Klassiekers (104)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

13 februari 2008

H.A. Gomperts - Côte d'Azur

* Een bespreking door Ivan Sacharov *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Vooraf

In reactie op Karin Doorniks bespreking van Brood op de wereld van Guillaume van der Graft schreef Hetti Koster: 'Dit is zo'n gedicht dat je raakt, eigenlijk zonder dat je het begrijpt. Op een zaterdagmorgen naast de draaiende wasmachine en de boodschappen in het vooruitzicht. De magie van mooie woorden.'

De dichter zelf liet weten 'iets tegen het gedicht te hebben', reden waarom het buiten de meeste bundelingen bleef en evenmin werd opgenomen in het november vorig jaar bij L.J. Veen verschenen Praten tegen langzaam water, waarin Van der Graft de balans opmaakt van zijn gehele oeuvre uit de periode 1942-2006 en alleen selecteerde wat hij wilde overleveren.
Tegen de bespreking van 'Brood op de wereld' uitte hij geen bezwaar, al maakte hij inhoudelijk de opmerking: 'Wat ik niet begreep in uw artikel is waarom u spreekt van het 'heidense element' in de haan.' Laat dat nu net een eigenmachtige aanvulling van de eindredacteur geweest zijn!

*****

Ivan Sacharov behandelt in zijn eerste bijdrage aan de Klassiekers Côte d'Azur van H.A. Gomperts.
Van Dingtaal, het bundeltje waarmee deze in 1939 debuteerde, vond Menno ter Braak dat het wel eens een grens zou kunnen markeren, een verschuiving in de poëtische vorm - die van de voorkeur voor het gewone woord (een uitstekende reactie op een bepaald soort 'aesthetentaal', maar wie meent dat men er fris en lollig op los moet rijmen, komt onherroepelijk in de sentimentaliteit of in de gootsteen terecht), naar die voor het 'ongewone'.
In Gomperts' poëzie, zo stelde Ter Braak vast, drijft zijn gevoeligheid hem naar de 'poésie pure', naar de taalverfijning van Leopold met haar geraffineerde associaties en het taalritueel van een Renaissancedichter. Hij vermijdt daarbij openhartige subjectiviteit, er is in bijna alle gedichten van Dingtaal iets van reserve, van afweer jegens uitbundigheid en gemeenzaamheid. Door een sterke intellectuele inslag ironiseert de gevoeligheid zichzelf, zoals in Côte d'Azur, waarin de arcadische toon zich paart aan critiek en ironie.
[Menno ter Braak, Verzameld werk. Deel 7; G.A. van Oorschot, Amsterdam 1951; p. 344 e.v.]



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2170 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 19 maart 2008. Bettine Siertsema bespreekt dan Aurora borealis van C.O. Jellema.




CÔTE D'AZUR

Onder een hemel van damast
tussen zwanen en dolfijnen
op een blauw-satijnen kleed
komt de wind zich presenteren.
Het is goed in zee te zwemmen,
want de zee heeft zachte handen,
in een bad van schuimballonnen,
duizend druppels, duizend zonnen.
Op de planken en de stenen
van het grint en sintelstrand
dansen klossen en sandalen,
splinters, stokken, kreeften, torren,
zilte krekels en kadavers.

Langs de plinten van de hemel
liggen met opalen ogen
zevenduizend zeemeerminnen
in een krans om alle zeeën
en van transen en trapezen
kijken dwergen en konijnen,
kattenkrengen, kolenkitten
op het zomers zoete neer.

Zwaluwen en zevelingen
zijn gezanten van de zee
en zij lijden in de wouden,
in de parken van platanen,
langs de zomen van de heuvels
aan de gasten, mensebeesten,
als een onderhuidse jeuk.


H.A. Gomperts (1915-1998)

Uit: Dingtaal, 2e vermeerderde druk, De Ceder 14, J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1947




Dit gedicht verdient wat mij betreft een plaatsje op het ere-podium. Het is van H.A. (Hans) Gomperts en komt uit zijn debuutbundel Dingtaal, die in 1939 voor het eerst het licht zag in De Vrije Bladen (jaargang 16, schrift 8). De dichter zal wel niet gedacht hebben dat het ooit een klassiek gedicht zou worden. Toen in 1947 de tweede, vermeerderde druk van Dingtaal uitkwam, voorzag de dichter die van een nawoord waarin hij zijn gedichten als 'puberale producten' en als 'geheugenfetisjen' betitelt; het zouden niet meer dan 'dierbare curiosa' zijn.

Toch moet men zich door dergelijke uitlatingen van een schrijver niet teveel laten leiden. Je eigen producten omlaaghalen is het gras wegmaaien voor een ander en een mooie manier om je trots te verbergen. Trouwens, Gomperts vond het gedicht blijkbaar toch nog wel belangrijk genoeg om het voor de tweede druk te verbeteren: daar lezen we in de op één na laatste regel van de eerste strofe 'splinters, stokken, kreeften, torren' in plaats van 'splinters, stokken, kevers, torren'. Geen wereldschokkende verandering, maar wel een die getuigt van meer zorgvuldigheid dan past bij een instelling van alleen maar leutig (puberaal) 'gediggies maken'.

