Klassiekers (123)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

12 augustus 2009

Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw

* Een bespreking door Wim Kleisen *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (2), Inge Boulonois (17), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (1), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (2), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (6), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (2), Lambert Wierenga (8), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

Vooraf

Op de vorige aflevering kwamen twee reacties binnen. Ze volgen hier onverkort.
August Agasi schreef:
Iemand die droomt, leeft, aldus Karin Doornik. Vestdijk leefde alleen in dromen. (Op zijn uitvaart werd een Rückertlied ten gehore gebracht: “Ich leb allein (sic) in meinem Himmel, in meinem Lieben, in meinem Lied.”) In een niet-geïdealiseerde wereld (“fabrieksterreinen”) valt immers niet te leven, je “slijt” het slechts (van Dale: eentonig doorbrengen). Maar evenals bij “’t zwarte kalf” is bevrijding mogelijk door het gedicht (“Lied”). (Wat de auteur betreft trouwens ook door de liefde, trouwde deze niet op ver gevorderde leeftijd nog een jonge vrouw?)
Het levensgevoel in Zelfkant werd in die tijd ook door Bloem geventileerd, in zijn November (1931): “Verloren zijn de prille wegen om te ontkomen aan de tijd ( )”, waarin de prille wegen opgevat kunnen worden als het jeudige dromen. (En misschien ook de paradijselijke kindertijd, die wreed verstoord werd door de plotselinge financiële neergang van het gezin Bloem.) Evoceert “de walm van stoomtram” mogelijk Vestdijks jeugdliefde uit Lahringen, in Bloems verzen schittert de liefde door afwezigheid. Weer overeenkomstig is dat ook Bloem niet op pure natuur gesteld was: “Natuur is voor de tevredenen of legen.” en “Geef mij de grauwe stedelijke wegen, ( )”, twee regels uit De Dapperstraat. (1945).
Of de door Karin Doornik geïmplanteerde arbeider berust, is de vraag, maar de “ik“weet wel dat je je nergens zo eenzaam kunt voelen als “waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt”. Gaat de “ik” kort door de bocht door aan te nemen dat daar niet geleefd wordt, de schrijver erachter dreigt in ieder geval niet uit de bocht te vliegen door zijn “ik” eenduidig uit eigen ervaring te laten uitspreken dat je je nooit zo eenzaam voelt als je je leven slijt zonder te leven. Terecht vraagt Karin Doornik zich af of het wel de “ik” is die rondzwerft. (Vestdijk was niet zo mededeelzaam. Toen hij in een radiovraaggesprek met Nol Gregoor liet ontsnappen dat hij schreef om niet te hoeven leven, stond de volgende dag een kop in de krant: “Vestdijks kluis op een kier”.)
Ook vormtechnisch valt “van vage weidewinden” op, een neologisme met binnenrijm en ook nog voorafgegaan door binnenrijm. Een erfenisje van de Tachtigers? Trouwens in het hele octaaf allittereren de aanvangsletters –v en –w. Naast het al genoemde rijmschema valt op te merken dat daarmee een consequent aantal van vijf versvoeten correspondeert, met per regel tien of elf klinkers al naargelang het om staand of slepend rijm gaat. Inderdaad is de scheiding tussen de twee kwatrijnen louter voor de vorm, een knieval voor de traditie van het sonnet. Maar aanknopend bij de observatie van Karin Doornik dat de twee terzetten elk een eigen eenheid vormen ondanks de komma tussen beide, en een punt lezend zowel achter het octaaf als het sextet, vraag ik mij af waarom de dichter na de eerste regel van het tweede kwatrijn geen komma heeft gezet in plaats van een punt. Een provocatie soms, tenslotte was Vestdijk een hoogbegaafd stilist? Fraai is het niet om het octaaf, dat eveneens inhoudelijk in twee delen uiteenvalt, exposé en reflectie, pas te splitsen een regel ver in het tweede kwatrijn en dit nog te benadrukken met een punt. Vervanging door een komma is goed mogelijk, corrigeert cosmetisch dit inlijven van de eerste regel enigszins. Voorts wint het sonnet aan symmetrie: twee zinnen verdeeld tussen octaaf en sextet.
Maar heeft mijn lievelingsgedicht met zijn sterke beelden, nostalgisch vergezicht en metafysische bevrijdingsact wel een visagist nodig?

