Klassiekers (89)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

13 december 2006

Lloyd Haft - Naar Psalm 1


Een bespreking door Inge Boulonois


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

De eerste aflevering van Klassiekers verscheen op 6 juli 2000.
Inmiddels zijn er meer dan 1900 abonnees.

Vooraf

In de vorige aflevering besprak Edith de Gilde 'Bij een boeket' van Paul Marijnis.
Onderstaande reactie komt van Rim Sartori:
'Bij de eerste regel moest ik heel sterk aan iets denken. Waar had ik dat toch meer gehoord? Ik stuur jou een boeketje rode rozen, een liedje dat ooit Eddy Christiani zong. Ook uit die tijd. Toeval?
Mooie regel: [...] boeket van grijze rozen/ (...) / stelen van ijzerdraad in groensajetten kousen. Bij mijn oma stonden ze op een rond tafeltje met een kanten kleedje; die herinnering sprong meteen in mijn gedachten! En dan Hun blikken doornen doen de vingers snikken. Prachtig toch?
Het gaat vaak om de klank, het ritme. Wat roept het gedicht bij je op, waar gaat het over. De dubbele betekenis van wat in soms heel simpele woorden wordt neergezet. Ik vind het een interessant artikel. Prettig dat de theorie ertussen is gestrooid, zonder dat het stoort. Dat zorgt ervoor dat het, zeker bij mij, beter blijft hangen.'



Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Het volgende nummer verschijnt op 17 januari 2007 en dan bespreekt Lambert Wierenga Een bericht van Chrétien Breukers.




Naar Psalm 1

Was het mij beter gegaan
als ik niet had gedacht,
niet had verwacht dat u was? -
niet bij dag en bij nacht?
Had ik u niet moeten missen?
Beter de boom geweest die staat,
niet denkt,
wortels drenkt in water,
niet in hoop als ik?
Wie kan het zeggen,
wie kent hier de grond?
Niet ik bedenk de boom
die om mij ís: uw loof, uw luister.
Uw naam: wind tussen de bladeren
die ís om mij begonnen.


Lloyd Haft (1948)

Uit: De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft, Querido, Amsterdam 2003




Het psalmboek, een lyrische reflectie op het eerste, Oude Testament, is ongetwijfeld de meest gelezen poëzie aller tijden. De naam komt van psalmos, de Griekse vertaling van het Hebreeuwse 'mizmor': een lied dat onder begeleiding van snaarinstrumenten werd gezongen, ook wel 'harpzang' genoemd. Dichters als Vondel, Hooft, Revius, Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde, Gabriël Smit en Leo Vroman ver- en hertaalden deze teksten of lieten zich erdoor inspireren. In 1995 bracht het literair tijdschrift Parmentier de speciale uitgave Nieuwe Psalmen uit waaraan ruim veertig contemporaine dichters meewerkten, waaronder Lloyd Haft. Niemand minder dan Kees Fens schreef de inleiding. Hij sloot die krachtig af met: 'De psalmen maken klein. Ook door hun literaire grootheid. Wie die niet ziet of die honderdvijftig gedichten in de postchristelijke leegte wenst te gooien, zou misschien een literaire vervloeking verdienen. En dat tot in het derde geslacht!'

De psalmbewerkingen van Lloyd Lewis Haft werden in 2004 bekroond met de Ida Gerhardt Poëzie Prijs. Haft - van huis uit sinoloog - dicht, vertaalt poëzie en schrijft over Chinese letterkunde. Tot 2004 werkte hij als universitair docent bij de Opleiding Talen en Culturen van China aan de Universiteit Leiden. Nu vut hij. Voor de bundel Atlantis (Querido, Amsterdam 1993) ontving hij de Jan Campertprijs 1994; elf jaar later kreeg hij voor het tweetalige Formosa (Querido, Amsterdam 2005) de Publieksprijs voor de beste poëziebundel.
Verdere bibliografische informatie is te vinden op de site van de dbnl.

