Klassiekers (111)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

17 september 2008

Guillaume van der Graft - Vogels en vissen

* Een bespreking door Wilma van den Akker *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Vooraf

Waarschijnlijk is het maar weinig lezers opgevallen, maar de vorige aflevering werd als nummer 150 de wereld in gestuurd, een wel heel optimistische nummering. Omdat dit aflevering 111 is, had het natuurlijk 110 moeten zijn. Excuus. Buiten onze schuld ging er nog iets anders mis: om de een of andere reden werd de toezending aan abonnees met @home in hun adres geblokkeerd. Hopelijk gaat het nu wel goed.

De bespreking van 'Het leven in juni' van Marjoleine de Vos bracht Rob Wolters tot het volgende commentaar:
Opmerkelijk hoe Lambert Wierenga 'de interventie van de externe verteller' uitlegt. Hij ziet een omdraaiing van alles door de onverwachte externe belichting, hij ziet sereniteit en harmonie. Maar er staat: 'Dus ben ik alleen...in de wereld ... en in huis zit een man. Het woord 'en' is belangrijk hier; zij beseft haar eenzaamheid dus in en misschien wel juist door het besef dat er een man is. Eenzamer kan bijna niet. En die interventie van de externe verteller doet daar nog een schepje boven op. Hij laat de man vaststellen: 'dit is het leven', waarbij 'dit' slaat op het feit dat zij alleen is in die tuin; de man bevestigt juist indirect wat zij al vaststelt in strofe 1 en 2 . En de eenzaamheid wordt dan nog extra benadrukt met de laatste woorden: zij zit nog steeds in de tuin, er komt geen enkele verandering in de situatie van afscheiding, hetgeen suggereert dat het niet alleen zo was en is, maar ook altijd zo zal blijven. Voor mij wordt het gedicht er alleen maar mooier op.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2285 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 15 oktober 2008. Karin Doornik bespreekt dan Omdat wij zijn van Gabriël Smit.




Vogels en vissen

Ik zat in de bioscoop
en keek naar een film van Parijs
negentienhonderd.
De tijd werd spotgoedkoop
en de mensen leken niet wijs,
ik zag verwonderd
hoe men zich repte als vogels
op glad ijs,
de vrouwen het staartje omhoog,
de mannen de snavel omlaag,
   - het navelstaartje,
     het snavelbaardje -
wit waren de mensen en zwart
en met een veel vloeibaarder hart
dan wij die hard zijn en grijs.

Maar wij daarentegen,
wij bewegen
ons vloeiend als vissen van celluloid
zonder vleugelbeginsel
en zonder dracht van poten.

En ik bedacht:
ik ben zelf onverwachts
onder het ijs geschoten
van dit bevroren paradijs
waar men lacht om Parijs
negentienhonderd,

maar als ik weer opduik
en kom uit het wak van de Uitkijk
en sta op de Prinsengracht
onder de bomen,
dan kan ik me niet vergissen:
vogels en vissen
werden geschapen op één dag
en overmorgen zullen de mensen komen.


Guillaume van der Graft (1920)

Uit: Mythologisch. Gedichten, oud, nieuw en herzien, de Prom, Baarn 1997

Oorspronkelijk in: Vogels en vissen, de Windroos U.M. Holland, Amsterdam 1953




Enige tijd nadat het verzoek mij bereikte om een Meander Klassieker te schrijven, kwam bovenstaand gedicht mij voor de tweede keer onder ogen. Herinneringen aan de eerste keer dat ik het las deden mij besluiten om over dit gedicht te schrijven. De eerste keer moet rond 1975 zijn geweest, in de derde klas van het VWO. Het gedicht uit 1952 was toen blijkbaar al een klassieker. Ik was op die leeftijd nog niet heel erg geïnteresseerd in poëzie-analyse. Ik hing - net als veel medeleerlingen - de opvatting aan dat je gedichten stukmaakte door ze te analyseren. Er ging dan iets van de magie, de onbegrijpelijkheid verloren. Toch is deze les me wel bijgebleven. Wat ik me ervan herinner, is dat vogels en vissen een andere betekenis hadden dan de voor de hand liggende en verder het mooie woord 'celluloid,' dat aan oude films refereert.
Een gedicht dat blijft hangen in mijn geheugen wordt door mij persoonlijk als een klassieker beschouwd. Het heeft de tand des tijds doorstaan. Later heb ik hieraan andere criteria toegevoegd, zoals het kunnen oproepen van een sfeer, zonder deze heel nadrukkelijk te benoemen, en een zekere gelaagdheid. Verderop in deze bespreking zal blijken dat 'Vogels en vissen' ook ruimschoots aan deze criteria voldoet.