Ook Thierry Timmermans nam de tijd voor een uitgebreid commentaar:
Dank voor deze mooie klassieker, die ik niet kende en die ik graag meeneem als klein viaticum. Het nodigt me uit tot de volgende repliek. 
Het woordje “zelfkant” heeft me altijd gefascineerd. Kan men het horen zonder die connotatie van identiteit (“zelf”), wel te verstaan als aanzet tot identiteitsverlies ? “Zelfkant” doelt op verdringing naar de rand. Van de samenleving. Of van jezelf. Het Vlaams kent de zeer courante uitdrukking “van zijn zelve vallen”: bewusteloos worden (alsof je in het Vlaams uit jezelf kon tuimelen). Zelfkant duidt alleszins op “weg van het centrum”, weg van de kern waar alles betekenis heeft, doelmatigheid kent en waarde bekleedt.
  Dit gedicht gaat volgens mij over de vraag: wat is nog de moeite waard om er een gedicht aan te wijden, als het centrum (de kern) wegvalt ? Sommigen zullen dan teruggrijpen naar dramatische woorden, zoals “bergen of ravijnen” – de leegte vullen (en dus verloochenen) met de romantische topoi van de Weltschmerz (de bodemloze afgrond van het bestaan, en andere breedspraak); of ze zullen het laten transcenderen in thijmgeur. Anderen weten beter. Ik herinner me een vers van Faverey: “veel meer dan hier is er niet”. Woorden van een mens die “het leven slijt en (weet dat hij) toch niet leeft”. Denk ook aan Eugenio Montale, terugblikkend op zijn leven: “ik leefde niet meer dan vijf procent, vergroot de dosis niet”.
  Kiezen voor de zelfkant (en er gaandeweg van houden) herleidt de blik tot een nieuwe essentie. Men leert ontvankelijk worden voor wat zich nog ternauwernood als betekenisvol wil aandienen, in een niet langer gedetermineerde ruimte: “halflandelijk”. Ik hoor het woord als “halfslachtig”, als iets wat niet langer is voorbestemd om naadloos te functioneren; als iets wat, tussen twee afgebakende ruimten in, niet langer aanspraak op eigenheid kan maken. Marc Augé noemt dat “le non-lieu”; Peter Handke heeft er zijn meeste boeken aan gewijd (o.a. in zijn summa poetica “Der Bildverlust”). De zelfkant gaat bijgevolg zijn genius loci in louter toeval zoeken.
  Wat blijft (wat overblijft) stichten de dichters. Men tekent een denkbeeldig kader rond wat zich toevallig aandient en wat aanstuurt op – toch nog – something that makes sense. Vage weidewind die valt in opgehangen wasgoed (nee, er staat letterlijk: de winden spelen met lijnen vol wasgoed, als op een notenblak, als door een windharp); fabrieksterreinen met armelijk gras (zoveel mooier dan arm, of armtierig, of pover, of schamel – gras kan niet anders dan armelijk zijn); een lorrie die door het versnipperde landschap trekt en het geheim van dit moment (van dit beeld, dat is gezien), vol-ledig houdt.
  Sommigen zoeken naar eenzaamheid, zoeken naar (“poëtische”) landschappen waarin ze hun eenzaamheid willen verheerlijken. Anderen worden door eenzamheid gevonden, en brengen haar een stille hommage in een onverhoopt gedicht. Armemensendroom, gemaakt van sintels – kleine glinsters in het verkoolde.
  Heeft zo’n beeld met sintels iets vandoen met versbouw ? Bij Vestdijk kennelijk wel. Het is zijn “politesse du désespoir”.




De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2350 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 16 september 2009. Lambert Wierenga bespreekt dan Halverwege, de liefde van Michaël Zeeman.




De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.


Martinus Nijhoff (1894 - 1953)

Uit: Verzamelde Gedichten, Bert Bakker, Den Haag, 4de dr. 1974
Oorspronkelijk in: Nieuwe Gedichten, 1934.



VERKENNING
Een dichter is geen filosoof en een filosoof is geen dichter. Toch zijn er dichters die filosofisch zijn. In onze dichtkunst is een spoor van zulke dichters te trekken. Naar mijn mening behoort Nijhoff tot hen. Op 3 april 1934 fietsten de toen bekende clavecinist Hans Philips en Martinus Nijhoff van Utrecht naar Jutphaas. Hun gesprek kwam – misschien door het in dat jaar verschenen De Waterman van Arthur van Schendel, dat zich gedeeltelijk in Zaltbommel afspeelt – op het feit dat de binnenvaart zelden als thema in de literatuur is gebruikt. Philips vertelde dat hij op de Tweede Kerstdag 1933 met zijn hondje op de Waalbrug *) bij Zaltbommel wandelde en dat hij daar ineens op die grote, lege rivier een schip zag aankomen, waarop een vrouw, alleen aan dek, psalmen stond te zingen. Ook vertelde hij dat hij tijdens een andere wandeling bij de sluizen in Vreeswijk een vrouw had gezien, die sprekend leek op zijn (Philips’) moeder. Nijhoff zei niets, glimlachte alleen, maar legde veertien dagen later zijn vriend dit gedicht voor. Voor wie bij een ik-figuur onmiddellijk aan een autobiografisch gedicht denkt, is dit misschien een teleurstellend feit; Nijhoff was zeer gehecht aan zijn moeder en in dit gedicht las men graag zijn verlangen naar zijn toen al gestorven moeder. Dit blijkt in eerste instantie niet het geval, al is het natuurlijk ook te verdedigen dat Nijhoff zich in de situatie zozeer heeft ingeleefd, dat hij de ervaring heeft “overgenomen”.

