Klassiekers (73)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

14 september 2005

Eva Gerlach - Lievelingsdieren


Een analyse door Edith de Gilde


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.


Vooraf

De bespreking door Inge Boulonois van Neeltje Maria Mins 'mijn moeder is mijn naam vergeten' leverde verschillende reacties op.
Sietse Hoogeboom merkt op:
Ik keek er wel een beetje van op, van dat Opperwezen dat in de tweede strofe opeens opduikt. Ik moet er ook altijd wel een beetje om lachen, God als panacee voor elk interpretatieprobleem. Dan gaat 'De wolken' van Nijhoff daar ook over, want wolken = hemel = God. En mijn moeder uit strofe 1 is zeker Maria? Ik heb hier altijd aan een vrouw gedacht, jonge moeder van een jong kind. Voor haar moeder geen kind meer - die naam is ze vergeten -, voor haar kind nog geen moeder. Dat schept een niemandsland. Wie ben ik? Wat is mijn rol? Hoe moet ik mij geborgen weten, er is immers geen naam die past, geen naam die beide vrouwen (met wie ik een keten vorm) kunnen gebruiken.
Over dat niemandsland, die identiteitscrisis zo men wil, gaat dit gedicht.


Rutger H. Cornets de Groot tekent aan:
De keten in 'Laat mijn naam zijn als een keten' heeft vooral betrekking op de moeder en de dochter die genoemd worden: schakels binnen een keten van een zich voortzettend geslacht. Die naam gaat weliswaar niet via de vrouwelijke lijn over, maar 't gaat er natuurlijk om hoe iemand zich een naam verwerft: pas door jezelf te vestigen verlies je je anonimiteit. Anders gezegd, in Neeltje Maria Mins geval en met betrekking tot het gedicht: ze wil bemind worden door iemand die haar kan maken tot wie ze is, d.i. iemand die bemint, en het aardige is natuurlijk dat ze ook inderdaad Min heet. 'Voor wie ik liefheb wil ik heten' lijkt in haar geval dus een tautologie, maar ze ziet heel goed dat die naam als zodanig niets betekent, maar een opdracht uitdrukt. Bekijk je het zo, dan blijf je binnen het kader van het gedicht en hoeft de werkelijkheid er niet te worden bijgehaald om het gedicht te verklaren (zoals met speculaties over een mogelijk slechte moeder-dochterrelatie). In plaats daarvan wordt een notie geactiveerd die in de eenheid van de dichter en diens gedicht besloten ligt. Alleen door te beminnen kan Min de keten voortzetten, niet die van de naam, maar van datgene wat de naam uitdrukt. Niet het Opperwezen dus, maar gewoon een vent.


De reactie van Inge Boulonois hieronder:
Deus ex machina Dank voor de reacties op mijn bespreking van Min! Het lyrisch-ik zou zich best (ook) in een identiteitscrisis kunnen bevinden, maar dat laat de 'naam als een keten' onverklaard. Dat 'Min' hier ook als opdracht kan worden gezien om lief te hebben - nomen est omen - spreekt mij meer aan, hoewel je niet voorzichtig genoeg kunt zijn met de koppeling van de inhoud van een gedicht aan de auteursnaam. Je kunt in dat geval ook aan 'minnemoeder', zoogster denken. Maar voor liefde is toch niet per se een vent nodig? (Wél inhoud!) Het gedicht gaat over een hechte band tussen een naam en een liefde of de Liefde, zoveel is zeker.
De bespreking eindigde welbewust met Dat lees ik zo'n veertig jaar later in het gedicht. Daarin zit vervat dat deze en elke analyse een benadering vanuit een ingenomen perspectief is, intersubjectief èn persoonlijk. Als schrijver van analyses laat je zien hoe het kan en motiveer je het ingenomen perspectief. De eigen bagage van een lezer, hoe objectief hij of zij ook wil zijn, weegt mee om de vraagtekens die een gedicht oproept betekenis te geven. In onze rugzak zitten leeftijd, sekse, overtuigingen, stemmingen, de culturele context, de kennis van en de ervaring met de taal van poëzie en noem maar op. Koffers vol ideeën en herinneringen zijn we waar regelmatig wat bijkomt en wat uitgaat.
Een interpretatie is eigenlijk zelden of nooit af noch volledig. Na verloop van tijd kunnen binnen één en dezelfde lezer andere details in het oog springen, met weer andere betekenismogelijkheden. En zo blijft het lezen en interpreteren van poëzie een spannende bezigheid. Lees maar, er staat niet wat er staat, schreef Nijhoff indertijd al in in zijn befaamde gedicht 'Awater'.






Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 12 oktober2005.
Onderwerp van bespreking is dan 'Roodborstje' van Gerrit Krol.

