek.


Vooraf

Op de bespreking van Het brandende wrak van Geerten Gossaert kwam een reactie binnen van Jan Haveman, die tegenover Herbert Mouwen enkele kanttekeningen plaatst bij de gegeven grammaticale analyse, met name bij de volgende passage, die hij weinig verhelderend acht:
De tweede strofe is opgebouwd uit een persoonsvorm 'verblindde', een uitgewerkt lijdend voorwerp, waarvan de kern 'mijn' blik' is en een gecompliceerd onderwerp: 'De bloedige bloesem midnachtelijker zon'. Of eigenlijk het daarmee afgebeelde dat pas in de derde strofe gepresenteerd wordt: 'Een wrak ... vuur!' Het beeld de 'vuren kolon' dat bij het afgebeelde 'Een wrak ... vuur!' hoort dat de ik-figuur waarneemt, wordt met 'Als' verbonden met het visuele beeld van de 'bloedige bloesem midnachtlijker zon.

Haveman schrijft:
Deze parafrase is ongeveer even ingewikkeld als de tekst die zij beoogt te verklaren en daardoor weinig verhelderend. Na te hebben vastgesteld dat verblindde de persoonsvorm is, spreekt u over een uitgewerkt lijdend voorwerp, waarvan mijn' blik de kern is. Met de aanduiding 'uitgewerkt lijdend voorwerp' suggereert u dat het hele lijdend voorwerp nogal uitgebreid en/of complex van aard is, maar u laat in het midden waar die uitwerking dan wel haar begrenzing heeft.
Vervolgens benoemt u De bloedige bloesem midnachtelijker zon als onderwerp bij de persoonsvorm verblindde en u voegt daar als een soort 'zelfcorrectie' aan toe 'Of eigenlijk het daarmee afgebeelde dat pas in de derde strofe gepresenteerd wordt: Een wrak ... vuur!
De vraag rijst of uw zinsontleding hier wel correct is. Als we strofe 2 opnieuw onder de loep nemen, te beginnen met de eerste twee versregels, dan staat daar in gewone-mensentaal: 'Toen verblindde tussen wolken en water een vuren kolon mijn blik die naar de einder was gericht.' [lett.: .....naar de einder 'ontsloten' (ontluiken = ontsluiten)]; [een vuren kolon = een zuil van vuur (It. colonnade = zuilenrij).]

De correcte ontleding van de eerste twee regels van strofe 2 kan dan ook geen andere zijn dan:
persoonsvorm = verblindde; onderwerp = een vuren kolon (!) ; lijdend voorwerp = mijn' blik naar den einder ontloken (kern mijn' blik + bepaling naar den einder ontloken); bijwoordelijke bepaling v. tijd: toen en bijw. bepaling v. plaats: tussen wolken en water.

Bij verdere beschouwing van strofe twee blijkt dat na de 2e versregel een vergelijking met als volgt: De vuren kolon wordt vergeleken met de bloedige bloesem van de middernachtzon, die door een magische morgen in het zuiden is ontstoken'. De bloedige bloesem midnachtelijker zon is dus wel een deel van de vergelijking, maar daarmee niet het onderwerp bij verblindde. De dubbele punt aan het eind van strofe 2 geeft aan dat er een verklaring volgt. In strofe 3 (Een wrak ... vuur!) wordt een concretisering gegeven van een vuren kolon, het onderwerp uit strofe 2.

