Klassiekers (121)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

17 juni 2009

Hester Knibbe - Psalm 4631

* Een bespreking door Inge Boulonois *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (2), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (3), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (1), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (2), Lambert Wierenga (8), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

Vooraf

Naar aanleiding van de vorige aflevering schreef S.L. van IJsseldijk-v.d.Meulen: "Met veel belangstelling heb ik Ivan Sacharovs beschouwing over Kester Freriks' gedicht 'Sprookje' gelezen. Wordt deze voor mij onbekende schrijver tot de klassiekers gerekend? Al zou dit niet het geval zijn: zijn prozaïsche poëzie heeft mij zeer ontroerd, vooral nadat ik de bespreking had gelezen. Zouden er meer abonnees zijn, die dezelfde emotie voelen?"



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2340 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 15 juli 2009. Karin Doornik bespreekt dan Zelfkant van Simon Vestdijk uit de bundel Kind van stad en land (1936).




Psalm 4631

In mijn nood roep ik
niet en tot niemand, ik zwijg; wie na zoveel
zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen
en klagen, om blad dat voortijdig
te gronde, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos
staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt
zijn maar waardig hoog
en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich
hechten aan hem en alle gebed
wordt gesmoord in de aarde.


Hester Knibbe (1946)

Uit: Verstoorde grond, de Prom, Baarn, 2002



Zeer recent, op 23 mei 2009, ontving Hester Knibbe (Harderwijk 1946) de driejaarlijkse A. Roland Holstprijs voor poëzie. Deze is, zo bepaalde het A. Roland Holst Fonds bij de instelling in 1986, bedoeld voor werk dat zo ver ontwikkeld is dat het een eigen gezicht heeft en bovendien potentie tot groei bezit. De jury onder voorzitterschap van Tom van Deel prees Knibbe’s werk als poging om in taal vat te krijgen op het grensgebied tussen leven en dood. ‘Kwetsbaarheid is haar basso continuo. Dat wekt de schijn van bescheidenheid, maar in haar woordkeus en toonzetting toont de dichteres poëtisch meesterschap’, aldus Van Deel. Op dezelfde dag bracht De Arbeiderspers onder de titel Oogsteen een keuze uit Knibbe’s gedichten van 1982 tot en met 2009 uit.
De oeuvreprijs vormde ook aanleiding tot deze analyse. Het is de tweede die we aan deze dichteres wijden. In Meander Klassiekers 55, alweer vijf jaar geleden, werd ‘Vannacht’ uit Een hemd van vlees (De Prom, 1994) besproken. Bovenstaand gedicht schreef Knibbe indertijd op verzoek van het literair tijdschrift Liter. Ook al suggereren titel en eerste regel een echte psalmos of harpzang, een bijbels exemplaar is het natuurlijk niet; halleluja-psalm 150 is echt de laatste.
Het schrijven van een nieuwe psalm is geen noviteit. Zowel Ron Elshout als Rob Schouten waagden zich aan een Psalm 151 en Hedwig Speliers schreef zijn Apocriefe Psalm. Half mei droeg onze Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr bij de opening van de Calvijntentoonstelling zijn ‘Psalm voor een afkomst’ voor. Vanwege vermeende blasfemie viel deze niet bij iedereen in goede aarde…

In haar nood roept de ik-figuur, zo leert regel twee van Psalm 4631 ons na het enjambement, 'niet En tot niemand', met het gewicht van het assonerende allitererende nie. Een abrupte, onverwachte wending. Het is dan ook een antipsalm. Het lyrisch subject valt hier samen met de dichteres wier zoon in 1999 op negenentwintigjarige leeftijd aan een hersentumor overleed. ‘Het’, in deze analyse voor het gemak ook met ’ze’ aangeduid, zwijgt. In deze psalmische context zwijgt ze naar God toe; Knibbe onthulde in een interview christelijk te zijn opgevoed. Ze sprak zich over dat hartverscheurende persoonlijke drama wél uit. Op papier. Voor zichzelf, en impliciet naar ons, lezers.

‘Schreeuwen’, een veel heftiger werkwoord dan ‘roepen’, heeft ze verleerd. De witregel na ‘schreeuwen’ lijkt haast ruimte te bieden voor een Munchiaanse echo. In 'wie na zoveel/ zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen// verleerd' – met assonerende ee-klank – reveleert ze de reden van het zwijgen met een beroep op de ‘logica’ van ons gevoel. Wie zou in zulke omstandigheden wél blijven schreeuwen? Het betrekkelijk voornaamwoord 'wie' heeft hier zowel de betekenis van een algemeen 'al wie' als een verbijzonderend 'degene die' (betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent), waardoor het direct op de ik zelf betrekking heeft. ‘Zand erover’ betekent figuurlijk: laten we er niet verder over spreken. In letterlijke zin verwijst het naar het zand op de kist, naar het graf van haar zoon. Zo’n combinatie van letterlijke en figuurlijke betekenis hoort tot de ‘parafernalia’ van Knibbe’s poëzie.