De tweede keer dat ik het gedicht las, kwam ik het tegen in een tweedehands boek: Langs straten en gedichten. Een bundel Amsterdamse poëzie, samengesteld door stadshistoricus Richter Roegholt. Het betrof een bloemlezing uit 1985 van Nederlandse gedichten waarin de stad Amsterdam op de een of andere manier een rol speelde. 'Vogels en vissen' werd hierin natuurlijk opgenomen vanwege het noemen van de bioscoop de Uitkijk op de Prinsengracht. Wie weet in hoeveel bloemlezingen en verzamelingen het gedicht nog meer is opgenomen, en om welke redenen?

Ik wend me nu tot het gedicht zelf en wil de bespreking ervan op een aantal niveaus aanpakken: klank-, woord- en betekenisniveau en sfeer.

KLANKNIVEAU
Het gedicht, dat oorspronkelijk uit twee strofen bestond (na de eerste was de rest samengevoegd), rijmt op een ongedwongen manier. Het rijmschema is interessant, omdat sommige eindrijmklanken uit de eerste strofe later herhaald worden: Parijs-wijs-ijs-grijs en paradijs-Parijs. De frase 'Parijs negentienhonderd' krijgt zo de functie van een soort keervers of refrein. In sommige regels wordt het eindrijm helemaal losgelaten, waardoor het gedicht heel natuurlijk leest. Gelukkig heeft Van der Graft niet gerijmd op 'celluloid' en 'vleugelbeginsel'. Dat zou heel geforceerd zijn geworden. Maar 'bioscoop' en 'spotgoedkoop' vind ik wel erg mooi gevonden. Evenals het onvergetelijk speelse duo navelstaartje/snavelbaardje. Verder hoor je door het gebruik van k's het ijs kraken in: /maar als ik weer opduik/ en kom uit het wak van de Uitkijk/. Van der Graft gebruikt taalklanken kunstig zonder op mij gekunsteld over te komen. Het blijft vloeiende taal, die mij doet glimlachen vanwege zijn speelsheid.

WOORDNIVEAU
In de hele bundel komen, evenals in het titelgedicht, veel vogels en vissen voor. De dichter moet een fascinatie hebben voor deze schepsels. Hij verzon er ook zelf, zoals de oost-indische inktvis[sic!] in het gedicht 'onder de bedden doorkijken'. De eerder genoemde combinatie 'navelstaartje' en 'snavelbaardje' komt eveneens uit zijn eigen koker. Hiermee verbindt hij ingenieus een tweetal delen van het menselijk lichaam (navel en baardje) met dierlijke onderdelen: snavel en staartje. Deze constructie loopt vooruit op de latere vaststelling dat mensen uit vogels en vissen zijn geëvolueerd, c.q. na hen geschapen zijn. Dat brengt me bij bijbelse begrippen die zelden ontbreken in de poëzie van deze dichter/predikant. Het woord 'geschapen' in de voorlaatste regel is een goed voorbeeld, dat ik onder het kopje 'betekenisniveau' verder onder de loep zal nemen.