Van Esther Noordman kwam het verzoek 'Lamento' van Remco Campert te bespreken. Zij schrijft: 'Ik heb gezocht naar besprekingen hiervan, maar kan nauwelijks iets vinden, hooguit technische uitleg (repetitio e.d.)'
Als er een lezer is die een analyse kan verzorgen: graag!



Lievelingsdieren

Tussen de stenen hollen de platte,
brede pissebedden omlaag naar het donker. Vergeten
toen het nog koud was te kijken: hoe overwintert
een dier dat zo lijkt op herinnering,
zo afvalkleurig, met zijn hoofd naar binnen
en doodstil bij de minste aanraking.

Ik weet een kind dat van ze houdt, het streelt
hun dadelijk verstijvende stofjassen,
draagt ze tussen twee handen de kamer door.
O! zachte pootjes hebben ze, mag ik ze niet
houden in een kistje met onderaan glas?
Daar kijk ik de hele tijd naar, daar zing ik dan voor.


Eva Gerlach (1948)

Uit: De kracht van verlamming, De Arbeiderspers, Amsterdam 1988




Toen Eva Gerlach, pseudoniem van Margaret Dijkstra, in 2000 de P.C. Hooftprijs ontving, vertelde ze in haar dankwoord iets over de oorsprong van haar dichterschap: "Er is een soort zinnen (…) die ik vroeger voor me uitzong. Ik weet hoe ze heten: spreuken. In sprookjes zeggen mensen spreuken en er gebeurt iets met de wereld. (….) Ik schrijf in het wilde weg iets op:

      Ik pak de slak. Ik had de rat. Ik mis de vis.

en bekijk wat ik heb opgeschreven. Ik weet heel goed wat ermee is, het is allemaal niet waar wat daar staat. (…) Ik heb nooit een rat gehad, laat staan een vis. Toch is het zo, op dit moment, omdat ik het opschrijf. (…) Alles wordt bij elkaar gehouden, er kan niets meer kapot.
Dat moet ook, want er is iets niet goed gegaan.
In de wereld van dingen die je kunt aanraken heb ik vandaag (voor haar achtste verjaardag, edg) een kleine schildpad gekregen (…) Hij heeft scherpe nagels en glimmende ogen (…) maar nu zit er een vlies over want ik heb zojuist mijn (…) schildpad uit het hoge slaapkamerraam laten vallen en hij is kapotgegaan. (…)
Het griezelige is dat ik niet zeker weet (…) of ik hem niet expres heb laten vallen. Waarom, gewoon omdat ik zelf altijd zo graag wil springen als het hoog is, in de diepte zit altijd iemand die fluistert Laat los, spring, vlieg. (…) Maar daarover kan ik niets opschrijven, want ik wil het liever niet weten en vooral wil ik het gevoel van zijn harde kleine nagels die over me heen kruipen kwijt uit mijn lijf. Het liefste zou ik heen en weer rennen, maar omdat ik onzichtbaar wil zijn kunnen alleen mijn gedachten dat doen. Terwijl ze door elkaar schieten komen onder in mijn keel woorden omhoog die afbuigen naar mijn hand. Ik pak een slak… Het zijn suffe, kinderachtige woorden maar ik weet geen andere. (…) Ik zit met mijn hoofd op mijn knieën te kijken naar al de gaatjes in mijn lijf. Over mijn been kruipt een mier. (…) Ik pak mijn kladblok en schrijf:

      Een mier is hier

Deze woorden zijn niet zo slecht, het lijkt of ik door ze op te schrijven een beetje meer macht over mijzelf krijg. Is het omdat de mier er echt is, of was, dat hij nu in de letters op het papier lijkt te kruipen?
Als ik het kladblok dicht wil doen, komt er nog een stukje zin bij:

      zo groot als zonder bril

En zonder dat ik erover nadenk nog wat :

      wanneer ik wil
      loopt hij op het papier

(…) Ik heb nog nooit zo'n lange spreuk gemaakt. Er komt iets op me zitten dat ik niet begrijp, een soort troost. Nog even en alles is heel."

Het kind dat Eva Gerlach was ontdekte de bezwerende kracht en het troostende vermogen die van woorden kunnen uitgaan door ze te laten rijmen. In haar eerste bundels bleef ze eindrijm gebruiken. In dat vroege werk bezwoer ze, zoals ze zelf zegt, haar kindertijd met woordamuletten. Amuletten die er niet om liegen:

*
Vaak liep ik op het kerkhof, dik, alleen,
te vliegeren: daar stond de meeste wind.
Als het touw zakte, sprong ik van een steen.
Ik ging ook dood, al was ik nog een kind,

de tuinman zei: 'Eens word je meegenomen.'
Een goede vlieger had ik, zelfgebouwd,
een Draak; geen Rover die erbij kon komen.
gemalen glas schitterde rond het touw.

*
Ik had een kistje (Schimmelpenninck, Flor
Fina, Assortiment
), daarin bewaarde ik
wat mij angst aanjoeg: hagedissenstaarten,
een slangevel, het skelet van een boktor.

