Klassiekers (75)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

2 november 2005

Ida Gerhardt - Christus als hovenier


Een analyse door Bettine Siertsema


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.


Vooraf

Op de vorige Klassieker kwam onderstaande reactie van Bertus Pieters:
In de interessante bespreking van Inge Boulonois van 'Roodborstje' wordt veel aandacht besteed aan het eigen gedachtekader van Gerrit Krol. Dit leidt tot een analyse waarbij de waarde van de woorden blijkt uit opvolging, overeenkomst en tegenstelling. Ik ken het werk van Gerrit Krol zo goed als niet, mede afgeschrikt door zijn theorien. Zo was dit dus de eerste keer dat ik 'Roodborstje' las. Het eerste wat mij opviel was dat binnen een paar zinnen, ja woorden, vanuit het kleine vogeltje een hele wereld omvat wordt. Wat geassocieerd kan worden met het roodborstje wordt gebruikt en wordt steeds groter. Een ei hoort natuurlijk vanzelf bij de vogel. Spoedig komt de associatie met het versje over het roodborstje dat tegen het raam tikt, de hardheid die je associeert met het snaveltje en het tikken tegen iets hards, het barsten daarvan (wat al voorbereid wordt in het barsten van de eierschaal). En dan komt ook de winter uit het versje aan bod, waarbij in dit gedicht de kou zich maar liefst uitstrekt tot over Groenland. Het is een kort gedicht dat als een vuur om zich heen grijpt. Vreemd genoeg moest ik denken aan het verhaal van Multatuli over de Japanse steenhouwer, eveneens een verhaal dat vanuit een simpel gegeven associatief uitwaaiert en uiteindelijk weer bij zijn bron terug komt. Bij Multatuli is dat echter (vanwege de moraal van het verhaal) redelijk voorspelbaar. In het gedicht van Gerrit Krol valt alles - zo explosief als het zich ontwikkelt - eigenlijk vrij plotseling en overrompelend aan het eind op zijn plaats.
Het is interessant te lezen hoe Inge Boulonois in haar analyse het gedachtegoed van Gerrit Krol betrekt. Het gedicht maakt op mij echter de indruk er al te zijn vr het gedachtegoed van Gerrit Krol.


Naschrift Inge Boulonois:
Bertus Pieters verwoordt mooi zijn leeservaring bij 'Roodborstje'. Maar dat alles aan het eind van het gedicht op zijn plaats valt, is m.i. syllogistische schijn. Het komt niet vaak voor dat dichters zulke expliciete ideen hebben over potische kwaliteit en zo'n gelegenheid kon ik niet zomaar voorbij laten gaan. Het in de bespreking gekozen perspectief was daardoor anders dan anders.
Krols essay over moeilijke en makkelijke pozie werd voor het eerst in1984 gepubliceerd, een tijd dat computertechnieken zich razendsnel ontwikkelden en wetenschappers meenden dat het elektronisch brein qua denkstructuur niet veel verschilde van dat van de mens. De verwachtingen van 'kunstmatige intelligentie' waren hooggespannen.
Ook APPI was een waar product van zijn tijd, ook al deed Krol dat later af als een mislukte grap. In dezelfde tijd was de kunstenaar Peter Struycken bezig om computers kunstzin bij te brengen, deed de perceptiepsycholoog Frans Boselie interessante pogingen om schoonheid te mechaniseren in eenvoudige vormen en bij de benadering van dichtkunst was close-reading, de tekst dus, populair. (In de 19e en 20e eeuw hebben wisselend tekst, auteur en lezer centraal gestaan.)
In de nu aangehangen receptie-esthetica wordt van de lezerservaringen uitgegaan en dat blijkt vruchtbare grond te zijn voor inzichten. En dat alles voor het ontsluieren van Het schoone geheim van de pozie - zo schreef Albert Westerlinck dat, precies een halve eeuw geleden.


In deze nieuwe aflevering - de 75ste, een jubileum! - aandacht voor een betekenisvol gedicht van Ida Gerhardt, net als Gerrit Achterberg honderd jaar geleden geboren. Een eerbewijs.



Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 30 november 2005.
Onderwerp van bespreking is dan 'Thuis' van Co Woudsma.




Christus als hovenier

                      Zij dacht dat het de hovenier was.
                                                      Joh. 20: 15


En Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.

En ng laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en - wat terzijde - in stille schrik
die ne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud -
gn die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.


Ida Gerhardt (1905 - 1997)

Uit: De hovenier (1961)
Opgenomen in Verzamelde gedichten, Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1985




Naast de klassieke oudheid was de bijbel voor Ida Gerhardt een belangrijke inspiratiebron. In dit gedicht gaat het over een schilderij van Rembrandt waarin een stuk van het Paasverhaal uit het Johannes-evangelie uitgebeeld wordt.

En Maria Magdalena stond buiten bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik niet weet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zei tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester!

(NBG-vertaling van 1951, modernere vertalingen spreken over 'tuinman' in plaats van hovenier.)

Dit verhaal roept Ida Gerhardt op via een schilderij van Rembrandt uit 1638, tegenwoordig in de collectie van koningin Elisabeth in Buckingham Palace. Rembrandt beeldt de misvatting van Maria Magdalena uit door Jezus met een grote strooien hoed en een schop in de hand weer te geven. Dat het om dit schilderij gaat, en niet om de pentekening van dezelfde scne, blijkt uit de derde strofe, waarin aan het schilderij gerefereerd wordt als 'kinderdroom van groen en goud'. Het is een afbeelding die de dichteres als kind erg heeft aangesproken, en nog steeds raakt ze er tot tranen toe door geroerd. Zij vereenzelvigt zich met Maria Magdalena. Maar zomin als het motto bij het gedicht een helemaal letterlijk citaat is, zomin klopt de beschrijving van de afbeelding precies. De houding van Jezus is niet die van een wandelaar; de titel van het schilderij luidt: 'De verrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena' en niet 'Hij was een hovenier'; en Maria Magdalena staat niet 'wat terzijde', maar zit geknield centraal tussen Jezus en het open graf in. Misschien is de afbeelding in de herinnering vervormd, maar waarschijnlijker is dat Gerhardt de afbeelding in haar beschrijving aanpast aan wat zij wil zeggen.

De positie 'wat terzijde' is er een die bij Ida Gerhardt hoort. Het was haar rol in het ouderlijk gezin, enigszins in de schaduw van haar knappe oudere zus, en met een conflictueueze relatie tot haar moeder. Het was de zeer moeizame start van haar maatschappelijke loopbaan als lerares klassieke talen, tijdens de grote werkloosheid van de jaren dertig. En het was zeker, althans in haar eigen perceptie, haar positie in de literaire wereld, veronachtzaamd als zij zich voelde doordat alle aandacht uitging naar het literaire geweld van de Vijftigers.

De geladenheid van het moment dat Rembrandt uitbeeldt, waardoor de dichteres zo diep ontroerd raakt, wordt in het gedicht verzwegen, en is alleen indirect aanwezig, alsof de intimiteit van het moment te teer, of het mysterie te groot is om in woorden gevat te worden. De in het gedicht niet benoemde kern van het gebeuren is de plotselinge herkenning, een herkenning die teweeg wordt gebracht door slechts het noemen van haar naam. De naam staat voor het diepste wezen van een persoon. Gerhardt verwerkt dat motief vaker in haar gedichten (bijvoorbeeld 'Autogram' en 'Pasen' in Vijf vuurstenen). Het is dan ook geen toeval dat dit gedicht niet alleen het laatste is van de bundel De hovenier (1961), maar daarmee ook van de derde afdeling ervan, die de titel 'De naam' draagt. Die afdeling opent met een gedicht met dezelfde titel:

De naam

Een kind dat niet plet
en met afwezige ogen,
van de anderen afgebogen,
initialen zet.

Het zelf - ontwaard met schrik
en trots - geeft eindeloos seinen,
meldende zijn verschijnen
in code: dit ben ik.

