Klassiekers (114)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

10 december 2008

Tonnus Oosterhoff - De moy je m'épouvante

* Een bespreking door Jeroen Dera *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Vooraf

Als in de derde akte van Bizets opera Carmen het boerenmeisje Micaëla in een wilde bergstreek de schuilplaats van de smokkelaars heeft gevonden waar ook Don José verblijft, zingt zij haar mooie aria 'Je dis que rien ne m'épouvante'.
Gesteld dat Tonnus Oosterhoff een operaliefhebber is, is het een aantrekkelijke gedachte te veronderstellen dat hij tijdens het schrijven aan zijn gedicht 'De moy je m'épouvante' luidkeels heeft meegezongen, of tenminste de melodie heeft meegeneuried. Het zal wel niet. In ieder geval schrok Jeroen Dera er niet voor terug van dit gedicht een analyse te schrijven. Een boeiende tekst.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2298 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 24 december 2008. Lambert Wierenga bespreekt dan Mirjam van Patrick Lateur uit diens bundel Zeven vrouwen (1993).




De moy je m'épouvante

Ik verbrandt in mijn eigen vlam.

Ik schrik van mezelf als ik mezelf
in mijn dikke pak vet
zie opstaan uit een kring,
mezelf zie handenschudden,
luidruchtig kleiner worden.

Stearine fabeldier,
de hoorn de pit.

Een doorn verteren.
In een glimlach verdwijnen.
Een rug - een wang - toekeren.


Tonnus Oosterhoff (1953)

Uit: De ingeland, De Bezige Bij, Amsterdam 1993






Binnen de letterkundige neerlandistiek heeft Tonnus Oosterhoff zich de laatste jaren tot een icoon ontwikkeld. Zijn poëzie geldt als ontoegankelijk en (dus) de moeite van het onderzoeken waard, en zijn digitale experimenten met gedichten (zie www.tonnusoosterhoff.nl) wekken sterk de wetenschappelijke interesse. Experts scharen Oosterhoff onder de noemer van het postmodernisme, aangezien hij een spel speelt met dominante, modernistische leesconventies als coherentie en autonomie.

Predicaten als ‘ontoegankelijk’, ‘experimenteel’ en ‘postmodernistisch’ zijn exponenten van een discours waarin Oosterhoff een ‘moeilijk’ dichter wordt genoemd. Inderdaad laat hij zich niet gemakkelijk vangen. Yves T’Sjoen bracht hem al eens in verband met 'het scheve, het deviante, het abnormale, het gekke, het absurde' (in Stem en tegenstem. Over poëzie en poëtica., Amsterdam 2004, p. 101) en benadrukte daarmee hoe slecht zijn werk gerijmd kan worden met een als traditioneel beschouwde poëtica. Hier hebben we te maken met een dichter die zich aan alle vertrouwde patronen onttrekt.

Het nadeel van een al te sterke nadruk op Oosterhoffs moeilijkheidsgraad is dat die het zicht kan benemen op andere eigenschappen van zijn werk, zoals ontroering, originaliteit en herkenbaarheid. Anderzijds nodigt het idee dat deze dichter lastige poëzie schrijft uit tot gedetailleerde interpretaties van zijn werk, die de gemoederen van letterkundigen sterk bezig houden. Alleen al de vraag of Oosterhoff postmodernistisch mag worden genoemd, leidt tot debat: doe je een geraffineerde dichter als deze (of misschien zelfs poëten in het algemeen) niet tekort als je hem in een hokje stopt? Een ander vraagstuk betreft de status van intertekstualiteit in Oosterhoffs poëzie, waarover in de vakliteratuur uitvoerig geschreven is.
De Groningse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Gillis Dorleijn meent dat Oosterhoff verwijzingen naar andere teksten gebruikt om het schrijfproces te thematiseren, zonder dat deze een sturende richting geven aan de inhoud van de tekst. Zijn Nijmeegse collega Anja de Feijter daarentegen is van mening dat intertekstualiteit wel degelijk gebruikt kan worden als middel ten behoeve van tekstinterpretatie: volgens haar zijn Oosterhoffs gedichten beter te begrijpen, wanneer je ze leest met de aanwezige interteksten in je achterhoofd. (Wie deze conflicterende visies verder uitgewerkt wil zien, verwijs ik naar de bijdragen van Dorleijn en De Feijter in de bundel Een rijke bron: over poëzie, die in 2004 verscheen bij de Historische Uitgeverij te Groningen, onder redactie van Ad Zuiderent, Ena Jansen en Johan Koppenol.)

Het gedicht ‘De moy je m’épouvante’, dat Oosterhoff in 1993 opnam in zijn bundel De ingeland, is exemplarisch voor de hierboven geschetste typering van zijn poëtisch oeuvre. De Franse titel betekent vrij vertaald 'Mijzelve jaag ik schrik aan'. De openingsregel van het gedicht is bijzonder irrationeel door de foutieve werkwoordsvervoeging. Dit “ik verbrandt” suggereert dat het ik een ‘hij’ is, of – in de woorden van Rimbaud – ‘un autre’. De vlam waarin het lyrisch ik verbrandt, past goed in de metafoor waarop het grootste gedeelte van het gedicht gebouwd is: Oosterhoff stelt de ‘ik’ hier voor als een kaars.