*) Op 18 november 1933 is de nieuwe verkeersbrug bij Zaltbommel geopend, die voor het eerst een vaste verbinding voor het wegverkeer tussen noord en zuid mogelijk maakte. De spoorbrug lag er al veel langer.

De titel knoopt aan bij de zegswijze 'moeder de vrouw': het bepalend lidwoord "de" is merkwaardig. Het begin is anekdotisch, vertellend. In vers 2 wordt “de brug” uit v. 1 verduidelijkt tot “de nieuwe brug”. Dat daar een nieuwe brug is gebouwd, veronderstelt de dichter als bekend. In v. 4 is “weer” merkwaardig: waren de overzijden dan vroeger ook verbonden? Van v. 4 tot en met v. 8 loopt een zin die kortaf, schetsmatig, is genoteerd. Opvallend is v. 6: de ik-figuur bevindt zich niet in het landschap, maar heeft dit in zijn hoofd opgenomen, het is er vol van. In v. 7 onderbreekt de ik-figuur zichzelf op een levendige wijze; wie zo vertelt, heeft iets verrassends mee te delen, bijvoorbeeld: 'Laat ik me daar gisteren toch met het hele Ajax-elftal in één hotel zitten!'
Na het vertellende octet komt in de eerste terzine de verduidelijking: het is een zingende schippersvrouw. Het woord “bevoer” is een nieuwvorming n.a.v. 'berijden'; 'bevaren' kennen we wel in combinatie met het lijdend voorwerp 'de zee', maar niet met schepen. Het is duidelijk dat de schippersvrouw het schip in haar macht heeft.
In de tweede terzine volgt de dichter de spreektaal zodanig, dat er een ongrammaticale zin ontstaat. In het zingen associeert hij de vrouw met zijn gestorven moeder. Het blijft een wens, want gestorvenen keren niet terug. De psalmregel klinkt mooi, maar bestaat niet. In de psalmen 16, 39, 67, 144 en 150, alsmede in 85:2 (berijmd), 89:10 (berijmd) en 95:4 (berijmd) vinden we wel verwante formuleringen, maar Nijhoff heeft hier niettemin een eigen psalmvers vervaardigd.
Uit mijn jeugd ken ik alleen 'Mijn oren tuiten!' met een negatieve connotatie. Maar Nijhoff is met 'klinken' zeer bijbels: in 2 Sam. 3,11, 2 Kon. 21,12 en Jer. 19,3 treffen we dezelfde uitdrukking aan.

NADERE BESCHOUWING
In de eerste verzen allitereren Bommel met de brug en de brug met buren. Deze woorden vertonen ook inhoudelijk een sterke samenhang. In het tweede vers drukt “zag” meer uit dan zomaar zien. In samenhang met het vervolg kunnen we rustig stellen dat hier sprake is van verschijnen en aanschouwen. Met het woord “nieuwe” is iets aan de hand. Er is daarvoor nooit een (verkeersbrug) geweest; met “nieuwe” wordt dan ook iets anders bedoeld, dat nader wordt aangeduid in: “worden weer buren, niet voor niets allitererend. Vandaar ook “twee”, want één oever zou natuurlijk onzin zijn. Met die schijnbaar overbodige woorden, “nieuwe” en “twee”, drukt Nijhoff een meerwaarde uit. De oevers vormen een eenheid met de rivier, die scheidt en verbindt. Een schijnbare tegenstelling wordt zo verzoend. De brug geeft overzicht over dit geheel. Dat de oevers inderdaad een twee-eenheid vormen, drukt Nijhoff ook uit met “schenen”” (vs. 3). Het enjambement versterkt dit effect.
De elementen gras, thee en landschap in vs. 3 zijn aanduidingen van typisch aardse zaken. Ook het taalgebruik is aards, niet verheven. De ik-figuur is ontvankelijk voor zijn omgeving, waardoor een totale integratie ontstaat. Hij ligt in het landschap, maar zijn hoofd is ook vol van het landschap, hij heeft het in zich opgenomen. Zo intens is zijn bezinning.
Dan volgt in vs. 7 de narratief heel sterke zelfinterruptie; oneindig klein vormt een synthese met oneindig groot en daarin klinkt die stem. De oneindigheid is wel een aardse oneindigheid, zo ver als je kunt zien, strekt het landschap zich uit. Hier is dus geen sprake van een metafysische oneindigheid.

