Klassiekers (101)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

12 december 2007

Anna Enquist - Ineens

* Een bespreking door Lambert Wierenga *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Vooraf

De honderdste Klassieker, de bespreking door Rutger H. Cornets de Groot van 'Panta rhei' van Hans Kloos genereerde heel wat aandacht. De discussie die dat op de website van De Contrabas opleverde is hier te lezen.

Na Soldatenliederen (1991), Jachtscnes (1992) en Een nieuw afscheid (1994) was Klaarlichte dag (1996) in korte tijd Enquists vierde bundel. Lambert Wierenga koos hieruit Ineens, afkomstig uit de afdeling 'Naar een ver land dichtbij'. Een somber gedicht, concludeert hij, maar daarmee gaan we wel opgewekt het volgende honderdtal in. Misschien halen we het.


De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2139 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende reguliere aflevering verschijnt op 16 januari 2007. Karin Doornik bespreekt dan Brood op de wereld van Guillaume van der Graft. Daarvoor verschijnt er nog een extra aflevering met een behandeling van een zeventiende-eeuws gedicht. Bij wijze van experiment!




Ineens

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja, ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tween kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.


Anna Enquist (1945)

Uit: Alle gedichten, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2005
Oorspronkelijk in Klaarlichte dag, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen,1996




Veel ideen en emoties in dit gedicht zijn herkenbaar: verdriet, angst, dood, eenzaamheid. Maar deze termen zijn te algemeen, te banaal. De dichteres creert vooral een sfeer van dreiging, zelfspot, cynisme en vervreemding. Het gedicht is opmerkelijk door z'n dreigende toon n complex in z'n opvallende overgangen. Welke isotopie [*] houdt al die - feitelijke en emotionele - elementen van het gedicht bij elkaar?

EEN EERSTE VOORSTEL: EEN 'WARMTE - KOUDE'-isotopie
De constructie van een heldere isotopie is in dit geval een chte zoektocht! In het begin zijn al duidelijke markeringen te vinden. Regel 2 introduceert het zelfstandig naamwoord 'warmte'. Even verder is 'de kachel loeide' (regel 6-7) enkel een schijnbaar gezellige notitie. De 'ik' zoekt warmte onder de 'dekens' (regel 5-6). Is dat fysieke warmte? Zoekt ze beschutting tegen de 'koude' werkelijkheid buiten? Dan is er het werkwoord 'verhitten' (regel 9). Verder in regel 7 nog 'warmste', de overtreffende trap van 'warm'. De aanduiding 'warmste van ons tween' moet hier wel slaan op de partner van de 'ik'. Die omschrijving lijkt een herinnering op te roepen aan de passie die ooit tussen die twee bestond en waaraan ze zich ton nog kon warmen. Nu echter 'niet meer'. Het lijkt de start van een 'warmte'-isotopie die de 'binnenwereld' en de 'buitenwereld' verbindt.
       Maar de 'warmte'-isotopie in het gedicht krijgt ook z'n tegenhanger. De 'warmte' (regel 3) is 'verloren'. Het 'niet meer' (regel 8) wijst erop dat de warmte van vroeger n wg is. In nogal wat regels is dan ook sprake van 'kou'. Warmte vindt de 'ik' niet meer. Een contrasterende isotopie wordt opgebouwd. Warmte tegenover kou. Misschien is 'kou' hier een nog wel systematischer thema dan 'warmte'. Zo zegt de eerste zin (regel 1-3a) eigenlijk dat de 'ik' lijdt aan plotseling en onbekend warmtekrachtverlies: de 'ik' was 'het vermogen om warmte vast te houden' ineens 'verloren'. Je kunt dus ook spreken van een 'kou'-isotopie. Dat blijkt verder uit 'Ik kroop onder steeds meer dekens' (regel 5b-6a). De 'ik' lijkt wanhopig warmte te zoeken, alsof ze ziek is! De koorts doet haar rillen van de kou. Ze blijft 'rillen' (regel 9) en 'huiveren' (regel 10). Ze lijdt kou. Zelfs haar partner - die haar vroeger 'in vuur en vlam' kon zetten - slaagt er niet in haar warmte te bieden. De 'ik' ervaart dat alles als een gevoel van gemis. Warmte vasthouden, dat 'vermogen' had ze vroeger, maar dat is ze 'verloren' (regel 3).
       De 'warmte' en de 'koude' zijn dus qua vocabulaire contrastief, maar qua thematiek tegelijk complementair. De 'ik' zoekt warmte. Bij de vertrouwde dingen, bij geliefde mensen. Maar niets helpt tegen die kou: geen kachel, geen dekens, geen partner. Geen intimiteit meer. Is dat het thema: haar onvoorziene, plotselinge onvermogen om - lichamelijke of emotionele - warmte te geven en te krijgen?