Wolken gaan langs het raam.
Het klein gedicht trekt saam. -
Van de overzijde het sein:
'Ik heb u bij de naam
geroepen. Gij zijt Mijn.'

Ook hier een bijbelcitaat, uit een troostprofetie van Jesaja (43:1). De naam staat zo enerzijds voor de geborgenheid van het gekend zijn, en anderzijds voor de roeping, de opdracht die de mens in het leven heeft, en die voor Gerhardt bovenal de roeping tot het dichterschap inhoudt. Die van God ontvangen roeping valt bijna samen met haar 'zelf', ook die roeping is ooit 'ontwaard met schrik en trots'.

De vorm van 'Christus als hovenier' is eenvoudig: drie strofen van vier regels met gepaard, staand rijm, steeds gevolgd door een refreinregel. Doordat er nergens enjambementen voorkomen, krijgt het rijm veel nadruk. In dat opzicht lijkt het wat op een kinderversje. Maar doordat het metrum, een viervoetige jambe, ritmische afwijkingen kent, is de dreun die bij eenvoudige versjes hoort, hier afwezig.
De eerste strofe vertelt de herinnering aan het schilderij uit haar jeugd. De tweede strofe speelt in het nu met de reactie van de volwassen dichteres op het schilderij, met in de refreinregel een erlebte rede als weergave van de gedachte van Maria Magdalena). In de laatste strofe komen verleden en heden samen: zij behoudt de kinderdroom. Maar ook de toekomst klinkt mee, want in verhullende beelden wordt het levenseinde opgeroepen ('De laatste hoven naderen schier/ en ijler wordt de ochtend hier.'). Het schilderij uit haar jeugd is haar lief, zij leest zichzelf daarin, in de rol van de bij haar naam genoemde Maria Magdalena, die op haar beurt haar Heer herkent en belijdt als degene die haar geroepen heeft, door zijn opdracht haar leven richting geeft. De dichteres ervaart dat als een constante in haar leven, iets waar zij zich aan vast kan houden, al zijn er misschien wel pogingen gedaan dat van haar af te nemen: 'gn die ontnam wat ik behoud.' In deze regel wordt misschien gezinspeeld op het vervolg van het bijbelverhaal, waar Jezus tot Maria Magdalena zegt dat zij Hem niet vast moet houden, maar zijn boodschap aan zijn leerlingen moet gaan vertellen.

Op het eerste gezicht lijkt de laatste refreinregel paradoxaal. Jezus lk toch slechts de hovenier? En hier staat als een soort conclusie van het gedicht dat Hij de hovenier s, en met des te meer kracht omdat de hele bundel ernaar genoemd is. Maar gekoppeld aan 'de laatste hoven' van r.13 wordt duidelijk wat de betekenis van dit hovenierschap is. Gerhardt erkent Christus als de hovenier van haar hoven, als degene die in haar leven zaait en snoeit en verwarde ranken richting geeft. In het gedicht 'Wijnstok' uit de bundel Het levend monogram (1955) is die hovenier al zo aan het werk. In 'Christus als hovenier' is de suggestie te lezen dat zij zich ook in de dood - die overigens pas 36 jaar later zou komen - aan hem durft toevertrouwen. De titel van de bundel verwijst naar dit gedicht, een aanwijzing voor de centrale plaats die de ervaring van het bij name gekend n geroepen zijn in Gerhardts leven inneemt.

Wijnstok

        Zonder mij kunt gij niets doen.
                                    Joh. 15: 15


Het was de hovenier,
die in het vroege licht
de ranken heeft gericht,
diep in elkaar verward,
vervreemdend van het hart,
de wortelstok.

Geen zag wat zich voltrok
in het zeer vroege licht.
Hij raakte hen slechts aan:
zij zijn vaneengegaan,
ontbonden
ontwonden.
Het was de hovenier.
Verwonderd, in vroeg licht,
gescheiden ongescheiden
de door zijn hand geleide
hartranken.
                    - Aan ons beiden
hebt gij het, God, verricht.


Bettine Siertsema




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).