Klassiekers (122)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

15 juli 2009

Simon Vestdijk - Zelfkant

* Een bespreking door Karin Doornik *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (2), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (1), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (2), Lambert Wierenga (8), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

Vooraf

In de vorige aflevering werd 'Psalm 4631' van Hester Knibbe besproken. Lambert Wierenga, zelf medewerker aan de Klassiekers, stuurde de volgende reactie:
Een indrukwekkend gedicht, dat van Hester Knibbe. En een al even indrukwekkende analyse ervan van de hand van Inge Boulonois! Vooral de uitsmijter daarvan kwam bij mij aan als een goed getimede dreun. Een paar opmerkingen in de marge van de bespreking.
1. Bij alle actuele innovaties met psalmen verdient ook De Psalmen in de bewerking van LLoyd Haft (Ida Gerhardtprijs 2004) het te worden vermeld.
2. Het zou, in het intertekstuele kader van bijbelse literatuur dat Inge Boulonois schetst, te overwegen zijn dat niet het 'boek der psalmen' de primaire referentie van Knibbe is, maar de zogenaamde 'Psalm van Jona', uit Jona 2:3. Deze begint in de meeste vertalingen, anders dan die van de meeste psalmen, ook met “In mijn nood roep ik…”, op het moment dat de hoofdfiguur Jona, opgeslokt door de grote vis, zich in het dodenrijk weet. Juist het enjambement van de eerste naar de tweede regel wekt éven de suggestie dat er tot iemand wordt geroepen. Zoals door Jona.  
3. De bijbelse intertekst zou misschien ook te vinden zijn in “… schaduw …”. Maar die referentie is sterk ambivalent: ‘schaduw’ kan in de psalmenliteratuur verwijzen naar ‘bescherming’ (Psalm 17:8; 91:1; 121:5), maar ook van ‘sterfelijkheid’ en ‘dood’ (Psalm 39:7). Die overweging maakt het gedicht extra schrijnend: “Geen stem, en geen antwoorder” (ook een bijbelcitaat). In bevindelijke taal wordt de uitdrukking 'Door het dal van de schaduwen des doods' gebruikt om doodsangst onder woorden te brengen.
4. Zijn ‘kreunen’ en ‘klagen’ een tautologisch koppel? Ik zou het eerder als een synoniemenpaar zien, gecombineerd in een welsprekend ‘binoom’. Bijna als termen in een metonymische relatie: het ‘kreunen’ als manifestatie van ‘klagen’. Helemaal, zoals Inge Boulonois onderstreept, in het kader van een lamento!

Nawoord Inge Boulonois:
Mijn dank aan Lambert Wieringa voor zijn gewaardeerde kanttekeningen! Graag reageer ik erop.

In nummer 89 van Meander Klassiekers staat mijn bespreking van ‘Naar Psalm 1’ uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (Querido, 2003). Daarin besteed ik al de nodige aandacht aan zijn psalmvernieuwingen; ook is te lezen dat Haft in 2004 voor de genoemde bundel de Ida Gerhardt Poëzie Prijs ontving. In de nieuwe Klassieker had ik daar even naar kunnen verwijzen.

Wieringa werpt op dat Knibbe’s psalm geïnspireerd zou kunnen zijn door de Jona-psalm (3:2). Het begin, ‘In mijn nood roep ik de Heer aan’, doet daar natuurlijk sterk aan denken. Tijdens het schrijven van de analyse heb ik met Psalm 4631 in mijn hoofd in het psalmboek gebladerd, op zoek naar een exemplaar dat Knibbe als primaire bron zou kunnen hebben gebruikt. Van dat idee ben ik echter afgestapt.
Ten eerste wemelt dat boek van aanroepen van de Heer bij kommer en kwel. Aanzienlijk minder frequent trouwens als opmaat. In de katholieke editie van de Nieuwe Bijbelvertaling zien we een initiële aanroep in de nummers 28 (‘U, Heer, roep ik aan’), 120 (‘Roep ik in mijn nood tot de Heer’), 130 (‘Uit de diepte roep ik tot u, Heer’ ), 141 (‘Heer, u roep ik aan, kom mij te hulp’) en 142 (‘Luid roep ik tot de Heer’). Het woord ‘nood’ komt in die regel alleen in Psalm 120 voor. Maar dat is een pelgrimslied waarin het lyrisch subject de Heer vraagt hem te bevrijden van leugenaars en bedriegers, m.a.w. een volstrekt andere situatie dan  in Psalm 4631. Mijn kennis over het gelaagde wijsheidsverhaal Jona - en dus ook over zijn psalm - schiet echter te kort om de inhoud met die van Knibbe te kunnen vergelijken, nog afgezien van de vraag of ik al doende niet te veel van het eigenlijke onderwerp zou afdwalen.
Niet uitsluitend de eerste regel evoceert allerlei bijbelteksten, ook de boom doet dat. Ik beperk mij tot één opvallend voorbeeld. Bij de eik in Knibbe’s tweede strofe moest ik denken aan Genesis 35:8 waar de voedster van Rebekka onder zo’n boom wordt begraven die daarom ‘Eik van geween’ werd genoemd. Alles bij elkaar genomen besloot ik toen geen specifieke suggestie te doen over de primaire referentie.
Mooi trouwens dat Wieringa weer de aandacht vestigt op de suggestieve kracht van het enjambement van de eerste naar de tweede regel: in haar nood roept ze wel en niet…Inderdaad is Knibbe’s psalm een indrukwekkend gedicht!

