2 november 2005
Ida Gerhardt -
Christus als hovenier
Een analyse door
Bettine Siertsema
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek,
hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander
en Meander Magazine.
Vooraf
Op de vorige Klassieker kwam onderstaande reactie van
Bertus Pieters:
In de interessante bespreking van Inge Boulonois van 'Roodborstje'
wordt veel aandacht besteed aan het eigen gedachtekader van Gerrit Krol. Dit leidt tot een analyse
waarbij de waarde van de woorden blijkt uit opvolging, overeenkomst en tegenstelling. Ik ken het
werk van Gerrit Krol zo goed als niet, mede afgeschrikt door zijn theorieën. Zo was dit dus de
eerste keer dat ik 'Roodborstje' las. Het eerste wat mij opviel was dat binnen een paar zinnen, ja
woorden, vanuit het kleine vogeltje een hele wereld omvat wordt. Wat geassocieerd kan worden met
het roodborstje wordt gebruikt en wordt steeds groter. Een ei hoort natuurlijk vanzelf bij de
vogel. Spoedig komt de associatie met het versje over het roodborstje dat tegen het raam tikt, de
hardheid die je associeert met het snaveltje en het tikken tegen iets hards, het barsten daarvan
(wat al voorbereid wordt in het barsten van de eierschaal). En dan komt ook de winter uit het
versje aan bod, waarbij in dit gedicht de kou zich maar liefst uitstrekt tot over Groenland. Het
is een kort gedicht dat als een vuur om zich heen grijpt. Vreemd genoeg moest ik denken aan het
verhaal van Multatuli over de Japanse steenhouwer, eveneens een verhaal dat vanuit een simpel
gegeven associatief uitwaaiert en uiteindelijk weer bij zijn bron terug komt. Bij Multatuli is dat
echter (vanwege de moraal van het verhaal) redelijk voorspelbaar. In het gedicht van Gerrit Krol
valt alles - zo explosief als het zich ontwikkelt - eigenlijk vrij plotseling en overrompelend aan
het eind op zijn plaats.
Het is interessant te lezen hoe Inge Boulonois in haar analyse het gedachtegoed van Gerrit Krol
betrekt. Het gedicht maakt op mij echter de indruk er al te zijn vóór het gedachtegoed van Gerrit
Krol.
Naschrift Inge Boulonois:
Bertus Pieters verwoordt mooi zijn leeservaring bij
'Roodborstje'. Maar dat alles aan het eind van het gedicht op zijn plaats valt, is m.i.
syllogistische schijn. Het komt niet vaak voor dat dichters zulke expliciete ideeën hebben over
poëtische kwaliteit en zo'n gelegenheid kon ik niet zomaar voorbij laten gaan. Het in de
bespreking gekozen perspectief was daardoor anders dan anders.
Krols essay over moeilijke en makkelijke poëzie werd voor het eerst in1984 gepubliceerd, een tijd
dat computertechnieken zich razendsnel ontwikkelden en wetenschappers meenden dat het elektronisch
brein qua denkstructuur niet veel verschilde van dat van de mens. De verwachtingen van
'kunstmatige intelligentie' waren hooggespannen.
Ook APPI was een waar product van zijn tijd, ook al deed Krol dat later af als een mislukte grap.
In dezelfde tijd was de kunstenaar Peter Struycken bezig om computers kunstzin bij te brengen,
deed de perceptiepsycholoog Frans Boselie interessante pogingen om schoonheid te mechaniseren in
eenvoudige vormen en bij de benadering van dichtkunst was close-reading, de tekst dus, populair.
(In de 19e en 20e eeuw hebben wisselend tekst, auteur en lezer centraal gestaan.)
In de nu aangehangen receptie-esthetica wordt van de lezerservaringen uitgegaan en dat blijkt
vruchtbare grond te zijn voor inzichten. En dat alles voor het ontsluieren van Het schoone
geheim van de poëzie - zo schreef Albert Westerlinck dat, precies een halve eeuw geleden.