Drie keer, met de kracht van omne trinum perfectum, passeert ‘laat’ ons oog. De lamenterend klinkende lange aa resoneert tussendoor in ‘staan’ en ‘schaduw’. De incantorische imperatief van ‘laten’ ademt zo een atmosfeer van verlatenheid. Het lyrisch subject kijkt naar een eik aan wie ze het klagen overlaat terwijl zij woordeloos in zijn schaduw staat. 'Laat de eik maar kreunen/ en klagen,' een lamento versterkt door zowel het enjambement als de tautologie. Deze boom met zijn harde hout symboliseert duurzaamheid en onwrikbaarheid. 'Blad dat voortijdig/ te gronde' refereert aan het tegennatuurlijke feit van het verlies van haar zoon; het enjambement accentueert de voortijdigheid.
De tak, eveneens verwijzend naar haar zoon, is met een pijnlijke beweging van de (moederlijke stam-) boom ‘afgerukt’. In ‘te gronde’ speelt naast de betekenis van ‘vergaan’ ook ‘de grond’ als bodem, dus weer het graf, mee. 'Laat mij woordeloos/ staan in zijn schaduw.' De dichter spreekt niet meer met God die dit haar heeft aangedaan. 'Woordeloos’ vind ik hier een geslaagd woord. Erin zit namelijk ‘woord’ dat, primordiaal althans en met een hoofdletter, slaat op het spreken van God en als personificatie samenvalt met zijn zoon Jezus. Dit geeft het zwijgen een diepere dimensie. ‘Schaduw’ werd indertijd al door Rhijnvis Feith gebruikt als beeld van vergankelijkheid in: uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen. Het betekent ook ‘duisternis’. M.a.w. de ik-figuur staat in de schaduw van de boom met het donkere gevoel dat de dood van haar zoon teweegbracht. Bijbels geïnterpreteerd is ‘schaduw’ juist bescherming, zoals ‘in de schaduw van Gods vleugels’. Maar dat ervaart het lyrisch subject niet.

'Laat/mijn zwijgen niet klein en gebukt/ zijn maar waardig hoog en breed als de kroon van de boom' luidt strofe vier. ‘Klein en gebukt’ wekt associaties op met nederigheid, met de ootmoed van een mens die weet dat hij/zij uiteindelijk niet over de grote dingen in het leven beslist. We zijn immers ‘als gras’. De dichter wil het liefst 'waardig hoog en breed zijn als de kroon van de boom'. Statig wil ze zijn alsof er niets is gebeurd. De boom mag kreunen, zij niet. Alsof de dichter zich niet klein wil laten krijgen. De slotstrofe 'nu zijn wortels en stilte zich/ hechten aan hem en alle gebed/ wordt gesmoord in de aarde.' suggereert dat de ik-figuur voorheen gebeden heeft, maar uit het feit dat de zoon desondanks overleed, heeft afgeleid dat bidden niets hielp en er daarom mee stopte. De wortels en de stilte van de boom hechten zich aan ‘hem’, waarmee de zoon zal worden bedoeld die ook in de aarde ligt. Zijn dood heeft alle gebed gesmoord. Genezing zou mogelijk reden zijn geweest om zich aan God te hechten en te blijven bidden, maar de dood niet.

Formeel is Psalm 4631 een vrij vers, net als bijbelse psalmen zonder eindrijm. Knibbe’s taal is puntig. Het is een ‘gebalde’ tekst. Wat de dichter als moeder is aangedaan, heeft haar gebed gesmoord. Het synthetisch parallellisme, evenals andere vormen van parallellismen een bekende Hebreeuwse stijlfiguur, treffen we aan in de tweede strofe; de kreunende eik wordt nader geconcretiseerd door gevallen blad, door de afgerukte tak. Alle regels in het vers enjamberen wat spanning genereert. Zouden we uitsluitend de interpunctie volgen en na een komma, puntkomma of punt met een nieuwe regel beginnen, dan zou het gedicht veel minder geladen klinken.
Drie zinnen en vijf strofen tellen we. De vorm is verticaal symmetrisch: twee terzinen, een distichon en weer twee terzinen. De middelste strofe geeft de essentie weer: het dichterlijk ik staat woordeloos in de schaduw omdat haar zoon het leven is ontnomen. De witregels geven hier de inhoud ruimte en de dichter lucht. Niet alleen de lange klinkers ee en aa maar ook de oo in ‘nood’, ‘woordeloos’, ‘hoog’ enzovoorts versterken de klaaglijke inhoud. Het metrum is anapestisch; de klinkers van kernwoorden als ‘nood’,‘niet’ en ‘niemand’, ‘zwijg’, ‘gesmoord’ krijgen daarin een heffing. De antimetrie in 'stam/afgerukt' geeft de crue inhoud reliëf.

Waarom koos Hester Knibbe voor nummer 4631 als psalmnummer? Waarom niet ook 151? Of desnoods 1000. Ik vermoed om te benadrukken dat het, anders dan in bijbelse psalmen, niet over een of ander algemeen onheil gaat, maar over een specifiek persoonlijk drama. Het is het grafnummer van Knibbe’s zoon.


In de vorig jaar verschenen bundel Bedrieglijke dagen (De Arbeiderspers, 2008) staat als laatste dit titelloze gedicht; de cursivering is hier van Knibbe.

     Zo heb je het zelden: turksblauw
     de zee met daarboven geen wolkje
     van witwas of roet in het eten,

     van honing het strand met hooguit
     wat stenen die je voetzolen lichten en
     tenen doen krommen, achter je rug

     een grillige kom met huizen melkwit
     in een middag die schift van een hitte
     waar stilte in klontert. Alles klopt

     als een wonder, een zwerende
     vinger, een ansicht.



Inge Boulonois



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.