BETEKENISNIVEAU
Het interessantste niveau van poëzie blijft voor mij het betekenisniveau, de inhoud. Misschien schop ik hiermee veel poëzieliefhebbers en dichters tegen de schenen, maar uiteindelijk is vorm, hoe knap geconstrueerd ook, voor mij verpakking. In bijzondere gevallen spelen klank, woordkeus en betekenis samen een boeiend spel. Maar vaak is inhoud, betekenis de bron waaruit een gedicht ontstaat. De dichter heeft een ingeving, een originele gedachte, of neemt iets waar, waardoor hij naar de pen grijpt of in zijn hoofd een notitie maakt om later uit te werken. Van der Graft beschrijft in dit gedicht letterlijk zo'n ervaring. 'Ik zat in de bioscoop', en 'En ik bedacht'. Hij kijkt naar de schokkerige beelden van de oude film en maakt een vergelijking van mensen met vogels en vissen. Hun bewegingen zijn onhandig, door de mode van rond 1900 lijkt het alsof de mannen snavels hebben en de vrouwen staarten. Maar dan bedenkt hij een aantal interessante tegenstellingen: het uiterlijk van mensen in die tijd was misschien wel houterig en ongenuanceerd (althans op het celluloid van de zwart-witfilm), maar hun innerlijk (hart) was veel vloeibaarder, dan dat van ons (de mensen uit de tijd van het gedicht) die vloeiender bewegen, maar hard zijn en grijs.
'Wij' worden ook met vissen (en impliciet met vogels) vergeleken, maar ondanks het feit dat we geen vleugelbeginsel hebben en geen poten, staan wij toch verder van ze af. Bij dat vleugelbeginsel en dracht van poten moest ik aan de evolutieleer denken. Volgens deze leer zijn wij immers uit vissen geëvolueerd, hebben we poten ontwikkeld en zijn we op het land gekropen. Andere dieren ontwikkelden vleugels en kozen het luchtruim. Maar daar zet Van der Graft mij op het verkeerde been, want hij weet het zeker als hij weer buiten staat na zijn bioscoopbezoek: twee dagen na de vogels en vissen (overmorgen) zijn de mensen geschapen. Dat is een overduidelijke verwijzing naar het scheppingsverhaal, waarin God op de vierde (of vijfde?) dag (onder andere) de vogels en vissen schiep en op de zesde dag de mens. Toch kan ik me ook voorstellen dat we hier 'overmorgen' niet al te letterlijk moeten nemen. Waar het om gaat, is dat Van der Graft een ontwikkeling in de tijd ziet, van vissen en vogels naar mensen. En blijkbaar is die overtuiging een stuk sterker als hij weer op straat staat en om zich heen kijkt.
Het verschil tussen de wereld op het celluloid uit negentienhonderd en de (voor de dichter) huidige wereld wordt nog eens versterkt door de rol van ijs. Het ijs (waaronder de dichter tijdelijk is geschoten) lijkt een scheiding te vormen tussen het verleden en het heden. Na enige tijd duikt hij weer op, in de wereld boven het ijs, tussen de bomen, Maar ook hier is het lastig om dat precies te bepalen. Immers: [in] dit bevroren paradijs [lacht men] om Parijs negentienhonderd. Hier lijkt het, alsof de mensen van 'heden' in het ijs gevangen zitten.

SFEER
Nauw verbonden met de betekenisinhoud is de sfeer. In meer gedichten maakt de dichter gebruik van de wereld onder water. Onder water gaan bewegingen wat trager en is het licht gefilterd. Water neemt de plaats in van lucht. Daardoor ontstaat een wat dromerige sfeer. Kijk bijvoorbeeld eens naar de eerste strofen van het gedicht 'Pril' (uit dezelfde bundel):

Ik werd wakker en de stad
was in een aquarium veranderd,
de bomen zweefden als waterplanten,
er werd naar adem gehapt:

nachtvissen die nog samenschoolden,
luchtbellen stegen omhoog,
in de oren van mijn hoofd
heetten ze vogels

(...)

Let ook hier op de vissen en de vogels. Hier bevindt de dichter zich alweer in een onderwaterwereld, evenals in de bioscoop, waar hij 'onder het ijs [was] geschoten.' Hij komt in een andere gemoedstoestand, dromerig, mijmerend en roept daarbij meesterlijk een geheel eigen sfeer op. Of mensen nu zijn geschapen na de vogels en de vissen, of dat ze eruit zijn geëvolueerd, die sfeer, gecombineerd met de speelsheid van de taal, maakt dit gedicht tot een ware klassieker, die hopelijk nog vaak zal opduiken.

Wilma van den Akker



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.