Klassiekers (81)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

26 april 2006

M. Vasalis - De idioot in het bad


Een analyse door Inge Boulonois


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er al meer dan 1530 abonnees.

Vooraf

Marijke Hanegraaf reageerde op de bespreking door Edith de Gilde van haar gedicht 'Stokgooier en lezer' in de vorige aflevering. Zij schreef haar: "Ik ben ervan onder de indruk hoe je het gedicht ontleedt, maar ook hoe je lijnen trekt naar eerder werk van me. Je legt terecht de verbinding met het gedicht over mijn vader in 'Veerstraat'. Ronduit verrassend voor me was je vergelijking met de aarzelende overlevingsdrang in 'Veerstraat' en de stevige in 'Stokgooier en lezer'. Bij mij kwam meteen de vraag op of dit verschil in houding wellicht doorklinkt in de hele nieuwe bundel. Dat is een interessante vraag!"



Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 24 mei 2006 en dan wordt Schaapscheerderskou van Anneke Reitsma besproken.




De idioot in het bad

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
haast dravend en vaak hakend in de mat,
lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
gaat elke week de idioot naar 't bad.

De damp, die van het warme water slaat
maakt hem geruster: witte stoom...
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit 't bad gehaald wordt,
en stevig met een handdoek drooggewreven
en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.


M. Vasalis (1909-1998)

Uit: Parken en woestijnen, A.A.M. Stols, Rijswijk 1940.




Het moet 1964 zijn geweest. Een wolkenloze lucht wist al weken niet van wijken. Eindexamens. Mondeling Nederlands maar ach, met zulk weer ging je toch niet binnen zitten blokken. Buiten liggen bakken, met een open boek ernaast. 'Kun je in de zon wel leren?' Moeders waren in die tijd eeuwig thuis. 'Natuurlijk!', antwoordde ik, quasi-nonchalant.
Nee dus. Vooraf in een benauwd lokaal apart met een gedicht voor mijn neus. In brave jurk tot op de rimpelloze knie. Blue jeans waren nog niet in en het symbool van de zogenaamd vrije moraal, de minirok, moest nog komen. De idioot in het bad, las ik toen de letters niet meer zenuwachtig dansten. Veel te lang, mopperde ik. Een kwartier later wist de docent op slinkse wijze enkele correcte antwoorden uit mij te trekken, net voldoende voor de kleinste zes. Meer dankzij zjn inspanningen dan de mijne, denk ik achteraf

Over de lengte zegt Gerrit Komrij niets, maar De idioot in het bad is het natste gedicht uit de Nederlandse pozie, zo debiteert hij in zijn bloemlezing met toelichtingen In Liefde Bloeyende (Amsterdam, Bert Bakker 1998). Na wat leunstoelfilosofie over de vochtigheid van onze pozie in het algemeen gaat hij noch in op de vorm noch op de inhoud en dat is jammer.
Het befaamde gedicht valt op door de indringende directheid en de ingehouden bewogenheid. M. Vasalis is het pseudoniem van de psychiater Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans (1909-1998); vasallis (of vasalis) is de Latijnse vertaling van Leenmans. Voor haar biografische en bibliografische gegevens kunt u terecht op de site van de dbnl.

Mij was het beeld bijgebleven van een idioot - officieel iemand met een IQ onder de 20, dus zwakzinniger dan debiel en imbeciel - met lange, gekromde nagels die in de badmat bleven haken. Nu zie ik een wat angstig gespannen lichaam van een geestelijk gehandicapte voor me, aan de arm van een zuster op weg naar het bad, het wekelijkse hoogtepunt van zijn leven in een inrichting. De witte stoom van het water ontspant hem, maakt hem zelfs mooi en in bad voelt hij zich als een ongeboren vrucht. Helaas volgt er geen happy end. De bader moet eruit, ook al stribbelt hij tegen. Zijn lot is het om alleen gelukkig te zijn in het verwarmde water. Zonder dat is en blijft hij wat hij is: een bange idioot.

Van de vorm was me nauwelijks iets bijgebleven. Zeven kwatrijnen telt het jambische vers, zes met gekruist en n, het derde, met omarmend rijm; het aantal versvoeten varieert. Het wemelt van andere soorten rijm, in hoofdzaak assonantie. Er worden geregeld metaforen gebruikt. De strofen bestaan uit n zin en eindigen met een punt, behalve de tweede die twee zinnen bevat. Vanaf het derde kwatrijn wordt vaak de anafora gebruikt. Er is geen expliciet lyrisch ik of tweede persoon; een niet nader bepaald iemand vertelt hoe hij of zij naar de patint kijkt en de lezer kijkt mee. Epische pozie. Je zou De idioot in het bad bijna een dichterlijke documentaire kunnen noemen.