EEN TWEEDE VOORSTEL: 'HUIVEREN'
Toch is ook hier een probleem. Veel blijft er, als je uitgaat van deze tweezijdige isotopie, nog onduidelijk. De 'warmte' - 'koude'-isotopie verklaart onvoldoende. Warmte en koude zijn elk, maar ook samen, onvoldoende om de analyse van het gedicht te voltooien. Wat in het subjectieve perspectief van de 'ik' een raadsel was, blijft dat tot hier toe ook voor de lezer.
       Er volgt een tweede strofe - afstandelijker van toon en sfeer - waar ineens geen sprake meer is van die 'warmte' - 'koude'-isotopie. Nu wordt, lijkt het, een ander thema gentroduceerd, in de vorm van de uitwerking van het laatste woord van de eerste strofe: 'de dood' (regel 11). Hoe verbind je nu dat contrastieve maar tegelijk complementaire tweeluik - warmte versus koude - met wat er nog volgt? Het 'huiveren' (in regel 10) bevat misschien een sleutel.
       De dichteres heeft als het ware een dubbele bodem gelegd in haar keuze van dat woord. Het maakt op het eerste gezicht weliswaar deel uit van de 'kou'-isotopie. Maar 'huiveren' heeft niet exclusief de betekenis van dat fysieke 'rillen' (regel 9), twee woorden eerder. Het betekent ook 'beven', 'terugdeinzen'. Dan is er sprake van 'angst', 'afkeer' of van 'twijfel'. Zou een alternatieve isotopie er misschien n zijn van 'angst'? Maar angst voor wat? Angst voor de kille dood, zoals regel 11, met de verontrustende uitdrukking 'oog in oog staan met', lijkt te suggereren? Maar ook dat levert geen afdoende verklaring op: de zakelijke constatering is immers dat er tussen de 'ik' en de dood 'een aanzienlijke afstand' (regel 15-16) bestaat. De dood is nog op afstand. Maar is dat wel een geruststelling?

EEN DERDE VOORSTEL: 'VERLIES'?
Er moet iets anders n iets mr aan de hand zijn dan 'warmteverlies' en 'koude'. Ook meer dan 'huiver' voor de naderende dood. Iets wat zich niet bevredigend laat vangen in deze isotopien. De 'ik' zoekt voor haar intieme beleving een zakelijke verklaring. Maar ook die bevredigt niet.
       De 'ik' heeft iets verloren dat vroeger deel uitmaakte van haar persoon. Maar nu herkent ze zichzelf plotseling niet meer. Het gedicht begint dan ook met een opvallend woord: 'Ineens'. Wat ze n kwijt is, is een verlies dat haar overvalt, waardoor ze n ten prooi valt aan angst. Die potentie warmte en intimiteit te bieden, had ze vroeger altijd wl! De startzin 'Ineens was ik (...) verloren' geeft twee dingen aan: vroeger bezat ze wl iets, n het angstige verlies is plotseling opgetreden. Ze is dan ook pijnlijk verwonderd over haar onvermogen om nog 'warm' te blijven. Dat blijkt uit de bijzondere plaats die 'verloren' krijgt: uitgesteld tot helemaal aan het eind van een lange zin (grammaticaal; regel 1-3) n aan het begin van een regel (typografisch; regel 3)! Zij zelf begrijpt het niet, en de spanning daarover deelt ze aan de lezer mee door dat woord - de diagnose - lang uit te stellen. Dat mot dan ook wel een sleutelwoord zijn!
       Hoe is dat zo met haar gekomen? Is ze ziek? Depressief? Eenzaam? Innerlijk 'koud' misschien? Heeft ze dat verlies niet voelen aankomen? Ze is een raadsel voor zichzelf: vandaar dat ze zich afvraagt wat de oorzaak kan zijn. Het is bijzonder dat de 'ik' het zelf ook niet weet. Ze constateert innerlijke kou, rillen en huiveren als onverklaarbare symptomen. Cynisch bedenkt ze dat het misschien komt doordat ze - als moeder - haar volwassen kinderen die nt 'het huis uit zijn' (regel 4) niet kon laten gaan, ze niet kon loslaten. Hebben haar kinderen, door hun vertrek, haar gulheid aan moederlijke warmte ineens overbodig gemaakt? Zou dt haar 'verlies' zijn? Het idee dat ze 'Ineens' (regel 1) overbodig is geworden?
       Maar ze zegt dat met nogal wat cynisme: zelf gelooft ze niet in die verklaring! Je hrt de bittere zelfspot in 'snoof ik, ja, ja' (regel 4-5). Ze vindt die verklaring al te triviaal!