In deze nieuwe aflevering - de 75ste, een jubileum! - aandacht voor een betekenisvol gedicht van
Ida Gerhardt, net als Gerrit Achterberg honderd jaar geleden geboren. Een eerbewijs.
Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX
(de letters X uit dit adres verwijderen!)
De volgende aflevering verschijnt op 30 november 2005.
Onderwerp van bespreking is dan 'Thuis'
van Co Woudsma.
Christus als hovenier
Zij dacht dat het de hovenier was.
Joh. 20: 15
Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.
En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en - wat terzijde - in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.
O kinderdroom van groen en goud -
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.
Hij is de hovenier.
Ida Gerhardt (1905 - 1997)
Uit: De hovenier (1961)
Opgenomen in Verzamelde gedichten, Atheneum - Polak & Van Gennep,
Amsterdam 1985
Naast de klassieke oudheid was de bijbel voor Ida Gerhardt een belangrijke inspiratiebron. In dit
gedicht gaat het over een schilderij van Rembrandt waarin een stuk van het Paasverhaal uit het
Johannes-evangelie uitgebeeld wordt.
En Maria Magdalena stond buiten bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende,
boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan
het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden
tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik
niet weet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan,
maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt
gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt,
zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zei tot haar: Maria! Zij
keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester!
(NBG-vertaling van 1951, modernere vertalingen spreken over 'tuinman' in plaats van hovenier.)
Dit verhaal roept Ida Gerhardt op via een
schilderij van Rembrandt uit
1638, tegenwoordig in de collectie van koningin Elisabeth in Buckingham Palace. Rembrandt beeldt
de misvatting van Maria Magdalena uit door Jezus met een grote strooien hoed en een schop in de
hand weer te geven. Dat het om dit schilderij gaat, en niet om de
pentekening van dezelfde
scène, blijkt uit de derde strofe, waarin aan het schilderij gerefereerd wordt als 'kinderdroom
van groen en goud'. Het is een afbeelding die de dichteres als kind erg heeft aangesproken, en nog
steeds raakt ze er tot tranen toe door geroerd. Zij vereenzelvigt zich met Maria Magdalena. Maar
zomin als het motto bij het gedicht een helemaal letterlijk citaat is, zomin klopt de beschrijving
van de afbeelding precies. De houding van Jezus is niet die van een wandelaar; de titel van het
schilderij luidt: 'De verrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena' en niet 'Hij was een
hovenier'; en Maria Magdalena staat niet 'wat terzijde', maar zit geknield centraal tussen Jezus
en het open graf in. Misschien is de afbeelding in de herinnering vervormd, maar waarschijnlijker
is dat Gerhardt de afbeelding in haar beschrijving aanpast aan wat zij wil zeggen.
De positie 'wat terzijde' is er een die bij Ida Gerhardt hoort. Het was haar rol in het ouderlijk
gezin, enigszins in de schaduw van haar knappe oudere zus, en met een conflictueueze relatie tot
haar moeder. Het was de zeer moeizame start van haar maatschappelijke loopbaan als lerares
klassieke talen, tijdens de grote werkloosheid van de jaren dertig. En het was zeker, althans in
haar eigen perceptie, haar positie in de literaire wereld, veronachtzaamd als zij zich voelde
doordat alle aandacht uitging naar het literaire geweld van de Vijftigers.
