Klassiekers (92)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

7 maart 2007

Leo Herberghs - Psalm 23


Een bespreking door Inge Boulonois


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen.
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Vooraf

Naar aanleiding van de bespreking van Kouwenaars Zo helder is het werkelijk zelden schreef Atze van Wieren: 'Mijn poëziehart bloeit op bij het lezen van zo'n gedicht. Meesterlijk! Vol religieuze symboliek. Iemand die aanklopt en water vraagt... Bijbels tot en met. "Zie, ik sta aan de deur en ik klop." en: "maar wanneer hebben wij u dorstig gezien?" Antwoord: "zo gij dit (water geven) aan een van deze minsten hebt gedaan, hebt gij het aan mij gedaan." En de Emmaüsgangers die Jezus, na diens opstanding, binnennoodden, met hem aan tafel zitten en eten en drinken en niet door hebben dat het Jezus is. Pas als hij weg is.
Zou God (Jezus) in de persoon van een jager langskomen? Of is het de Dood met zijn weitas? Maar zijn God en de Dood eigenlijk niet een en dezelfde persoon?'

Ook Ada d'Hamecourt en Ton Delemarre zien Christusverwijzingen, bijvoorbeeld naar de bloedrode spotmantel met rietstok die Jezus droeg. En men eet wat tot zijn gedachtenis: 'Wanneer wij eten van dit brood en drinken uit deze beker verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt'. (Komt daar dat liggend streepje aan het slot vandaan? Wat heeft Kouwenaar met dat afbreekstreepje, vraag je je af. Hij gebruikt het veel. Zijn gedichten lopen nog door in de stilte na de laatste regel.)
Zij wijzen ook nog op de typische vorm. Steeds breekt de eerste regel onlogisch af en vervolgt in de tweede: men ziet / het riet (dat komt trouwens terug in de laatste strofe, het gedicht is rond). Normaal zou je na de komma de tweede regel beginnen. Kouwenaar dwingt je op die manier even te stoppen, even adem te halen, wat klopt met het stapsgewijs karakter van het gedicht.

Van Inge Boulonois kwam als spontane reactie: 'Zo op het eerste gezicht denk ik bij het gedicht aan een ontmoeting met zijn diepere zelf. De jager is de christus of christuskracht in hem, het hoger ik of de transcendente personaliteit. Iemand klopt aan, wekt zijn innerlijk; er staat immers niet dat er een deur opengaat. De helderheid is een ogenblik van grote innerlijke luciditeit. Het wit staat voor de zuiverheid, het reine, dat staat tegenover het zwart van zonde en dood. De een na laatste strofe is ook zeer intrigerend. Er is mogelijk geen vlinder, de jager wijst naar het riet en zegt : dit is een rouwmantel, daarmee verwijzend naar de dood - primair door de zonde - die overwonnen is door Jezus Christus. Riet staat vaak aan water, heeft water nodig, ook weer zo'n mooi symbool - denk aan 'levend water'. De jager is weg. Het glas staat er nog - verwijzend naar de kelk en het beeld van de eucharistie doemt op: neem en eet.'

Naschrift: In de bespreking bleef de structuur van het gedicht wat onderbelicht. Zo is de afwisseling in perspectief zo opvallend, dat deze niet onvermeld had mogen blijven: elementen van de lokatie (het riviertje) in de eerste strofe, die van de jager in de tweede, die van het riviertje weer in drie, dan weer de jager in vier; in de vijfde strofe komen ze samen en in de laatste zijn ze weer uit elkaar. Ook het feit dat het gedicht in feite ingeklemd zit tussen het 'men ziet' aan het eind van de eerste regel en aan het eind van de voorlaatste, is zeker betekenisvol.
Overigens liet Remco Ekkers nogal droog het volgende weten: 'Mooi, die reacties en al die symboliek. Het interessante is dat Kouwenaar eenvoudig een ontmoetinkje beschrijft. Zo heeft hij het me verteld. Het is alles letterlijk een anekdote. Ook de vlinder. Die vloog daar, en het was de rouwmantel! Het talent van Kouwenaar is dat hij al die symboliek cadeau krijgt.' (J.L.)


De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 1966 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Het volgende nummer verschijnt op 4 april 2007 en dan bespreekt Lambert Wierenga Dat komt gewoon doordat zijn vader eens van Harry Mulisch.