Als kinderen het ouderlijk huis verlaten om hun eigen leven op te bouwen, kan dat wl vaak een gevoel van leegte veroorzaken, van overbodigheid. Zeker de moeder heeft een belangrijk deel van haar persoonlijkheid, haar 'warmte', genvesteerd in haar gezin. Hoewel het natuurlijk het doel van elke opvoeding is, kan ze zo'n ingrijpende verandering als een verlies ervaren. Het 'lege nestsyndroom' (syndroom = complex van verschijnselen die kenmerkend zijn voor een bepaalde toestand). Maar de 'ik' verwerpt die diagnose.
Interessant te weten dat de dichteres, Anna Enquist, ook psychoanalytica is! Is hier de psychoanalytica, de vrouw, de moeder of de dichter aan het woord?

Ze heeft dus geen verklaring! Ze heeft alleen maar - bijna medische of psychologische - klachten die alle verband houden met dat onbegrepen warmteverlies. Niets van haar vertrouwde 'ik' werkt meer zoals vroeger: dingen die warmte vasthouden (dekens), die warmte geven (de loeiende kachel), de geliefde partner ('de warmste van ons tween').
       Maar zou de verklaring wel van buiten komen? Houdt haar verlies - dat haar doet rillen en huiveren - misschien verband met iets binnen n haar? Je zou het wl zeggen: het rillen en huiveren van innerlijke emotionele koude wekt bij haar de indruk dat de dood dichtbij is: 'alsof ik oog / in oog stond met de dood' (regel 10-11). 'Wat ook zo was' (regel 13). Met die nuchtere observatie moet de lezer het voorlopig doen! Maar anderzijds hoort hij haar ook zeggen dat er 'een aanzienlijke afstand' is tussen haar en de dood! Wat is er cht aan de hand? Het is niet de kou alln! Niet het lege huis alln! Niet de dood alln! Wat dan wl?

EEN VIERDE VOORSTEL: ANGST VOOR EEN LEGE TOEKOMST?
Het hangt allemaal met elkaar samen. Er moet n isotopie zijn die alle genoemde thematische aspecten bij elkaar houdt. Daarom is het ook zo'n 'strak' gedicht! De tentatief overwogen isotopien moeten, als je die met elkaar in verband brengt, een homogene betekenis opleveren. De deel-isotopien moeten alsnog door de lezer aaneen gekoppeld worden. Het is de lezer die het gedicht moet 'maken'!
       Een laatste voorstel dan. Dat gaat uit van de plaats en de functie van de witregel (regel 12). Vlak voor en vlak na die witregel - witregels staan er nooit voor niks! - gaat het over de dood. In totaal drie maal! Maar de volgorde en de opgebouwde samenhang zijn verschillend.
       Eerst valt op (in regel 11) de aarzelende inzet van het thema 'de dood' via de techniek van de personificatie: '... alsof ik oog in oog stond met de dood'. Zo'n constructie met 'alsof ...' drukt altijd iets uit wat nit cht zo is! Dat klopt ook wel: 'de dood' is geen 'persoon'.
       Dan komt de witregel die je als lezer zelf naar eigen behoefte kunt 'duiden'. Het gedicht leek met regel 11 voltooid. Je kunt even doen alsof je regel 13-16 nog niet hebt gezien. Dan echter overvalt de dichteres je met een doorstart. Als lezer voel je de schrik die de 'ik' mot voelen: door het verlies dat haar onverwacht trof, kreeg ze het angstige gevoel dat het leven voor haar ineens ophield. Kinderen weg, in de emotionele kou komen te staan, de eenzaamheid naast haar man. De huiver grijpt haar bij de keel: 'oog in oog met de dood'! Maar gelukkig, lijkt ze te suggereren, het is maar 'alsof'!
       Maar dan realiseert ze zich - en de dichter markeert dat met die witregel - dat het wl cht is! Als gevolg daarvan corrigeert ze haar keus voor het woord 'alsof' (regel 10). Eerst zegt ze dat de confrontatie met de dood nit reel is. Enkel een beeld! Een angstbeeld? Maar onmiddellijk daarna (regel 13) voelt ze het anders: de dood betekent wel degelijk haar 'realiteit'! Dat is de opbrengst van het nadenken - van de 'ik' - als je de witregel serieus neemt: haar 'verlies' betekent voor haar wel degelijk de 'dood'.
       En vanaf hier blijft di realiteit het winnen. In de regels 13-16 gaat het over een ontmoeting tussen de 'ik' en 'de dood'. Daar wint de koele observatie het van het angstige beeld. De locatie van de die ontmoeting wordt genoemd: beiden, de 'dood' en de 'ik', staan ze 'op een dijk' (regel 14). Een huiveringwekkende confrontatie.
       Maar tussen de 'ik' en 'de dood' was 'niets dan een aanzienlijke afstand' (regel 15-16). 'Afstand': een opvallend woord; het wordt bijna altijd in ruimtelijke zin gebruikt. Maar hier betekent het kennelijk mr, namelijk de afstand in tijd tussen het 'nu' en het moment van haar dood. Dat zal, bedenkt ze, nog heel lang duren: 'aanzienlijke afstand'. Al die tijd zal ze zich emotioneel verkleumd voelen. Geen warmte, geen doel. Altijd 'oog / in oog (...) met de dood'? De 'leegte' en de 'aanwezigheid' beide! Dood n niet-dood tegelijk?