Terecht stelt Wieringa dat de symboliek van ‘schaduw’ in bijbelse optiek ambivalent is. Niet alleen is het de beschermer van leven, immers ze beschut tegen zon en hitte, 'schaduw’ komt eveneens voor als beeld van vergankelijkheid. Zo doelt de lange schaduw ’s avonds bij de verzinkende zon in Psalm 109:23 op het levenseinde. Maar grosso modo heeft het woord in de bijbel een positieve betekenis en in die mening weet ik Den Heyer en Schelling in hun gedegen naslagwerk Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis (Meinema, 2000) aan mijn zij. Omdat het bij Knibbe om de schaduw van een boom gaat, vond ik dat de van de originele betekenis gededuceerde positieve kant - sub umbra alarum Tuarum - benadrukt moest worden.

Als laatste punt het ‘binomium’ van ‘kreunen’ en ‘klagen. Van Dale geeft bij het lemma ‘kreunen’: een zacht klagend geluid maken (gewoonlijk met gesloten of nauwelijks geopende mond), zacht kermen. Strikt beschouwd kun je het metonymie noemen: ‘kreunen’ danwel ‘zacht kermen’ als manifestatie van ‘klagen’. In de syntactische equivalentie bij Knibbe lag voor mij tautologie meer voor de hand.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2350 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 12 augustus 2009. Wim Kleisen bespreekt dan De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff uit de bundel Nieuwe Gedichten (1934).




Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van blekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van dromen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.


Simon Vestdijk (1898 - 1971)

Uit: Verzamelde gedichten dl. I, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Bert Bakker, De Bezige Bij, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam - ‘s-Gravenhage 1971.
Oorspronkelijk in Kind van stad en land, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam 1936
Eerste publicatie in De Gids, 1933, III, p. 187



Het zal weinigen zijn ontgaan: Martin Bril, onze chroniqueur van het alledaagse in Nederland, is op 22 april jl. overleden. Over zijn columns kan men van mening verschillen: sommigen zullen ze misschien qua vorm en inhoud te plat vinden, anderen roemen zijn uitgeklede stijl. Over de impact van zijn stukjes kunnen we het eens zijn: duizenden Nederlandse krantenlezers zullen de columns en de schrijver missen.

Aan deze veel te vroeg overleden schrijver moet ik denken als ik het gedicht 'Zelfkant' van Simon Vestdijk lees. Dit gedicht voert ons dan wel zo’n zeventig jaar terug in de tijd, maar het gaat eveneens over dagelijkse beelden met dezelfde alledaagse kleuren beschreven, zoals Bril die in zijn columns verwerkte.
In dit gedicht gaat het dan niet om een lege rotonde, maar om dokspoorlijnen, niet om Brils geliefde Volvo, ook al een klassieker, maar over de walm van een stoomtram.