Psalm 23

de heren zijn onze herders
zij leiden ons over ligweiden
naar wateren van recreatie
en rust van grazige weiden
ze bouwen voor ons snelwegen
zodat we ons kunnen verplaatsen
en zorgen voor treinen en vliegvelden
maken geluiddicht onze woning
niets zal ons ooit nog ontbreken
woningwetwoningen en sportparken
muren tegen onze vijanden
ze doorschouwen onze harten
wat goed is voor ons leven
weten ze, met zalvende woorden
noden ze ons aan hun tafels

steeds gaan zij ons voor, onze herders
leggen uit hoe we de weg vinden
in onze belastingformulieren
en waar we ons moeten vervoegen
voor een visakte of een huurwoning
waar het politiebureau is of het stadhuis
en hoe door het dal van doodse schaduwen
we het winkelcentrum kunnen bereiken
waar het ons aan niets zal ontbreken

waar zouden wij zijn als de herders
zelf zouden gaan dwalen, ten prooi
zouden vallen aan twijfels
niet meer treden in sporen van waarheid
niet met stok en staf ons voorgaan
en het kwaad niet meer zouden vrezen?
is dan tot in lengte van dagen
geen geluk meer om onze schreden
in het aangezicht van onze belagers?


Leo Herberghs (1924)

Uit: Nieuwe Psalmen , Parmentier 1995 nr. 4, Sun, Nijmegen




'De notulist van het veronachtzaamde', zo is deze in Heerlen geboren dichter wel genoemd. Hij beheerst allerhande genres: van vrije episch-lyrische verzen tot vormvaste sonnetten. Zijn bundels gaan dikwijls over de natuur. Met aarden vingers (1955), een uitgave in de Windroosserie, vormde het officiële debuut. Bij de Leidse uitgeverij Plantage verscheen in 1998 een keuze uit zijn werk onder de titel Portret van een landschap. Gedichten 1953-1997 waarin poëzie uit negen bundels is verzameld. Komrij's tweedelige anthologie (2004) telt vier gedichten van Leo Herberghs.

De bijbelse psalm 23 - enkele alinea's lager weergegeven - werd ooit getypeerd als 'de nachtegaal onder de psalmen'. Het is de populairste van het psalter en heeft als centraal thema de geborgenheid. Hoe vreemd aan ons individualistisch tijdperk de metafoor van de herder met de kudde afhankelijke schapen ook lijkt, de tekst duikt regelmatig in contemporaine poëzie op en veelal rijk gelardeerd met vragen, gevoelens van nostalgie en, dat kan niet missen, verzet. Zie als voorbeeld Al die mooie beloften van Rutger Kopland, eerder besproken in Klassiekers nr. 26.

Herberghs koos voor een parodiërende omwerking en vergelijkt de geborgenheid vanuit het geloof met die van de burger in onze maatschappij; de heren leiders vervangen de herder, de burgers de schapen. De drie strofen, een van vijftien regels en twee novetten, hebben geen vast metrum, geen kapitalen en minimale interpunctie. Aan het woord zijn de burgers, bij monde van de dichter. In de bijbelse psalm is de 'herder' de Goede Herder, Jezus de Christus die de gelovige 'schapen' voedt, ze behoedt en thuis brengt. De eerste regel van Herberghs ironiseert al: 'de heren zijn onze herders'. De eerste regel bij hem en van de psalmist klinkt fraai door alliteratie en verdere verwantschap van heren en herders resp. heer en herder, een overeenkomst van letters op basis van 'schrapschap', een indertijd door Battus geïntroduceerd neologisme.

De heren leiden 'ons', rijmend, over ligweiden naar wateren van recreatie, ze zorgen dat we ons vliegensvlug kunnen verplaatsen en bouwen vliegvelden, geluiddichte woningen, sportparken en muren tegen vijanden. Ze weten wat goed voor ons is, 'doorschouwen zelfs onze harten', literaire taal die hier ridicuul klinkt want gaat het hier wel om het hart? Met zalvende woorden worden we aan hun tafels genood. Aan niets zal het ons ontbreken, mede dankzij de bereikbaarheid van winkels, zo blijkt in de tweede strofe.

De herders gaan ons 'voor', d.w.z. ze gaan voorop én staan qua rangorde vooraan. Hoe we door het dal van doodse schaduwen, met stafrijm, dus door de zware perioden van ons leven heenkomen, ook dat leggen de leiders uit. De ironie druppelt door: ze regelen van alles tot en met de visakte. En na een omineuze periode is daar, als panacee, het winkelcentrum, waar het ons natuurlijk aan niets zal ontbreken…

In de laatste strofe wordt de vraag gesteld wat er zou gebeuren als de herders zelf zouden gaan dwalen, ons niet met de aan de bijbelse psalm ontleende allitererende 'stok en staf' zouden voorgaan en het kwaad niet meer zouden vrezen. De stok is een wapen tegen distels en wilde dieren en samen met het machtsattribuut van de staf worden schapen langs de goede weg geleid. Het gedicht eindigt eveneens vragenderwijs: 'is dan tot in lengte van dagen/geen geluk meer om onze schreden/in het aangezicht van onze belagers?' M.a.w. is het geluk dan een voorgoed gepasseerd station en kijken we onze vijanden pal in het gezicht?