CONFRONTATIE
Wat betekent hier de 'ik' oog in oog met 'de dood'? Wat betekent die 'aanzienlijke afstand'? Misschien de volgende samenhang tussen de uitgeprobeerde isotopien?
       De 'ik' staat op een keerpunt in haar leven. "Ineens": ze herkent zichzelf nauwelijks meer. Als ze terugkijkt naar het verleden, weet ze dat ze altijd een gelukkige vrouw was die 'warmte' gaf en ontving. Haar man, haar kinderen, haar werk. Maar de eerste was ineens van haar vervreemd. De kinderen waren het huis uit. Dat voelt nu als leeg aan: 'de warmste van ons tween', 'de kinderen', de 'dekens', 'de kachel' staan symbool voor alles wat er in dat leven van vroeger nu 'ineens' 'verloren' is. De vrolijke drukte van een gezin, de gezelligheid rondom de kachel, de intimiteit van een slaapkamer: ze is het ineens allemaal 'kwijt'. Dat voelt als 'dood' aan.
       Die confrontatie gaat diep! Niet alleen is aan het verleden een einde gekomen. Ook de toekomst is - op dit onverwachte keerpunt - leeg. Niet dat de dood op de loer ligt. Integendeel: ze heeft nog een half leven voor zich. En dat is nu juist het bedreigende: de dood heeft haar niet alleen haar verleden afgenomen. Door het verlies van haar warmtekracht - in zich en rondom zich - lijdt ze kou bij het perspectief dat ze objectief gezien nog lange tijd - "een aanzienlijke afstand" - te leven heeft in totale eenzaamheid. De Dood is de enige die nog binnen haar horizon valt, hoe ver zo ook kijkt langs die - kale en koude - dijk! Emotionele kou.
       Die 'aanzienlijke afstand' tot de dood is dus voor de 'ik' geen geruststelling. Er ligt een toekomst voor haar die altijd even leeg zal blijven als haar heden 'ineens' is geworden. En dat brengt haar tot die koele observatie dat er niets - meer - is tussen haar en de dood dan 'een aanzienlijke afstand'. Zo vol warmte als haar verleden was, zo 'koud' en 'leeg' zal haar toekomst zijn. Dat is het wat ze zich 'ineens' realiseert. Een somber gedicht. Haar vroegere leven is plotseling, grondig en definitief veranderd. Ze rilt en huivert van die koude leegte. Tegelijk beseft ze dat dat haar toekomst zal zijn: altijd de dood in haar vizier. Een verklaring voor het warmteverlies heeft ze niet cht. Hoop op een blije toekomst spreekt er al evenmin uit. Haar verleden is 'ineens' weg. Haar 'aanzienlijke' toekomst is uitzichtloos. Haar heden herkent ze niet. Is dat misschien cht 'dood' zijn?

****

[*] Isotopie is de aanduiding voor de verzameling termen die in een tekst samen - letterlijk of metaforisch - verwijzen naar een bepaald werkelijkheidsgebied en daarmee een homogene lezing van de tekst mogelijk maken. Ook wel woordveld genoemd.


Lambert Wierenga




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81 M. Vasalis - De idioot in het bad 82 Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83 A. Roland Holst - De ploeger 84 Hein Walter - Hestia 85 Paul van Ostaijen - Het dorp 86 Herman de Coninck - Voor mekaar 87 Hans Andreus - Liggen in de zon 88 Paul Marijnis - Bij een boeket 89 Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90 Chrtien Breukers - Een bericht 91 Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92 Leo Herberghs - Psalm 23 93 Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94 Esther Jansma - Raam in de lucht 95 Leo Vroman - Jeldican en het woord 96 Marc Tritsmans - Vermeer 97 Gust Gils - een minnend paar 98 Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99 J. Slauerhoff - Dit eiland 100 Hans Kloos - Panta rhei

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).