Als ik ernaar keek trok een optocht voorbij,
het ging alles één kant uit, je kon het niet keren
of tegenhouden. - Ook ik bevond mij
in doodsgevaar; steeds groeide ik uit mijn kleren.

Uit: Verder geen leed (1979)

In later werk wordt de vorm van de gedichten vrijer en verbreden de onderwerpen zich. Kern blijft het willen vormgeven van de wereld in het gedicht, dat tevens een wereld is in zichzelf. Om orde te scheppen of juist om te ontregelen. Gerlach zelf zegt: "Die instelling tot stand brengen waardoor je opengaat voor de werkelijkheid, hoe zij je omsingelt. Aan alle kanten onverwacht. Je zintuigen op scherp."

'Lievelingsdieren' kan als een schakel tussen het oudere en nieuwere werk worden gezien.
Het eindrijm heeft plaatsgemaakt voor alliteraties en assonanties (platte pissebedden, koud - kijken, hoofd - dood, stil - minste, weet - streelt). Het gedicht heeft een natuurlijk ritme en waar het eerdere werk vaste aantallen regels per gedicht telt die op een aantal vaste wijzen in strofen worden verdeeld, is er hier een strofe-indeling die door het gedicht zelf wordt bepaald.
Zoals zo vaak bij Gerlach is herinnering een element dat meespeelt (het gedicht maakt deel uit van een cyclus die 'Vluchtig geheugen' heet), maar het gaat niet meer om een herinnering van een lyrisch ik, maar om het goed kijken naar iets anders, iets onooglijk kleins: pissebedden. Door de manier waarop de ik kijkt, schetst deze echter evengoed een portret van zichzelf als in een meer ikgericht gedicht het geval zou zijn: herinnering heeft de kleur van afgedankte, overbodig geworden dingen, de schaal van de pissebedden is een stofjas die het kwetsbare binnenste beschermt. De pissebed - behalve de naam van een schaaldiertje ook een scheldwoord voor een kind dat in zijn bed plast - is een schichtig wezen: hij houdt zijn hoofd in en verstijft als hij ook maar even wordt aangeraakt. 'Een beetje een zelfportret' veronderstelt Koen Vergeer in een artikel in De Morgen en ook als je niet zo ver gaat, is de overeenkomst tussen het eenzame kind uit 'Verder geen leed' en de wegvluchtende pissebed onmiskenbaar.
Des te groter is de tegenstelling tussen dat kind en het kind dat in de tweede strofe wordt geïntroduceerd en in de tweede helft ervan zelf aan het woord wordt gelaten. In de introductie valt op dat de voor de hand liggende alliteratie (ik ken een kind) wordt vermeden: de ik weet een kind zoals een kind een raadsel weet of een geheim. Een subtiele manier om de ik en het kind dicht bij elkaar te brengen. In het kistje dat dit kind voor zich ziet wordt niet bewaard wat angst aanjaagt, maar een lievelingsdier waarvoor gezongen wordt. Waar de ik net als de pissebedden afstand houdt en zich beperkt tot kijken (nadat dat in de winter, toen de pissebedden mogelijk dichter genaderd hadden kunnen worden, vergeten is) vertegenwoordigt het kind nabijheid, aanraking en continuïteit: het draagt de pissebedden in een handenkommetje, streelt ze, trekt zich niets aan van hun afwerende houding. Het schrikt niet van de kriebelende pootjes, maar merkt op hoe zacht die zijn. Het kistje moet een glazen bodem hebben, zodat het kind de zachte, levende, kwetsbare pootjes kan zien. Alsof het weet hoe griezelig het voor de pissebedden moet zijn om zich zo bloot te geven, wil het voor ze zingen. Kijken wil het ook, niet af en toe, maar de hele tijd. De hele tijd die in elk geval zo lang zal duren als het gedicht duurt.

Met het lied van het kind is ook het gedicht een lofzang geworden op de liefde, die zich met angst zo slecht verstaat. Er is vooruitgang: de liefde overwint, zou je kunnen zeggen. Maar als je dat zegt, gebruik je clichés, dode woorden die van pissebedden geen lievelingsdieren kunnen maken. Daarvoor is de toverstaf, het simsalabim van de dichter nodig.

Geraadpleegd:
Eva Gerlach - De invulbare ruimte, De Arbeiderspers, 2000
Eva Gerlach - Voorlopig verblijf, Gedichten 1979-1990, De Arbeiderspers, 1999
Jan Brokken - Eva Gerlach: 'ik wil onzichtbaar blijven, anders gaat het dichten niet meer', Haagse Post, 23-03-1985
Koen Vergeer - 'Bewaard, herinnerd en vergeten', De Morgen, 19-01-2000
Annemiek Neefjes - 'De kruimel die een boterham was', Vrij Nederland, 13-05-2000

Edith de Gilde




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).