Klassiekers (82)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

24 mei 2006

Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou


Een analyse door Inge Boulonois


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.

Vooraf

Op de vorige aflevering kwamen geen reacties binnen.



Reageren op deze nieuwe aflevering? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 28 juni 2006 en dan bespreken we De ploeger van Adriaan Roland Holst




Schaapscheerderskou

Wolken zwevende verdeeld
Doen de randen lichten.

Geschoren zwerft hun evenbeeld
In Skuster fjild mij tegen.*)

Scheren is geloven
Dat dieren leven in het licht
Van de schaduwen waarboven
Dak en hemel ligt.

Naakt opnieuw beginnen
In dit wolloze seizoen -

Tegendraads de schepping
Weerloos overdoen.


*) "Skuster fjild" is Fries voor: weide van Skuzum

Anneke Reitsma (1949)

Uit: Wonen in het Avondland, Dabar-Luyten, Heeswijk 1998.




Vrouwen schrijven zelden poëziegeschiedenis. Dit genre werd en wordt meestal door de mannelijke sekse beoefend. De essayist en dichter Anneke Reitsma vormt in deze een uitzondering: van haar verscheen enkele jaren geleden Het woord te vondeling. Een eeuw Nederlandse poëzie in zeventien portretten. (Amsterdam: De Prom, 2002). Hierin brengt ze zo'n anderhalve eeuw poëziegeschiedenis in beeld. Naam kreeg ze door de talloze verhelderende beschouwingen en kritieken over literatuur in periodieken als Ons Erfdeel, Bzzlletin en Roodkoper. Zelfs het werk van een 'moeilijke' dichter als Paul Celan weet ze te ontsluieren. Van haar kwamen twee extensieve studies over het werk van Ida Gerhardt uit.
Haar eigen poëzie wordt omschreven als sterk, gelaagd en geheimvol. In totaal schreef ze vier dichtbundels. De eerste, getiteld Wadlopen, dateert van 1983 (Amstelveen: Luyten), in 1990 verscheen Overtocht (Den Haag: Morgenstern), Wonen in het Avondland vormt de derde en Steentijd in mei is haar tot nu toe laatste poëziebundel (Amsterdam: Van Gennep 2004). Momenteel werkt ze aan een nieuw essay met als fascinerende werktitel Wachten op Penelope - Schrijvers tegen de keer.

Anneke Reitsma werd in 1949 te Pematang Siantar op Sumatra geboren. Na enkele jaren verhuisde de familie naar Nederland waar zij later Nederlandse taal- en letterkunde ging studeren. Zij doceerde stilistiek en didactiek van het Nederlands aan de Haagse Leergangen en woont in Idsegahuizum, Skuzum op z'n Fries.
Ze schrijft met opvallend veel expertise over poëzie van anderen. Maar hoe dicht deze essayiste en critica zelf? Valt in Schaapscheerderskou, een to the point geschreven gedicht dat pregnant aandoet, eenzelfde professionaliteit te bespeuren?

De 'schaapscheerderskou' of 'Europese moesson' is een relatief koude, bewolkte periode in de zomermaand juni die van oudsher wordt gebruikt om schapen te scheren. Op deze manier is de kans kleiner dat hun kwetsbaar kale huid door felle zon verbrandt. De periode valt normaliter tussen 5 en 20 juni; in Meulenhoffs Dagkalender van de poëzie (2004) werd dit fraaie gedicht dan ook op 7 juni geplaatst.

Het gedicht klinkt opgewekt, ritmisch en zangerig. Het metrum is overwegend trocheïsch, vandaar deze dynamiek; uitsluitend de tweede strofe is jambisch. Twaalf regels telt het vers: vijf strofen, vier disticha en een kwatrijn; elke strofe vormt één hele zin. Het rijmschema is ab// ac// dede// fg// hg, het aantal versvoeten varieert van twee tot vier. De ee-klank komt frequent voor en dit binnenrijm draagt wellicht bij aan de zangerigheid. Het metrum van de eerste zin is trouwens identiek aan dat van het bekende kerstlied: Midden in de winternacht/ ging de hemel open. Naast het al genoemde rijm en de alliteratie in leven in het licht kan ik geen expliciete andere rijmsoorten bespeuren. Zonder de minste overdaad van woorden evoceert het gedicht een weids panorama waarin hemel en aarde vervat zijn. De blik van het lyrisch subject verschuift van een zwevende wolkenpartij naar een naderende kudde schapen en maakt aansluitend plaats voor een beschouwing over licht en schaduw, over 'snoei' en groei.

Bij lezing van de eerste disticha kwam mij een landschap met Larense schapen van Anton Mauve voor de geest, een van die romantische panelen in de stijl van de Haagse School. Dit gedicht gaat echter niet over het Gooi, maar over een weide bij het Friese Skuzum. In het schilderachtige tafereel herkennen we de topos van een Natureingang. De eerste zin is door de omissie van 'zijn' elliptisch en doet enigszins vreemd aan door het causale hulpwerkwoord 'doen': immers niet de wolken veroorzaken het oplichten van wolkenranden, dat doet de zon. De verschuiving in aandacht van de zwevende wolken naar hun naderende animale 'evenbeeld' is niet alleen op formele gelijkenis gebaseerd, maar ook op verplaatsing: de schaduwen van wolken bewegen zich, evenals de schapen, over de weide heen. De eerste twee strofen bevatten een antithetisch parallellisme, een stijlfiguur die gebruikt wordt om verschil én overeenkomst te benadrukken. De regels 1 en 3 rijmen met 'verdeeld' en 'evenbeeld', terwijl 2 en 4, met 'lichten' en 'tegen', niet rijmen; 'tegen' is hier gebruikt in de betekenis van tegemoetkomen.