Een psalm van David

De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,

hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.

U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.

Nieuwe Bijbelvertaling; Katholieke Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch 2005

'Een psalm van David', staat er boven, wat niet impliceert dat de harpspelende koning de auteur is; veel hedendaagse theologen zien de davidische origine vooral als een relict uit vervlogen tijden. In ieder geval is een gelovige aan het woord. Drie kwatrijnen en een novet telt het ametrische lied. 'De HEER', in kapitalen, 'is mijn herder'. 'Mijn' staat er, bezittelijk voornaamwoord 1e persoon enkelvoud, m.a.w. de relatie van herder tot kudde wordt overgedragen op die tot de enkeling.

'Het ontbreekt mij aan niets', debiteert de tweede regel. Uiteraard wordt niet bedoeld dat de gelovigen alles bezitten wat ook maar te krijgen is . Het belangrijkste is de Heer als herder en dat is of moet voldoende zijn. De regels klinken enigszins jubelend. Ze neigen bovendien naar een bezwering en, in modern psychologisch jargon, naar een selffullfilling prophecy, iets dat wel uit moet komen. Evenals bij Herberghs wordt het leven dynamisch voorgesteld maar de gelovige is en route naar het Vaderhuis. De Heer 'voert', 'geeft', 'leidt' enzovoorts 'tot eer van zijn naam'.

De eerste regel is tweevoetig amfibrachisch met heffingen op 'Heer' en 'herder' waardoor de relatie tussen klankverwantschap en inhoud dik wordt aangezet. De ee van 'Heer' resoneert tot in 'eer' in regel 7 door. In strofe twee geeft de Heer nieuwe kracht en leidt, met klinkerrijm, langs veilige paden. In de eerste strofe staat 'de Heer' in de derde persoon, maar halverwege de tweede strofe wordt dat de tweede persoon, juist nadat het - allitererende - donkere dal is opgedoemd; kennelijk komt juist in zulke situaties de Heer meer nabij. De ikfiguur vreest geen gevaar 'want u bent bij mij'.

De monnik Benoît Standaert wijst in zijn recente boek Leven met de psalmen (Lannoo, Tielt 2006) op het bijzondere feit dat deze regel zich exact in het midden, in het 'hart' van Psalm 23 bevindt. Op de middelste regel bij Herberghs staat trouwens ook het centrale idee van zijn vers: 'steeds gaan zij ons voor, onze herders'.

Het lyrisch ik wordt hierna gast aan tafel wat reminiscenties oproept aan het Laatste Avondmaal. In deze derde strofe overheerst de o-klank. Dit is een uitroep van verwondering, de vocaal met de open mond, het teken van heelheid en dat past inhoudelijk mooi bij wat de gelovige overkomt. 'Het hoofd zalven met olie' betekent: met eerbewijzen overladen, heiligen, met goddelijk leven bezielen. Bij 'de beker die overvloeit' valt te denken aan het 'lessen' van de dorst maar ook aan het stillen van verdriet met troost en liefde. Daarnaast aan heil en verlossing. Een gevulde beker laat zich ook interpreteren als de bestemming van een mens, het hem of haar 'geschonken' lot. 'Geluk' en 'genade' volgen de gelovige tot deze terug keert in het huis van de HEER. Het verbindend Germaans rijm suggereert dat geluk niet zonder genade kan en dat echt thuis pas bij de Heer is.

De bijbelse psalm klinkt absoluut. De ikfiguur weet dat hij terug keert naar het Vaderhuis en trekt door een geïdealiseerd landschap. De herder leidt en is bij hem waardoor niets ontbreekt. Herberghs vertaalde de bijbelse psalm naar de verstedelijkte en regelzuchtige consumptiemaatschappij en schetste een cabareteske, amper nog natuurlijke wereld waarin de burgers als naïeve makke schapen de leiders volgen en het ze aan niets 'zal', in de toekomende tijd, ontbreken. De herders gaan de burgers steeds voor. Maar waar naar toe?

Op het inlegvel van het tijdschrift Liter prijkte onlangs een tekst van Bob Dylan die het zo formuleerde: 'Can you tell me where we're heading? Lincoln country road, or Armageddon?'

Inge Boulonois




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81 M. Vasalis - De idioot in het bad 82 Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83 A. Roland Holst - De ploeger 84 Hein Walter - Hestia 85 Paul van Ostaijen - Het dorp 86 Herman de Coninck - Voor mekaar 87 Hans Andreus - Liggen in de zon 88 Paul Marijnis - Bij een boeket 89 Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90 Chrétien Breukers - Een bericht 91 Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).