Wat is er nu zo goed aan dit gedicht? Ik zou haast zeggen 'alles'. Maar ik vrees dat de detaillisten onder ons daar geen genoegen mee nemen, dus toch een paar - zeker te kort schietende - aantekeningen.
Wat bij een eerste lezing meteen opvalt, is de bloeiende en beeldende taal, die krachtig wordt ondersteund door (mee)slepende viervoeters, dichtregels die bestaan uit vier trocheeën. Met de nodige afwijkingen natuurlijk, zoals direct al blijkt in de eerste regel. Ze geven de taalsubstantie waaruit het gedicht bestaat iets mechanisch-stotends af en toe, een effect dat goed past bij het passieve hotse-klotsen van de drijvende dingen op de golven van de branding, dat in het eerste deel beschreven wordt.
Het is opvallend hoeveel zelfstandige naamwoorden het gedicht bevat. Dit hangt natuurlijk samen met de opsommingen die erin voorkomen, maar omdat deze beperkt blijven en niet hinderlijk worden, heeft het een prachtig bij-effect: het geeft de taal, bij alle lichtheid van het onderwerp, toch een soort 'gewicht', om niet te zeggen een soort erotische tastbaarheid: alsof het geen woorden zijn waaruit het gedicht bestaat, maar een materiaal dat je terwijl je leest met je ogen kunt 'vastpakken'.

Een klankverschijnsel dat in het gedicht veel voorkomt is de alliteratie. Voorbeelden te over: duizend druppels, opalen ogen, het zomers zoete, zwaluwen en zevelingen. Dit veelvuldig allitereren (en ook het veel voorkomen van assonantie of klinkerrijm) verhoogt de samenklank en samenhang van de taal: het geheel komt meer als 'een geheel' over.

Op twee zeer zinvolle plaatsen is het gedicht gesplitst in drie onregelmatige strofen:
De eerste strofe beschrijft de zee zelf, te beginnen in het midden, op de grote watervlakte waar de wind zich presenteert. Daarna gaan we meer naar de rand van de zee toe en zien we zwemmers, die door de 'zachte handen' van het water worden gedragen en komen we uit bij de branding waar door het bewegen van de golven allerlei attributen - o.a. 'stokken', 'splinters' en 'kadavers' - dansen 'op de planken en de stenen van het grint en sintelstrand'.

De eerste witregel markeert de vloedlijn die het water van het echte strand scheidt. Het eigenlijke strand wordt beschreven als een plint van de hemel. Wie kent niet het zicht op een groene strook land tussen het water van de zee en een mooie blauwe lucht? En al moet dit in Nederland misschien lang geleden zijn, het zal in Frankrijk, aan de Côte d' Azur wel vaker voorkomen dat we daarop een rij (of krans, wanneer het 'om' de hele zee gaat) fraaie dames kunnen zien.
Het gebruikte 'zeemeerminnen' is natuurlijk een veel leuker en beter woord, want we bevinden ons hier op de rand van twee werelden. Gomperts toont een groot raffinement door in elke regel bijna ongemerkt de spotlight iets verder van het midden van de zee (waar het gedicht begon) af te bewegen. Van 'transen en trapezen' kijken dwergen en konijnen, kattenkrengen, kolenkitten op het zomers zoete neer. Bij 'kolenkitten' ontspoort het gedicht eigenlijk op een heel mooie manier: kolenkitten kunnen natuurlijk helemaal niet kijken, maar staan voor de winter, die hooghartig op het zomers zoete neerkijkt. Een prachtig taalravijn!

De tweede witregel is een iets ingewikkelder geval dan de eerste. De beschrijving die het gedicht ons geeft, brengt het weer iets verder van de zee af: het land op. Het strand wordt achter ons gelaten, we zien de wouden, de parken van platanen en zelfs de zomen van de heuvels, die ook heuvels op een lichaam blijken te kunnen zijn, want er is meer: de derde strofe is de eerste die 'naar binnen' gaat. Niet alleen de buitenkant van de dingen wordt beschreven, maar ook hoe wezens (in dit geval zwaluwen en zevelingen) zich voelen: zij lijden aan de gasten, mensebeesten, als aan een onderhuidse jeuk! Ineens lijkt de hele zee, met het strand eromheen en alles erop en eraan op een onderhuidse wereld, een soort macro-biotisch wezen, waarin de mensen krioelen als microben en jeuk veroorzaken. Dat is een omkering waarin wat aanvankelijk de buitenkant leek, de binnenkant blijkt te zijn. Ik denk dat daarom dit gedicht zo goed werkt: het geeft een mooi voorbeeld van een paradoxaal 'binnenstebuiten' gaan, dat laat zien hoe zaken buiten, ons binnenste kunnen beïnvloeden en daardoor ook innerlijke zaken worden.