Dan volgt de wending. Tot nu toe is de ik-figuur bezig geweest met zijn actieve waarneming: zijn rusten, hij neemt het landschap in zich op. Met andere woorden: in alles wat hij heeft beschreven, staat hij zelf centraal. Ook de stem die hij hoorde, klonk in eerste instantie in zijn hoofd. Nu overkomen hem ervaringen: de stem klinkt nu van buitenaf, van onder de brug aanvankelijk. Het beeld van de vrouw dringt zich aan hem op. Is dit nu juist bij Levinas *) niet het begin van de transcendentie: dat wij uit onze eigen belangstellingsveld gerukt worden door iemand die ons van buiten onszelf benadert? De auditieve waarneming is nu visueel geworden. We zijn inmiddels van het landschap buiten de ik-figuur op een persoon overgegaan. Van onder de brug, als het ware vanuit het niets, komt daar dat schip met die vrouw aangevaren. Er zijn interpretatoren die hier een suggestie van iets hemels zien, maar kan het met een vrouw, een schip, en water aardser?
Het Hollandse polderlandschap is vlak, de brug overspant weliswaar, maar is horizontaal, de ik-figuur ligt plat op zijn rug. Met al die horizontale aspecten lijkt Nijhoff te willen weergeven dat de aardse werkelijkheid geen stijging, geen overstijging, geen metafysische transcendentie kent. Dit was inderdaad zijn opvatting. Maar de vrouw staat aan het roer, verticaal dus. Zij vormt zo het niet-metafysische transcendente aspect: zij vaart vanuit de onzichtbaarheid, waar haar stem al hoorbaar klinkt, onder de brug het gezichtsveld van de ik-figuur binnen. Zo verschijnt zij als associatie met de moeder aan de ik-figuur.

*) De Franse filosoof Emmanuel Levinas heeft zijn leven besteed aan de verwoording van de joodse religieuze gedachtenwereld in de terminologie van de Westerse filosofie. In zijn boek Totalité et infini beschrijft hij zijn ontologische transcendentie. Het ik leeft in een gesloten wereld, waarin hij de ander tot zijn werktuig maakt. Als hij zich echter openstelt voor die Ander, openbaart zich de waarheid, hij moet die Ander gerechtigheid doen toekomen. Zijn gesloten wereld barst open en hij wordt tot een ethische instelling genoodzaakt. Het ontologische aspect van Levinas houdt in dat die Ander niet God is, maar dat hij wel de enige plaats is waar God zich vinden laat.

HELING
In vs. 12-14 gaan we van visueel weer naar auditief. Hoewel de ik-figuur naar zijn moeder verlangt, is zij ver weg; dit is een vrouw. Vandaar de titel: de vrouw is niet de moeder, maar we zijn van de moeder naar de vrouw gegaan. De interpretatie van Sötemann *), de oevers als Jenseits en Diesseits, is mij wat te eenduidig. De ik-figuur ligt – of staat inmiddels – aan deze zijde, in de verscheurdheid van het leven.

*) In 1968 publiceerde A.L. Sötemann in het W.A.P. Smitnummer van De Nieuwe Taalgids, p. 134-145, een artikel over De moeder de vrouw, 'Een analyse in twee etappes', zoals hij dit noemde. Nu ik die achteraf lees, zie ik dat hij op veel zaken wijst, die ook ik heb aangeroerd. Het artikel is opgenomen in Over gedichten gesproken, een schooluitgave van Wolters-Noordhoff in 1982, p 167-183.
Sötemann schrijft op p. 175/6: “Op dit ogenblik beginnen de raadselachtigheden van het gedicht te verdwijnen: de ‘twee overzijden’, zo misleidend concreet geïntroduceerd, vormen een achteraf zeer simpele metafoor voor het leven op aarde en het hiernamaals.” Voor mij zou de problematiek dan juist beginnen, gezien het in mijn analyse bepleite ontologische aspect van dit gedicht.

Hij verlangt naar de heelheid, waarin alles een vertrouwde plaats heeft, zoals in de kindertijd, als moeder ’s ochtends en ’s avonds bij het bedje aanwezig is, waarin zij haar schoot biedt als er tranen zijn. De ik-figuur laat zich gaan in het verlangen vanuit de verscheurde levenssituatie (twee oevers) naar heling (de brug), zoals die in de kindertijd ervaren is. Hij verlangt niet naar die kindertijd, maar wel naar alles wat hij toen ervaren heeft. Dan zegt hij: “O, dat daar mijn moeder voer”. Transcendentie, religie, maar wel anders ingekleurd. Vrouw en moeder, aarde en hemel, worden verzoend zoals de twee oevers: de tegenstellingen worden overbrugd. In deze context van verzoening is godsbesef, is echte religie mogelijk, uitgedrukt in eigen woorden, die klinken als een vertrouwde psalm: “Prijs God, Zijn hand zal u bewaren”.


Wim Kleisen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.