'Naar Psalm 1' staat grotendeels in de vraagvorm waarbij vaak de ontkenning is gebruikt.
Bij een terugblik op z'n leven vraagt het lyrisch subject zich af of het hem beter was gegaan als hij van Gods bestaan niet had afgeweten. Was hij niet beter af geweest als een breinloze boom met wortels in water gedrenkt in plaats van in hoop? De twee retorische wie-vragen suggereren dat niemand zulke vragen kan beantwoorden. Niet de ikfiguur heeft alle luister bedacht: alles om hem heen ís, ook zonder dat hij denkt. Het beklemtoonde woord 'ís' wordt in de slotzin herhaald: Uw naam: wind tussen de bladeren/die ís om mij begonnen. Deze zin zweemt naar een lofprijzing; bewondering en ontzag klinken erin door.

De eerste vijf regels hebben als metrum de dactylus. Het aantal versvoeten per regel varieert maar regel 1 en 3 resp. 2 en 4 vormen metrisch elkaars evenbeeld. In regel 6 gaat de dactylus in de trochee over, wat aansluit bij de overgang naar de metafoor van de boom. Vanaf de tiende regel wordt het metrum onregelmatig. Verschillende soorten rijm passeren ons oog: middenrijm en (mannelijk) eindrijm, alliteratie, assonantie en zgn. synoniem parallellisme ('als ik niet had gedacht / niet had verwacht'). Parallellisme wordt ook Hebreeuws rijm genoemd, omdat deze stijlfiguur een der opvallendste karakteristieken is van de originele psalmen. De herhaling van 'wie' en van 'uw' in de laatste zes regels vormt de opmaat tot de concluderende slotzinnen. Evenals in de andere psalmen in Hafts bundel en overeenkomstig de originele Hebreeuwse tekst, is hier geen witregel te zien.

De metafoor van de boom ontleende Haft aan de bijbelse psalm. In christelijke iconografie symboliseert de boom het door God gewilde, standvastige leven; de jaarlijkse cyclus refereert aan leven, dood en verrijzenis. Een boom wortelt in aarde, wortels hebben contact met verborgen, levenschenkend water en verwijzen naar diepgang. Grondwater wordt ook wel gezien als Gods wet. Door hun aardse wortels kunnen boomtakken naar de hemel reiken. En hier moet ik aan Hans Andreus denken die dat tweedimensionale op onvergetelijke wijze beschreef in zijn gedicht 'Boombeschrijving': Naar een boom / ziende zie ik / hemel en aarde in elkanders / armen. // Want een boom, / een boom is een bruiloft.

In Psalm 1 staat de wind voor de onnaspeurbare wegen van de Eeuwige; wind kan naar zowel de Heilige Geest als menselijke nietigheid en leegte verwijzen.
In 'Naar Psalm 1' komt de dichter tegelijk over als homo credens én homo cogitans, als een gelovig en een denkend mens. De vragen die hij stelt zijn te groot voor het menselijke brein: niemand kent immers de 'grond'. Dit pregnante woord wijst letterlijk naar de specifieke plaats waar een boom staat en ook naar de hele aardbodem. Figuurlijk naar 'fundament', wat erachter of eronder ligt.

De laatste vier regels van het gedicht vragen nadere bestudering.Niet ik bedenk de boom / die om mij ís: uw loof, uw luister. / Uw naam: wind tussen de bladeren / die ís om mij begonnen. ' Deze regels laten zien dat het denken vrucht draagt: door bewustwording van de beperkingen van de cognitie krijgt het geloof een kans.
Het beklemtoonde en herhaalde 'ís' verwijst naar het luistervolle zijnde, naar de heilige naam die zich door de wind laat horen als bladgeruis, de goddelijke Ik ben. Het 'ís' in deze regels contrasteert betekenisvol met het eerste woord in het gedicht - Was - dat past bij het efemere, menselijke denken.

Het woord 'om' is betekenisrijk. In deze context liggen twee betekenissen voor de hand. Ten eerste de fysieke nabijheid van de boom, met zijn luister, de wind, en in laatste instantie Gods naam. Daarnaast: ter wille van, om reden van. In de betekenis van 'nabijheid' roept het het bekende gedicht 'De moerbeitoppen ruischten' van Nicolaas Beets op, waarin het bladgeruis fungeert daarin als teken van Gods aanwezigheid: "De moerbeitoppen ruischten;" / God ging voorbij; / Neen, niet voorbij, hij toefde; / Hij wist wat ik behoefde, / En sprak tot mij;

Wind tussen bladeren die om mij - mij als letterlijke beweegreden dus - begonnen is, klinkt mij wat vreemd in de oren. Het hele gedicht is wel in de ikvorm gegoten, maar is de wind alleen ter wille van de ikfiguur begonnen? Benadrukt Lloyd Haft wellicht met 'om mij begonnen' dat het tegelijk gemeenschapszang is? Staat deze 'ik' voor het volk van Israël en is zijn stem tegelijk de stem van velen?