Is er nog meer over dit gedicht te zeggen? Raadselachtig is het woord 'zevelingen' in de eerste regel van de laatste strofe. Het kan een zelfbedacht woord zijn (gewoon om met zwaluwen te allitereren), maar ook een echt bestaand woord dat ik niet kan thuisbrengen. Het bestaat als de naam van een stuk land bij Kampen, wat een dood spoor moet zijn, omdat dat niets met gezanten van de zee te maken heeft. Het enkelvoud 'zeveling' komt voor als de naam van een blokhut voor kinderen of padvinders, dus is evenmin toepasbaar. Als het een zelfbedacht woord is, is het leuk om met klankassociaties zelf betekenissen te verzinnen: iets met zeveren of zevenlingen? Desnoods kan het als een benaming voor rustzoekende schrijvers worden opgevat. (Gomperts zou waarschijnlijk lachen om al dit geneuzel, en míj een zeveling noemen!)

Er is inderdaad veel meer te zeggen over deze boeiende tekst, maar ik wil ermee besluiten dat in het kader van het eerder genoemde 'binnenstebuiten gaan' de wind die zich presenteert op dat blauw-satijnen kleed, kan worden opgevat als een gnostisch beeld van de geest Gods, die over de wateren zweefde en aan het scheppen ging...
Hier werd het de zeer geslaagde schepping van een (andere?) dichter.

Ivan Sacharov




Eerder verschenen:

  1 M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark   2 J.P. Rawie - Interieur   3 Jan Kal - Mont Ventoux   4 Jan Emmens - Voor de kade   5 M. Vasalis - Streng en aanbiddend   6 Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je   7 Gerrit Achterberg - Dryade   8 Gerard Reve - Wiegelied   9 Paul van Ostaijen - Melopee 10 Hanny Michaelis - Het kind 11 J.C. Bloem - De nachtegalen 12 Gerrit Achterberg - Verzoendag 13 Hans Warren - Bekentenis 14 E. du Perron - Het kind dat wij waren 15 P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16 H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17 H. Roland Holst - De zachte krachten 18 W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19 J.H. Leopold - Staren door het raam 20 Han G. Hoekstra - De ceder 21 Paul Rodenko - Het beeld 22 Anna Blaman - De Spin 23 Martinus Nijhoff - Moeder 24 Martinus Nijhoff - Impasse 25 Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26 Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27 Ad Zuiderent - Tuinpad 28 Jan Hanlo - Oote 29 Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30 Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31 Jacques Hamelink - Grijsaard 32 Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33 Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34 Ed. Hoornik - Overgang 35 Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36 Jan Kuijper - Statica 37 Lucebert - vrede 38 Lucebert - gedicht 39 Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40 Anthonie Donker - Achterbalcon 41 Gerrit Kouwenaar - men moet 42 Anneke Brassinga - Roeping 43 Jan Arends - drie gedichten 44 Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45 Ria Borkent - Sieraad 46 Simon Vestdijk - Het kind 47 Jac. van Hattum - Visvangst 48 Simon Vestdijk - De overlevende 49 Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50 Leo Vroman - Een boot 51 W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52 H. Marsman - 'Paradise regained' 53 Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54 Willem Jan Otten - Op zaal 55 Hester Knibbe - Vannacht 56 J. Slauerhoff - De ontdekker 57 J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58 J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59 J.H. Leopold - Regen 60 Jan G. Elburg - gelovig soms 61 J.C. Bloem - Insomnia 62 J.H. Leopold - Saadi 63 Anton Korteweg - Wij samen 64 Frederik van Eeden - De Waterlelie 65 Leo Vroman - Nacht 66 Hans Andreus - Laatste gedicht 67 Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68 Gerrit Komrij - Een gedicht 69 Gerrit Achterberg - Fotografie 70 Patty Scholten - De olifant 71 Leo Vroman - Voor wie dit leest 72 Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73 Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74 Gerrit Krol - Roodborstje 75 Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76 Co Woudsma - Thuis 77 Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78 Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79 Harmen Wind - Remedie 80 Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81 M. Vasalis - De idioot in het bad 82 Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83 A. Roland Holst - De ploeger 84 Hein Walter - Hestia 85 Paul van Ostaijen - Het dorp 86 Herman de Coninck - Voor mekaar 87 Hans Andreus - Liggen in de zon 88 Paul Marijnis - Bij een boeket 89 Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90 Chrétien Breukers - Een bericht 91 Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92 Leo Herberghs - Psalm 23 93 Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94 Esther Jansma - Raam in de lucht 95 Leo Vroman - Jeldican en het woord 96 Marc Tritsmans - Vermeer 97 Gust Gils - een minnend paar 98 Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99 J. Slauerhoff - Dit eiland 100 Hans Kloos - Panta rhei 101 Anna Enquist - Ineens 102 Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103 Guillaume van der Graft - Brood op de wereld

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).