Kolon, bloesem of wrak

Met het gebruik van een grammaticale analyse heb ik in een analyse geprobeerd vat te krijgen op de syntactische spanning in de tweede en derde strofe. Mijn ontleding heeft geleid tot enkele taalkundige reacties, die zonder meer correct zijn, laat ik dat voorop stellen. Natuurlijk geeft Haveman de meest voor de hand liggende ontleding van de tweede strofe; er valt niets op af te dingen, deze analyse is taalkundig gezien volkomen juist, maar ik kom met mijn poëtische analyse niet verder. Wat moet ik verder met de rest van strofe twee en met strofe drie? Ik wil de taalkundige ontleding gebruiken ten dienste daarvan. Ik noem De bloedige bloesem midnachtelijker zon een gecompliceerd onderwerp. Nu is dat voor de taalkundig geschoolde een onduidelijk begrip, dat besef ik, maar deze analyse heeft ten doel de 'gewone', geïnteresseerde lezer te bedienen. Wat er aan de hand is, is m.i. het volgende: Het onderwerp bij de persoonsvorm verblindde is een vuren kolon, (die) als van magische morgen, in 't zuiden ontstoken, de bloedige bloesem midnachtelijker zon (was): Een wrak … een passie van vuur! Er is sprake van een uitgebreid onderwerp met drie kernen: (1) een vuren kolon, (2) de bloedige bloesem midnachtelijker zon, (3) Een wrak … een passie van vuur! De dichter vult na de dubbele punt in wat hem verblindde. Het zinsdeel als van magische morgen in 't zuiden ontstoken is mogelijk een bepaling van gesteldheid of een bijw. bep. van vergelijking. Dat de zaak gecompliceerd is, blijkt ook uit de verschillende publicaties die er zijn over de interpretatie van dit gedicht. J. de Gier noemt zonder verdere uitleg in zijn proefschrift Stichtelijke en onstichtelijke experimenten (Utrecht, 1982) de bloedige bloesem midnachtelijker zon onderwerp. Martien J.G. de Jong noemt in Het Nederlandse gedicht na 1880 het zinsdeel Een wrak onderwerp en vraagt de lezer in de vorm van een vraag om een bewijs daarvan. Blijkbaar zit iedereen met de kwestie.

Herbert Mouwen


Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 15 juni 2005.
Onderwerp van bespreking is dan 'Fotografie' van Gerrit Achterberg.



Een gedicht

De eerste regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden.
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet weer rijmen op de tweede.

De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.
De zevende schijnt zwaar geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindconclusie.


Gerrit Komrij (1944)

Uit: Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten,De Arbeiderspers, Amsterdam, 1968




De gewezen eerste Dichter des Vaderlands is prozaïst, criticus, essayist, polemicus, vertaler, toneelschrijver, columnist en last but not least, gezaghebbend bloemlezer. Niet alleen zijn bibliografie is imposant, maar ook de reputatie van zijn persoonlijkheid: een Momus, die met alles en iedereen de draak steekt, koketteert met zijn tegendraadsheid en het Nederlandse volk bestookt met vileine columns.
Gerrit Jan Komrij werd in 1944 te Winterswijk geboren. Na het gymnasium vertrok hij naar Amsterdam om Algemene Literatuurwetenschap te studeren, een studie die hij niet afmaakte omdat hij de wijk nam naar Kreta. In 1967 keerde hij naar Amsterdam terug en ging samenwonen met de graficus Charles Hofman. Sinds 1984 resideren ze in Portugal.

Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten vormde Komrij's officiële debuut. De meningen over zijn dichterschap stonden snel diametraal tegenover elkaar. Sommige recensenten beoordeelden de gedichten als 'technische juweeltjes', anderen spraken over 'de ongure meligheid van een literaire potsenmaker'. Zijn poëzie zit vol ironie en maskerade en ook zelfspot is hem niet vreemd. Zo onthulde de schrijfster Mensje van Keulen, al jaren met hem bevriend, eens zijn grafschrift: 'Hier ligt Komrij. Ik denk dat ik omrij'.

Bekendheid bij een groot publiek kreeg hij in 1976 als treurbuiscriticus van NRC Handelsblad. Zijn eerste grote bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten verscheen in 1979. Met die eigenzinnige selectie toonde hij zich een pleitbezorger voor poëzie die ten onrechte uit zicht dreigde te raken. De 'canon' werd lang niet door iedereen geapprecieerd; opvallend was zijn voorkeur voor de klassieke dichtkunst, waardoor Vijftigers relatief weinig aandacht kregen. Erna volgde een trits andere bloemlezingen. Van zijn eerste verscheen in 2004 de veertiende herziene en vermeerderde druk. Deze geldt als standaardoverzichtsbloemlezing van de moderne Nederlandstalige poëzie. Komrij kreeg veel literaire prijzen. Voor zijn bijdrage aan de Nederlandse literaire traditie ontving hij in 2000 van de Universiteit Leiden een eredoctoraat.