De volgende strofe, Scheren is geloven/ Dat dieren leven in het licht/ Van de schaduwen waarboven/ Dak en hemel ligt gaat vooral over het hoogste licht. De uitdrukking 'leven in het licht' verwijst naar de schepper. Door het enjambement Scheren is geloven en het eindrijm met 'boven' krijgt 'geloven' het nodige reliëf. Het juist genoemde eindrijm en het gebruik van het creationistische 'schepping' in de laatste strofe sluit daarbij aan.

De geschoren schapen beginnen aan hun wolloze seizoen, ze moeten opnieuw naakt en weerloos de schepping - van wol - overdoen. De aangroei van wol wordt hier voorgesteld als een schepping in het klein. Het rijm van 'seizoen' en 'overdoen' beklemtoont het cyclische karakter van jaargetijden. Wat bij de schapen was aangegroeid, werd weggeschoren en moet worden overgedaan, hetgeen als 'tegendraads' overkomt. Langs deze tegendraadse weg wordt de continuïteit van het verleden gewaarborgd: de toekomst wordt als het ware uit het verleden 'gesponnen'.

In het hele vers blijft het lyrisch subject, met een contradictio in terminis, opvallend op de achtergrond; enkel in het tweede distichon komt 'mij' voor en slechts één keer. Door die bescheiden houding wordt het panorama opgeblazen, wordt een immense ruimte geëvoceerd. Een analoog effect zie je op veel schilderijen van Turner en Friedrich waarin de mens als klein vergankelijk wezen in de grootse, hem omringende natuur staat. Niet de ikfiguur vormt het taalkundig subject, maar de hemelse wolken en hun aardse 'tegenhangers', de schapen. Er zijn veel tegenstellingen in het gedicht verwerkt: licht en schaduw, hemel en aarde, zonlicht en goddelijk licht, schepping en schepselen, eeuwig en tijdelijk, veraf en dichterbij, groot en klein, groei en snoei. Het zomerse seizoen is in volle gang maar door de manier waarop aan het panorama inhoud is gegeven, realiseert de lezer zich dat dit slechts een miniem onderdeel uitmaakt van een kolossaal en onkenbaar geheel van ruimte en tijd. In dit licht valt het causale hulpwerkwoord 'doen' in het eerste distichon te duiden: de werkelijke oorzaak is platonisch verborgen: de waarneembare wereld is slechts een weerspiegeling van de echte werkelijkheid.

Raadselachtig blijft tot dusver de jambe in het tweede distichon. De blik van het lyrisch subject is daar juist verschoven van boven naar beneden. De heffingen en dalingen in de eerste en tweede disticha vormen, evenals hemel en aarde, tegenstellingen. De aardse schapen weerspiegelen de hemelse wolken. In de derde strofe gaat de weerspiegeling ook nog eens geraffineerd over in innerlijke reflectie. Bezien we de vorm van het gedicht als geheel, dan blijkt dit eveneens symmetrisch te zijn opgebouwd: je kunt de strofen a.h.w. om een virtuele horizontale as, tussen de regels 6 en 7, klappen. De aarde is een weerspiegeling van de hemel. Hemel en aarde staan in onderling verband als evenbeeld én tegenbeeld, zo luidt de gedachtegang. Hierbij sluit de formele symmetrie en de inhoud van de rijmende woorden 'verdeeld' en 'evenbeeld', evenals de nadruk op 'tegen', wonderwel mooi aan. Zelfs de twaalf regels van het gedicht krijgen in dit perspectief betekenis: het is het getal dat het geheel, het totaal vertegenwoordigt, inclusief alle tegendelen.

Uit het gedicht spreekt een religieus bewustzijn en daarom vroeg ik Anneke Reitsma naar haar confessionele signatuur. Van origine is ze gereformeerd, maar ze beschouwt zichzelf al lang niet meer als behorend tot die denominatie. 'Zelf noem ik me het liefst een agnostische gelovige. Met andere woorden: ik weet meer niet dan wel, maar er is een onwrikbare religieuze kern overgebleven', antwoordde ze me.
Wolken en schapen blaken trouwens van bijbelse symboliek. Schapen staan voor kwetsbaarheid en voor het lijden en verwijzen naar het volk Israël. De wolk geldt weer als metafoor voor Gods beschermende aanwezigheid. Met zulke allusies wordt een beeld geschetst van een veelomvattende, gelaagde werkelijkheid.

Het gedicht begint met een pittoreske Natureingang en via ingenieuze inhoudelijke én formele, versmetrische spiegeling worden onderlinge, onderliggende verbanden geschetst. De gelaagde onkenbare werkelijkheid vervat in de notendop van een gedicht. Schaapscheerderskou getuigt van poëtisch vakwerk - hetgeen van Anneke Reitsma te verwachten viel.

Inge Boulonois


Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81 M. Vasalis - De idioot in het bad



* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).