Deze vraag heb ik aan Lloyd Haft zelf voorgelegd. Hij antwoordde dat het niet om een gemeenschap gaat maar om een individu, een individuele ziel. Het woord 'om' betekent hier zowel 'in de buurt van' als 'ter wille van'. Hij wijst op de homofonie van 'loof' en 'loven', 'luister' en 'luisteren': '"loof" en "luister" kunnen in het vers gehoord worden als aansporingen van God, dus als "loof!" en "luister"!' Haft voegt eraan toe: 'Het zwakke of "wegvallende" ritme van de laatste woorden "om mij begonnen" doet ze voorkomen of functioneren als uitleg van dat geaccentueerde "ís": jawel, die wind is wel degelijk "om mij" begonnen, voor mijn oren bedoeld'.
Tot zover de dichter zelf.


De bundel De Psalmen wordt als bewerking gepresenteerd waarvoor zowel oude en recente als Nederlands- en Engelstalige psalmen zijn bestudeerd. Een vergelijking ligt voor de hand. Ik koos voor de interconfessionele Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap.

Psalm 1

Gelukkig de mens
die niet meegaat met wie kwaad doen,
die de weg van zondaars niet betreedt,
bij spotters niet aan tafel zit,
maar vreugde vindt in de wet van de HEER
en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.

Hij zal zijn als een boom,
geplant aan stromend water.
Op tijd draagt hij vrucht,
zijn bladeren verdorren niet.
Alles wat hij doet komt tot bloei.

Zo niet de wettelozen!
Zij zijn als kaf
dat verwaait in de wind.

Wettelozen houden niet stand waar recht heerst,
zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen,
de weg van de wettelozen loopt dood.


In deze openingspsalm, a.h.w. de inleiding van het psalter, wordt ons de juiste levenshouding, de 'weg ten leven' voorgehouden. Een wijsheidspsalm: de psalmist vergelijkt de godvrezende en de goddeloze mens met de bedoeling de lezer tot bezinning te manen. Jacob Cats zou het een leerdicht genoemd hebben. Een doorwrocht vers is het, gestructureerd rond scherpe antithesen. De vrome vindt vreugde in de wet van de Heer, hij draagt vrucht, wordt gelukkig en verdort niet want de Heer beschermt zijn weg. In de grammaticale structuur van de een na laatste regel vormt 'de Heer' als beschermer van de weg het onderwerp, in de laatste is dat 'de weg' van de wettelozen. De zondaar schoolt samen met spottende soortgenoten, doet kwaad en wordt een speelbal van de wind; zijn weg loopt dood. 'Zondaar' komt van het Hebreeuwse hata: zondigen ofwel 'zijn doel missen'. Uiteindelijk worden zij als kaf verstrooid terwijl de rechtvaardigen een kring vormen, symbool van zowel eenheid als heelheid. Het beeld van het kaf is ontleend aan de dorsvloer: de goede korrels vielen terug op de grond en het waardeloze kaf werd weggeblazen door de wind. De boom is hier 'geplant aan stromend water', dus op een vruchtbare plaats, hetgeen de liefdevolle zorg van God illustreert. Het beeld van een boom aan stromend dus levend water roept reminiscenties op aan het apocalyptische visioen van het hemels Jeruzalem (Op: 22,2).