Een gedicht uit zijn debuut in 1968 is merkwaardig genoeg het énige dat hij van zichzelf in de bloemlezing van 2004 heeft opgenomen. Het behoort tot zijn meest geciteerde gedichten en laat zich door de herhaling van zinsbouw (parallellisme ofwel Hebreeuws rijm) vlot lezen. Mét de 'banale' inhoud geeft dit rijm, ook nog eens geschraagd door het jambische metrum, de zinnen een drenzerig effect. De eerste regels lees je nog argeloos, maar al vlug dienen zich bij de lezer gemengde gevoelens aan. Bij de vijfde regel begint de inhoud te dagen: het gedicht wil ons een loer draaien. Met hoop op een verrassende clou, een betekenisvolle verandering en bovenal nieuwsgierigheid lees je verder. De flauwekul gaat door tot de slotzin die met 'De twaalfde is van niets de eindconclusie' een chute vormt. De inhoud van dit formeel typische Komrij-gedicht wordt klip en klaar onthuld: er staat niets in.
Het vers gaat nergens over, zo vertelt de dichter ons. Het is een poëticaal gedicht, een persiflage. De dichtkunst wordt met het masker van de ironie bespot, pretentieuze gewichtigheid wordt aan de kaak gesteld. Doe maar gewoon, dichters, houd zielenroerselen en ontboezemingen voor je want die stellen niets voor. Zelf legt hij niet graag intimiteiten bloot: 'Eer zal men kakken in zijn hoed /Dan dat ik u mijn ziel blootleg/ En zeg wat ik thans lijden moet', zo dicht hij elders. Een gedicht ontstaat door simpel maat- en maakwerk waar geen inspiratie aan te pas komt. Poëzie is 'subliem bedrog, nobele zwendel,' aldus Komrij in een interview in 1980. Hier verbeeld door broddelende onzinzinnen, door banale regels in een elegante, traditionele vorm.
Al is 'Ik rijm erg rot' een door de dichter zelf gevonden anagram van zijn naam, verstand van vaste verzen heeft hij zeker; alles past geraffineerd in de voorgeschreven regelmaat. Formeel een schoolvoorbeeld van vlekkeloze strakheid: drie kwatrijnen, vijfvoetige jamben, gekruist eindrijm. Hier en daar gelardeerd met extra rijm zoals binnenrijm (derde-terrein, tiende-misschien) en herhaling (de elfde - de elfde). Mooi zoals het woord 'niets' in de slotzin met de ie-klank (tiende, desillusie, niets) in de twee voorafgaande regels wordt geanticipeerd. Het vers eindigt bovendien met een onbeklemtoonde 'ie', een zwakke echo van dat niets.

Elke nieuwe regel in 'Een gedicht' begint, zoals in al Komrij's poëzie, met een hoofdletter en eindigt met een punt…behalve de zevende: die eindigt met een komma, de énige komma in het gedicht. Opzet, een interpunctiegrapje van de dichter om dat leesteken, die punt met een staartje - bedoeld om het zinsritme te onderbreken waardoor het laatst gezegde wordt geaccentueerd - pontificaal na 'geouwehoer', het enige informele woord te plaatsen? Om zo de conclusie te benadrukken dat het gedicht écht nergens over gaat, slechts slap geklets is? De komma staat daar ook omdat het werkwoord in de volgende, achtste regel onmiskenbaar ter wille van het metrum werd weggelaten. Dat sluit opzet niet uit. Voor Komrij was het een koud kunstje geweest om die omissie te ondervangen. Door bijvoorbeeld: Het zevende gelijkt geouwehoer./ De achtste schijnt serieus. Of omgekeerd/. Blijft het zo even duidelijk waar 'of omgekeerd' op slaat? Of wil hij door die komma de inwisselbaarheid van schijn en geoha benadrukken, dus toch opzet van deze punctuele rijmer?

'Een gedicht' vormt Komrij's enige eigen werk in de bloemlezing van 2004 en het stond al in zijn debuutbundel van 1968. Opvallend feit is dat in alle edities van de anthologie tot en met de twaalfde druk (1996) een ander gedicht staat en wel 'De dichter'.

DE DICHTER

Toen het letterkundig tijdschrift
Hem een briefje toe deed komen,
Waarin stond: 'Mijnheer, uw verzen
Waren lang niet slecht, we zullen
Er eerdaags een paar van plaatsen',
Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.
Heel zijn leven werd nu anders.
Hij ging doen alsof hij grote
Mensen hoogstpersoonlijk kende
. Hij zei stad wanneer jij blad zei.
Hij zei held wanneer jij speld zei.
Hij zei ach wanneer jij dag zei.
En daarvan wilde hij leven!