INHOUD
In de eerste strofe zet Vestdijk ons even op het verkeerde been met het woord ‘weidewinden’: het wasgoed kan heel goed in stadse straten of stegen hangen, in ieder geval niet boven groene weiden, de wind komt er slechts vandaan en is bovendien vaag. In de derde en vierde regel krijgen we echter een sterk beeld: dat van fabrieksterreinen met hier en daar een strookje gras. Het woord ‘lorrie’ lijkt bijna negentiende-eeuws maar blijkt in de eerste editie van de Van Dale uit 1864 nog niet voor te komen. Het is een laag en vlak dienstwagentje dat op de rails met de hand of met een hefboomstang wordt voortbewogen.
Het houdt direct verband met de in de eerste regel van de tweede strofe genoemde ‘dokspoorlijnen’, een woord dat niet in de Van Dale is opgenomen, maar alleen te vinden is bij een website als Transport.nl. Ik neem aan dat de dichter hier een gebied beschrijft dat vlak bij een haven ligt. Die lorrie die op die rails rijdt, is bevracht met een geheim. Dat blijft voor de lezer, althans voor mij, net zo raadselachtig als het misschien bedoeld is door de dichter. Tweede regel: ‘het leven slijt’ geeft het beeld van de berustende arbeider, die zwaar werk moet doen. De ‘ik’ in het gedicht weet hoe zo’n leven eruitziet, maar is het ook de ‘ik’ die daar rondzwerft. Of heeft ‘zwervend’ betrekking op iedereen die op die manier verzeild raakt in dit gebied?
Derde strofe: De walm van de stoomtram is goed voor te stellen, ook in onze tijd. De blekerij zal ook een kleine fabriek geweest zijn waar stoom werd gebruikt, een industrietak die destijds al aan het uitsterven was., evenals de schelpenbranderij (kalkoven). De ‘ik’ stelt dat die walmen tot dromen aanstichten. Dit lijkt me in tegenspraak met het niet-leven uit de tweede strofe. Iemand die nog dromen kan hebben, leeft wel degelijk. Of is het hier weer de dichter zelf die inspiratie vindt in op fabrieksterreinen?
Tot slot het aandoenlijke kalf aan het einde van dit sonnet. Is het zwart van nature of is zijn vel vervuild door industrierook? Hier hebben we dan toch een echt weitje, helemaal aan de rand van een fabrieksterrein. Het wordt door een ‘onverhoopt’ gedicht bevrijd. Inderdaad verrassend, want de omgeving waarin het kalf zich bevindt, is allesbehalve poëtisch. Het vormt één beeld met de sintels, dit is mooi verwoord, door de dubbele laag. Het kalf is zwart, de sintels zijn ook zwart, dus letterlijk valt dit beeld samen en tegelijkertijd is het juist bijzonder dat het kalf en de sintels samen in een gedicht terechtkomen. Deze regel bevestigt nog eens het thema van dit gedicht: de halflandelijkheid.

VORM
Het gedicht is een sonnet, waarbij in de eerste twee kwatrijnen consequent de ij-klank wordt gebruikt, mannelijk en vrouwelijk rijm wisselen elkaar af in het schema ABBA – BAAB. In de twee terzetten gebruikt de dichter nog twee klanken: ACD – CAD. Elke regel begint met een hoofdletter. Als het gedicht actueel was geweest en met een tekstverwerker gemaakt zou zijn dan lijkt het alsof de dichter een van de, soms hinderlijk automatische, functies van Word niet heeft uitgeschakeld.
Louter voor de vorm is er een scheiding tussen de twee kwatrijnen, want de laatste regel van de eerste strofe en de eerste regel van de tweede strofe lopen in elkaar over. De terzetten vormen wel elk een eenheid, ondanks de komma achter ‘dromen’ (regel 11) en het woord ‘En’ (regel 12).


***

In zijn Verantwoording bij de driedelige uitgave van Vestdijks Verzamelde gedichten tekent Martin Hartkamp aan dat 'Zelfkant' voor het eerst verscheen in De Gids van 1933 (III, p. 187). Het stamt uit een periode [1930-1932] waarover Vestdijk zelf zei: 'In anderhalf jaar heb ik poëzie geschreven voor zes bundels, een soort uitbarsting dus.'
Een van die bundels werd dus Kind van stad en land.
De tekst in de Verzamelde gedichten volgt die uit Een op zeven (Een keuze uit de gedichten, Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam - 's-Gravenhage 1955); deze heeft t.a.v. de tekst uit Kind van stad en land een kleine verandering in r. 6. 'Want ‘k weet, er is daar waar men 't leven slijt' werd: 'Want ‘k weet, er is waar men het leven slijt'
Voor deze Klassieker werd de spelling gemoderniseerd: wasgoed, tussen, blekerij, dromen, i.p.v. waschgoed, tusschen, bleekerij, droomen.

T.a.v. de oorspronkelijke Gids-versie (zie hieronder) zijn er verschillen in zes regels, alle in het octaaf.


Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland’lijkheid:
Van 't gras, dat arm'lijk op fabrieksterreinen
Groeit; van de weidewinden, die met lijnen
Vol waschgoed spelen; waar de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want ‘k weet, dat ik waar men het leven slijt
En toch niet leven kan, meer eenzaamheid
Zal vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,

En ’t zwarte kalf in ’t weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.



Karin Doornik



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.