De psalm klinkt ritmisch; er is geen vast metrum. Allerhande klankherhalingen dragen bij aan de ritmiek: meegaat-kwaad, boom-stromend, water-draagt-bladeren, doet-bloei, verwaait-wind, weg-wetteloos. Witregels en strofen voorzien de psalm formeel van poëtisch elan. Ook hier komt het woord 'niet' frequent voor. De eerste strofe typeert de gelukkige want goede mens, de tweede vergelijkt hem met de boom en de derde, beginnend met 'zo niet', beschrijft in slechts drie korte zinnen de wettelozen. Veel woorden maakt de psalmist niet aan hen vuil. De vierde strofe vormt een conclusie die bezwerend aandoet.
De laatste strofe bevat een intrigerende parallelle constructie: de eerste regel vormt een antithese met de tweede en de derde weer met de vierde. In de werkwoorden in de eerste strofe - van 'meegaan met' naar 'zitten bij' de zondaars - is een beweging van God af te vinden. Het laatste woord van de psalm, 'dood', staat daar ongetwijfeld om unheimisch, als een laatste waarschuwing, na te galmen.

In de bijbelse en de door Haft bewerkte psalm wordt vooruit respectievelijk terug gekeken op de levensweg. Frappante verschillen betreffen spreekrichting en -toon. De hedendaagse psalm heeft de vorm van een monologue interieur; de ikfiguur stelt zichzelf vragen. God wordt in de tweede persoon gevousvoyeerd en 'u' heeft, net als in de Nieuwe Bijbelvertaling, geen hoofdletter. De bijbelse psalmist geeft voor de wijsheid in pacht te hebben en spreekt met eerbiedige afstand over God in de derde persoon als 'de HEER', in kapitalen. Lloyd Haft heeft het over hoop en beschouwt de mens als onwetend m.b.t. kennis van God. Uw naam: wind tussen de bladeren, een voelbare kracht die zelf onzichtbaar is, onbegrijpelijk blijft en verwondering en ontzag inboezemt, dat valt er over te zeggen.

Haft schreef mij niet in zo'n bijbels standpunt als 'wees braaf en je wordt gelukkig!' te geloven. De psalmist doet stellige uitspraken. In zijn optiek is er slechts kaf en koren: God beschermt de weg van de rechtvaardigen, die van de wettelozen loopt dood, een tegenstelling die hij met een uitroepteken kracht bijzet: Zo niet de wettelozen!

Hafts psalmbewerkingen pretenderen per se niet een hedendaagse 'vertaling' te zijn. We zien dan ook aardig wat verschillen tussen de twee versies. Onmiskenbaar zijn beide product van de eigen tijdgeest. De bijbelse psalm heeft een absolute toonzetting: paradijselijke toestanden zijn ondenkbaar zonder dat er recht wordt gedaan op aarde. Gerechtigheid als conditio sine qua non voor blijvende vrede en vreugde. 'Naar Psalm 1' daarentegen verwoordt grosso modo de populaire visie op God als een onkenbaar wezen. Het feit dat daarin niets gezegd wordt over rechtvaardigheid noch over slechtheid, sluit aan bij het hedendaags vigerend relativisme.

Nog steeds zijn de duizenden jaren oude psalmen een bron van troost en bemoediging. Alleen de zogenaamde wraakpsalmen zijn met enig dédain terzijde geschoven. Als dichtkunst bezitten psalmen onmiskenbaar literaire grootheid. Als 'spiegel van de ziel' laten ze de diverse schakeringen in gevoelens zien en verbinden ons particuliere vallen en opstaan met een groter historisch geheel. Hafts 'Naar Psalm 1' blaast oude woorden nieuw leven in en zet zo aan tot denken over de grote vragen. Zou het er echt niet toe doen hoe we leven? Wie kent de grond?

Inge Boulonois


Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81 M. Vasalis - De idioot in het bad 82 Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83 A. Roland Holst - De ploeger 84 Hein Walter - Hestia 85 Paul van Ostaijen - Het dorp 86 Herman de Coninck - Voor mekaar 87 Hans Andreus - Liggen in de zon 88 Paul Marijnis - Bij een boeket


* Abonneren of opzeggen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html

* Adres wijzigen?
Ga naar klassiekegedichten.net/abo.html en:
1. Zeg uw abonnement op uw oude adres op
2. Neem een abonnement op uw nieuwe adres


Evenals Meander literair e-zine is Meander Klassiekers gratis, maar financiële ondersteuning is welkom. Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt naar girorekening 4451410 t.n.v. Stichting Literatuursite Meander te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander Klassiekers' en uw e-mailadres.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers
is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming
van de auteur(s).