Uit: Tutti-frutti, De Arbeiderspers1972

Formeel een heel ander gedicht. Geen witregels en kwatrijnen, slechts parallellisme in de tiende tot en met de twaalfde regel, waarin tevens rime riche (zei). Elders binnenrijm (stad - blad), voorrijm (waarin - waren), alliteratie (paar - plaatsen), consonantie (borst - zwol), acconsonantie (er - eerdaags - paar) etc. Metrisch een strikte trochee, waardoor het vers een krachtige indruk maakt.
'De dichter' is evenals 'Een gedicht' ironisch. De gewichtigheid van een dichter die mag publiceren wordt bespot door hem, de 'hij', voor te stellen als een onzinnige rijmelaar die 'held' zegt als jij 'speld' zegt. De laatste regel vormt ook hier de chute of volta en is gecursiveerd, alsof het perspectief verschuift van de 'hij' naar de feitelijke dichter waardoor identificatie plaatsvindt en de feitelijke - autobiografische - dichter zich afvraagt of hij daarvan wel zal kunnen leven.
Kennelijk heeft er een 'update' van Komrij's eigen poëzie plaatsgevonden. Dat is gebeurd bij de dertiende (herziene en vermeerderde) druk van de bloemlezing, dus in 2004. Vraag is natuurlijk waarom 'De dichter' vervangen is door 'Een gedicht' uit 1968? Er zit maar liefst 36 jaar tussen. Waarom heeft de poet laurate er niet een recent gedicht in geplaatst?

Enkele maanden na de veertiende druk verscheen ter gelegenheid van de viering van Komrij's zestigste verjaardag in een kleine gesigneerde oplage zijn Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in twee gedichten (De Uitvreter, 2004), bevattende 'De dichter' en 'Een gedicht'. De bijbehorende expositie kreeg als titel En daarvan wilde hij leven!. Het kan niet anders of dit moet een statement zijn waarmee Komrij benadrukt dat het hem altijd om hetzelfde is blijven gaan. Trou moet blycken, ook met betrekking tot zijn eigen werk. Poëzie is nobele zwendel waarvan hij leven kan. De dichter speelt met ironie en maskerade, het is spielerei met zwaar 'geouwehoer' en bloedserieuze zinnen, met schijn en ernst - of omgekeerd. We zijn weer terug bij de zin met de ene komma die daar in 'Een gedicht' even toevallig als bewust is neergezet.

Inge Boulonois




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
  2 J.P. Rawie - Interieur
  3 Jan Kal - Mont Ventoux
  4 Jan Emmens - Voor de kade
  5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend
  6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
  7 Gerrit Achterberg - Dryade
  8 Gerard Reve - Wiegelied
  9 Paul van Ostaijen - Melopee
10 Hanny Michaelis - Het kind
11 J.C. Bloem - De nachtegalen
12 Gerrit Achterberg - Verzoendag
13 Hans Warren - Bekentenis
14 E. du Perron - Het kind dat wij waren
15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17 H. Roland Holst - De zachte krachten
18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19 J.H. Leopold - Staren door het raam
20 Han G. Hoekstra - De ceder
21 Paul Rodenko - Het beeld
22 Anna Blaman - De Spin
23 Martinus Nijhoff - Moeder
24 Martinus Nijhoff - Impasse
25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27 Ad Zuiderent - Tuinpad
28 Jan Hanlo - Oote
29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31 Jacques Hamelink - Grijsaard
32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34 Ed. Hoornik - Overgang
35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36 Jan Kuijper - Statica
37 Lucebert - vrede
38 Lucebert - gedicht
39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40 Anthonie Donker - Achterbalcon
41 Gerrit Kouwenaar - men moet
42 Anneke Brassinga - Roeping
43 Jan Arends - drie gedichten
44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45 Ria Borkent - Sieraad
46 Simon Vestdijk - Het kind
47 Jac. van Hattum - Visvangst
48 Simon Vestdijk - De overlevende
49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50 Leo Vroman - Een boot
51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52 H. Marsman - 'Paradise regained'
53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54 Willem Jan Otten - Op zaal
55 Hester Knibbe - Vannacht
56 J. Slauerhoff - De ontdekker
57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59 J.H. Leopold - Regen
60 Jan G. Elburg - gelovig soms
61 J.C. Bloem - Insomnia
62 J.H. Leopold - Saadi
63 Anton Korteweg - Wij samen
64 Frederik van Eeden - De Waterlelie
65 Leo Vroman - Nacht
66 Hans Andreus - Laatste gedicht
67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).