De geladenheid van het moment dat Rembrandt uitbeeldt, waardoor de dichteres zo diep ontroerd
raakt, wordt in het gedicht verzwegen, en is alleen indirect aanwezig, alsof de intimiteit van
het moment te teer, of het mysterie te groot is om in woorden gevat te worden. De in het gedicht
niet benoemde kern van het gebeuren is de plotselinge herkenning, een herkenning die teweeg wordt
gebracht door slechts het noemen van haar naam. De naam staat voor het diepste wezen van een
persoon. Gerhardt verwerkt dat motief vaker in haar gedichten (bijvoorbeeld 'Autogram' en 'Pasen'
in
Vijf vuurstenen). Het is dan ook geen toeval dat dit gedicht niet alleen het laatste is
van de bundel
De hovenier (1961), maar daarmee ook van de derde afdeling ervan, die de
titel 'De naam' draagt. Die afdeling opent met een gedicht met dezelfde titel:
De naam
Een kind dat niet òplet
en met afwezige ogen,
van de anderen afgebogen,
initialen zet.
Het zelf - ontwaard met schrik
en trots - geeft eindeloos seinen,
meldende zijn verschijnen
in code: dit ben ik.
Wolken gaan langs het raam.
Het klein gedicht trekt saam. -
Van de overzijde het sein:
'Ik heb u bij de naam
geroepen. Gij zijt Mijn.'
Ook hier een bijbelcitaat, uit een troostprofetie van Jesaja (43:1). De naam staat zo enerzijds
voor de geborgenheid van het gekend zijn, en anderzijds voor de roeping, de opdracht die de mens
in het leven heeft, en die voor Gerhardt bovenal de roeping tot het dichterschap inhoudt. Die van
God ontvangen roeping valt bijna samen met haar 'zelf', ook die roeping is ooit 'ontwaard met
schrik en trots'.
De vorm van 'Christus als hovenier' is eenvoudig: drie strofen van vier regels met gepaard, staand
rijm, steeds gevolgd door een refreinregel. Doordat er nergens enjambementen voorkomen, krijgt het
rijm veel nadruk. In dat opzicht lijkt het wat op een kinderversje. Maar doordat het metrum, een
viervoetige jambe, ritmische afwijkingen kent, is de dreun die bij eenvoudige versjes hoort, hier
afwezig.
De eerste strofe vertelt de herinnering aan het schilderij uit haar jeugd. De tweede strofe speelt
in het nu met de reactie van de volwassen dichteres op het schilderij, met in de refreinregel een
erlebte rede als weergave van de gedachte van Maria Magdalena). In de laatste strofe komen
verleden en heden samen: zij behoudt de kinderdroom. Maar ook de toekomst klinkt mee, want in
verhullende beelden wordt het levenseinde opgeroepen ('De laatste hoven naderen schier/ en ijler
wordt de ochtend hier.'). Het schilderij uit haar jeugd is haar lief, zij leest zichzelf daarin,
in de rol van de bij haar naam genoemde Maria Magdalena, die op haar beurt haar Heer herkent en
belijdt als degene die haar geroepen heeft, door zijn opdracht haar leven richting geeft. De
dichteres ervaart dat als een constante in haar leven, iets waar zij zich aan vast kan houden, al
zijn er misschien wel pogingen gedaan dat van haar af te nemen: 'géén die ontnam wat ik behoud.'
In deze regel wordt misschien gezinspeeld op het vervolg van het bijbelverhaal, waar Jezus tot
Maria Magdalena zegt dat zij Hem niet vast moet houden, maar zijn boodschap aan zijn leerlingen
moet gaan vertellen.
Op het eerste gezicht lijkt de laatste refreinregel paradoxaal. Jezus léék toch slechts de
hovenier? En hier staat als een soort conclusie van het gedicht dat Hij de hovenier ís, en met
des te meer kracht omdat de hele bundel ernaar genoemd is. Maar gekoppeld aan 'de laatste hoven'
van r.13 wordt duidelijk wat de betekenis van dit hovenierschap is. Gerhardt erkent Christus als
de hovenier van haar hoven, als degene die in haar leven zaait en snoeit en verwarde ranken
richting geeft. In het gedicht 'Wijnstok' uit de bundel
Het levend monogram (1955) is die
hovenier al zo aan het werk. In 'Christus als hovenier' is de suggestie te lezen dat zij zich ook
in de dood - die overigens pas 36 jaar later zou komen - aan hem durft toevertrouwen. De titel
van de bundel verwijst naar dit gedicht, een aanwijzing voor de centrale plaats die de ervaring
van het bij name gekend én geroepen zijn in Gerhardts leven inneemt.