Deze kaarsmetaforiek klinkt ook door in de tweede strofe van ‘De moy je m’épouvante’. De ‘ik’ spreekt over een dik pak vet, dat als kaarsvet geïnterpreteerd kan worden. Tegelijkertijd verwijst dit gedichtelement naar de menselijke vetlaag, die in de loop der tijd steeds dikker wordt. Deze worsteling met het ouder worden zien we in meer van Oosterhoffs gedichten terug. In zijn laatste bundel Ware grootte is bijvoorbeeld een gedicht opgenomen, waarin een man van zesenvijftig plotseling overlijdt. Dat de precieze leeftijd van de dichter tijdens het verschijnen van deze bundel hier niet veel van verschilde, mag geen toeval heten.
Opvallend aan de tweede strofe is de afstand die het lyrisch ik tot zichzelf reserveert. Hij staat niet op uit een kring mensen, maar ziet zichzelf opstaan, en precies zo ziet hij zichzelf handen schudden. Vanuit dit perspectief – dat het gedicht de dichter biedt – schrikt het ik van zichzelf: tussen de mensen is hij een vreemde; wordt hij kleiner en kleiner; wordt hij gereduceerd tot handenschudden. Een daadwerkelijk ‘ik’ blijft hier niet over: de eigen identiteit smelt langzaam weg, aangevreten door de vlam van de kaars die het ik uiteindelijk is.

In de derde strofe wordt de metaforiek gecompliceerder. De kaars, hiervoor uitgelegd als een metafoor voor het lyrisch ik, wordt hier op zijn beurt gelijkgesteld aan een eenhoorn. Oosterhoff creëert de voorstelling van een fabeldier dat gemaakt is van stearine, waarvan de hoorn als lont dient. Het is nogal raadselachtig waarom dit beeld in ‘De moy je m’épouvante’ wordt opgevoerd, maar er is een intertekst die opheldering biedt. De titel van het gedicht is namelijk ook die van een embleem uit 1701, waarop een eenhoorn staat afgebeeld die zijn eigen spiegelbeeld aanvalt – of juist in de veronderstelling verkeert dat het hém aanvalt. Het embleem staat afgebeeld in Jacobus Boschius’ Symbolographia en heeft als onderschrift ‘Monoceros impetens effigiem suam in aquis expressam’, wat vertaald kan worden als ‘De eenhoorn stormt af op zijn portret, dat is afgebeeld in het water’. Hier doet zich een interessante parallel voor met wat we in Oosterhoffs gedicht zien gebeuren: zoals de eenhoorn zijn spiegelbeeld aanvalt – en daarmee eigenlijk zichzelf – zo belegert de dichter in ‘De moy je m’épouvante’ zijn lyrisch ik, dat hij van op een afstandje aanschouwt. Dit ‘ik’ wordt een derde persoon enkelvoud dat wegsmelt in de taal.

In de laatste strofe van het gedicht keren we terug naar de handenschuddende man. Hij verteert doorns, of zou dat graag willen: hatelijkheden probeert of weet hij te doorstaan. We zien echter een man – een vrouw kan ook – die geheel ten onder gaat in de menigte. De ik-figuur verdwijnt in een glimlach; keert mensen de rug toe of wendt het hoofd af. Lezen we de strofe letterlijk, dan schetst Oosterhoff hierin de mens die faalt in het maken van contact. Trekken we de lijn van de aangevallen identiteit door, dan kan de slotregel gelezen worden als samenvatting van wat er in dit gedicht gebeurt: het lyrisch ik keert de lezer de rug toe en wendt zijn hoofd af. Zijn identiteit wordt uitgewist: de dichter valt zijn ‘ik’ aan met zijn taal en weet glimlachend te verdwijnen in zijn eigen woorden. Dat is de doorn die de lezer uiteindelijk zal moeten verteren.

Nu nog even terug naar de debatten rond Oosterhoff. ‘De moy je m’épouvante’ toont mijns inziens bij uitstek aan hoe moeilijk het is deze dichter te vangen in een zekere stroming. Wie Oosterhoff tot het postmodernisme wil rekenen, zoals dat bijvoorbeeld gedefinieerd is door Vaessens en Joosten in Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen (Nijmegen 2003), vindt een argument in de uitwissing en ongrijpbaarheid van het ‘ik’ dat typisch is voor postmoderne gedichten. Op basis van het embleem, een intertekst die op een hoger abstractieniveau coherentie biedt, zou je echter kunnen stellen dat Oosterhoff niet in te passen is in de postmoderne traditie, waarin coherentie als organiserend principe voortdurend wordt ondermijnd. In dit ene gedicht onttrekt de dichter zich aan alle constructies waarmee de letterkundige hem probeert te vangen.

Wat moeten we dus met die Oosterhoff? Laten we vooral vaststellen dat zijn poëzie fascineert. Zelfs als fabeldier van kaarsvet weet deze dichter ons te boeien.

Jeroen Dera



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.