In de derde regel van het eerste kwatrijn ontspoort de jambe, wat mooi aansluit bij de onbeholpen gang van de hoofdpersoon. Die antimetrie springt erg in het oog, omdat de eerste twee regels zeer regelmatig zijn. Beide zijn door de naar parallellie zwemende zinsdelen heel ritmisch - opgetrokken schouders, toegeknepen ogen, en bovendien valt de tweede regel op door de herhaling van de lange a - haast dravend en vaak hakend. Dit klinkerrijm legt tussen 'draven' en 'haken' een formele band. Onderwerp en persoonsvorm volgen pas n de eerste drie regels (inversie), waardoor de bader relif krijgt. Wanneer de stoom hem halverwege het tweede kwatrijn kalmeert, valt een functionele pauze. Van hem gaat kleding af; iets bij komt er niet want hij kan zich niet verder ontwikkelen. Het ouderwetse woord bevangen, dat 'overmeesterd' en 'schuchter' betekent, past goed bij de bijna blote, dromende zwakzinnige. Uitsluitend de derde strofe van het gedicht heeft omarmend rijm. Is het coherentie, of gratuit toeval dat het water hem net hier omarmt? Geholpen door de zuster glijdt hij metrisch soepel in het weldadig warme bad. Smal maakt hij zich door zijn armen voor de borst te vouwen, een houding waaruit overgave en bescherming spreekt.

Eenmaal in het water beginnen de regels op gelijke wijze: hj vouwt, hj zucht. Het vierde kwatrijn begint drie maal - een volmaakt getal - met 'zijn' en het vijfde drie keer met 'hij'. Dus in bad gezeten komt de zwakzinnige letterlijk n figuurlijk 'volmaakt' voorop te staan. Zijn bad krijgt op deze wijze de plechtstatigheid van een bijzondere gelegenheid; de beschrijving klinkt zelfs enigszins bezwerend. Ook de beeldspraak 'om zijn mond gloorteen groot verblijden' geeft de gebeurtenis iets heel speciaals. Leeg en mooi wordt zijn gezicht in die ontspannen, zorgeloze en verlangenloze staat, terwijl zijn lichaam wordt vergeleken met plantaardig leven dat net als hij geen zelfstandig denkvermogen bezit. 'Komen als berkenstammen door het groen opdoemen' is metrisch een onbeholpen regel: de eerste lettergreep van 'komen' krijgt een heffing en 'opdoemen' wordt automatisch 'verkeerd' beklemtoond waardoor een omineus 'doem' naar voren komt. Veeg klinkt eveneens de beeldspraak 'benen, die reeds licht verdorden' in regel 15.
Verwijzen de dorre witte berkenstammen naar doodsbeenderen, de bleke bloemen naar aronskelken? De verteller komt in de vijfde strofe nogal auctoriaal over. Bij het woord 'sommige' past de lezer spontaan elisie toe. In het badwater, dat de groene kleur van de hoop heeft, is de zwakzinnige 'nog als ongeboren', als een foetus wiens enige wijsheid bestaat uit die van het lichaam. Begrip van de dingen van de geest is niet voor hem weggelegd.

Wanneer hij uit het warme, soepele water moet en in de harde, stijve kleren gaat, stribbelt hij - antimetrisch - tegen; dit 'tegen' lijkt assonerend nog 'even' te resoneren. In de laatste kwatrijnen beginnen de regels opvallend vaak met 'en', hetgeen de volgorde van de ceremonile handelingen lijkt te profileren. De laatste strofe laat zich lezen als een samenvatting, de trieste epiloog van het voorgaande: elke week wordt hij opnieuw in bad geboren, elke week blijft hij een bange idioot.

'Een oud vertrouwde droom' en 'hij is in dit groen water nog als ongeboren'. Taal die verwijst naar het prenatale bestaan in de moederschoot, waar de 'hij' zich nog volmaakt waande, zich beschermd en veilig warm wist. Uitsluitend als foetus, als verstandelijk onbewust en onvoltooid wezen, voelt hij zich ontspannen en thuis. Tegelijk klinkt de - onterechte - hoop door van opnieuw geboren worden, als gaaf mens, waar we, bij uitbreiding, kunnen denken aan het verlangen naar de eerste gaafheid toen de mens nog heel was en met God in Eden wandelde.

In de laatste strofe staat een liggend streepje tussen water en leven, wat ook in 1940, toen het gedicht voor het eerst werd gepubliceerd, ongebruikelijk was. Onder 'waterleven' verstaan we: het leven p of n het water. Het streepje geeft de levende eigenschap van het nat meer nadruk. Water is dan de bron en drager van alle levenskracht, het staat voor de onbewuste lagen van de persoonlijkheid en is verbonden met lichamelijke en rituele reiniging, soms zelfs met genezende krachten. De kringloop van het leven wordt door water beschreven, van de wassing van de pas geborene tot die van de pas gestorvene. Water als de levensstroom die gewoon zijn eigen weg gaat n als een stille spiegel aanzet tot reflectie.
Van het levende raadsel van het water heeft de psychiater die Vasalis in het dagelijks leven was, hier volop gebruik gemaakt.

Inge Boulonois


Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).