Wijnstok
Zonder mij kunt gij niets doen.
Joh. 15: 15
Het was de hovenier,
die in het vroege licht
de ranken heeft gericht,
diep in elkaar verward,
vervreemdend van het hart,
de wortelstok.
Geen zag wat zich voltrok
in het zeer vroege licht.
Hij raakte hen slechts aan:
zij zijn vaneengegaan,
ontbonden
ontwonden.
Het was de hovenier.
Verwonderd, in vroeg licht,
gescheiden ongescheiden
de door zijn hand geleide
hartranken.
- Aan ons beiden
hebt gij het, God, verricht.
Eerder verschenen:
1
M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark
2
J.P. Rawie - Interieur
3
Jan Kal - Mont Ventoux
4
Jan Emmens - Voor de kade
5
M. Vasalis - Streng en aanbiddend
6
Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je
7
Gerrit Achterberg - Dryade
8
Gerard Reve - Wiegelied
9
Paul van Ostaijen - Melopee
10
Hanny Michaelis - Het kind
11
J.C. Bloem - De nachtegalen
12
Gerrit Achterberg - Verzoendag
13
Hans Warren - Bekentenis
14
E. du Perron - Het kind dat wij waren
15
P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen
16
H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
17
H. Roland Holst - De zachte krachten
18
W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind
19
J.H. Leopold - Staren door het raam
20
Han G. Hoekstra - De ceder
21
Paul Rodenko - Het beeld
22
Anna Blaman - De Spin
23
Martinus Nijhoff - Moeder
24
Martinus Nijhoff - Impasse
25
Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge
26
Rutger Kopland - Al die mooie beloften
27
Ad Zuiderent - Tuinpad
28
Jan Hanlo - Oote
29
Ida Gerhardt - Alpha en Omega
30
Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem
31
Jacques Hamelink - Grijsaard
32
Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten
33
Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken
34
Ed. Hoornik - Overgang
35
Willem van Toorn - Een kraai bij Siena
36
Jan Kuijper - Statica
37
Lucebert - vrede
38
Lucebert - gedicht
39
Hans Andreus - Voor de lieve lezer
40
Anthonie Donker - Achterbalcon
41
Gerrit Kouwenaar - men moet
42
Anneke Brassinga - Roeping
43
Jan Arends - drie gedichten
44
Jan Eijkelboom - 21 november 1981
45
Ria Borkent - Sieraad
46
Simon Vestdijk - Het kind
47
Jac. van Hattum - Visvangst
48
Simon Vestdijk - De overlevende
49
Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij
50
Leo Vroman - Een boot
51
W.F. Hermans - Bewaakte overweg
52
H. Marsman - 'Paradise regained'
53
Anna Enquist - Typologie van de drenkeling
54
Willem Jan Otten - Op zaal
55
Hester Knibbe - Vannacht
56
J. Slauerhoff - De ontdekker
57
J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid.
58
J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot,
59
J.H. Leopold - Regen
60
Jan G. Elburg - gelovig soms
61
J.C. Bloem - Insomnia
62
J.H. Leopold - Saadi
63
Anton Korteweg - Wij samen
64
Frederik van Eeden - De Waterlelie
65
Leo Vroman - Nacht
66
Hans Andreus - Laatste gedicht
67
Geerten Gossaert - Het brandende wrak
68
Gerrit Komrij - Een gedicht
69
Gerrit Achterberg - Fotografie
70
Patty Scholten - De olifant
71
Leo Vroman - Voor wie dit leest
72
Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten
73
Eva Gerlach - Lievelingsdieren
74
Gerrit Krol - Roodborstje
* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html
* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres
Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële
ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt
naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.
Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).