Klassiekers (131)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

14 april 2010

Jane Leusink - Geen spaak

* Een bespreking door Lambert Wierenga *


Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (3), Inge Boulonois (18), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (2), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (3), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (7), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (3), Lambert Wierenga (10), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

Vooraf

Op de bespreking door Joris Lenstra van 'Geluk' van Mark Boog kwamen geen reacties binnen.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2465 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 19 mei 2010. Wilma van den Akker bespreekt dan Magnetic resonance imaging scanner van Floor Buschenhenke, uit de bundel Eiland op sterk water (2009)




Geen spaak

Dat we ooit konden weten hoe het echt was, vroeger
toen we nog kinderen waren en achter op de fiets
bij onze vader zaten, benen uitgespreid in veiligheid
van rafelige tassen, geen spaak die ons wat deed.

Dat we ooit in onze herinnering opnieuw geboren
werden, met onze handen stevig aan zijn ruige stof
de geur van koppelriem en leger snuivend, midden
in geborgenheid aanwezig waren.

Of voorop in het met rode stof beklede stoeltje zaten,
steentjes tuurden in de groeven van zijn band, een muur
van vader onze achterkant. O, dat hij dan: hé voorzichtig,
val niet op – wat was het woord? – je smoeltje.


Jane Leusink (1949)

Uit: Mos en gladde paadjes, Mozaďek, Zoetermeer 2003



Herinneringen aan vroeger, wat zijn dat eigenlijk? Is wat – bij gebrek aan een beter woord – ‘het geheugen’ wordt genoemd een soort zintuig? Een gevoel? Een gedachte? Een fantasie? Een stil heimwee? Een vergeten ideaal? Meestal kom je daar niet achter. Herinneringen zijn met je hele wezen verweven, met de persoon die je geworden bent: verbonden aan verstand, gevoel, beleving.
     Soms zijn ze sterk verankerd in je lichaam. Vooral in je zintuigen. Of, om het anders te zeggen: je zintuigen zijn vaak de ankerplaats van je herinneringen. Je reuk, je ogen, je oren, je huid, je smaak. Een stem die je bijblijft. Een geur of een smaak die een situatie van vroeger weer kan oproepen.
     De dingen waar je van houdt, worden geleidelijk de dragers van herinneringen. Ze geven je – de positieve tenminste – als het ware een besef van veiligheid, van ervaringen met geluk. De herinneringen van kinderen aan hun ouders: die zijn vrijwel allemaal binnengekomen via de zintuigen. En via wat die zintuigen hebben opgezogen en opgeslagen, kun je later je jeugd, je verleden, je persoonlijke geschiedenis zomaar weer oproepen!
     In het gedicht dat hier geanalyseerd wordt, is de dichteres daar verbaasd over. Vanuit die verbazing probeert ze haar geheugen te activeren om geluksmomenten van vroeger weer op te roepen in haar heden. Niet slaafs dus, maar actief en zoekend: anders dan een schrijver, Arnon Grunberg die, in “Tirza”, zegt: “Je bent een slaaf van je herinneringen.”
     Juist van zo’n actieve én vertederde reconstructie probeert de dichteres hier een demonstratie te geven. Ze onderneemt een intieme poging om de verwondering over het geheim van de ‘kleine maar kostbare herinnering’ te onderzoeken. Die verwondering blijkt uit een paar sprekende vormelementen die het gedicht karakteristiek maken. Ze zijn vooral taalkundig en stilistisch van karakter. Steeds meer blijkt het eigenlijk een probeersel te zijn om een verbazingwekkend verschijnsel te begrijpen: ‘Hoe kon het toch dat …!’ Dat is de vraag waarop de dichteres een antwoord zoekt. Daarbij gebruikt ze een keur aan middelen en vormen die ze in de – gewone en dichterlijke – taal vindt of soms zelf bedenkt. Of ze nog meer ontdekt dan de herkomst van die verwondering, ook die vraag komt op!

Technieken van verbazing en van herinnering
Technisch zit het gedicht vernuftig in elkaar! De drie strofen van elk vier regels zijn hecht gebouwd. Ze bevatten talrijke concrete details die geselecteerd zijn om het verleden op te roepen, dadelijk al aan het begin. Het woord “Vroeger” (regel 1) is het sleutelwoord dat – geplaatst aan het einde van de versregel waar het een vertragend enjambement vormt – alle aandacht krijgt. Door die uitvoerige evocatie van de kindertijd valt het niet dadelijk op dat geen enkele zin in het hele gedicht formeel compleet is! De dichteres gunt zich als het ware geen rust of tijd om de zinnen correct af te maken. Haar verwondering wint het!

   De talige structuur van de verbazing
Het gedicht bestaat qua syntactische constructie exclusief uit een aantal verbaasde ‘uitroepen’. Al deze uitroepen zijn incompleet: telkens zal de lezer een element moeten ‘invullen’.
     Het duidelijkst is dat het geval in regel 11: de zin begint daar met “O, dat hij dan: …”. op z’n minst had er nog een werkwoordsvorm moeten komen. Dan had deze zin kunnen luiden: ‘(O dat hij dan) zei: …’. Maar dat ‘zei …’ ontbreekt. Voor een lezer is het makkelijk aan te vullen. Is dat nodig voor een adequate lectuur? Nee, je mist het niet eens.
     Dat type incomplete zinnen is typerend voor dit gedicht. Ook al vult de dichteres in veel van die andere uitroepen wél het werkwoord in. Regel 1: “Dat we ooit konden weten …”, regel 5: “Dat we ooit (…) geboren werden…”.
     Nog meer variaties kent deze elliptische techniek van de verbazing. In regel 9 betreft die het voegwoord ‘dat’. Maar de lezer is intussen voldoende geconditioneerd of geďnstrueerd om ook daar de exclamatietechniek te herkennen en het weggelaten woord in te vullen: ‘(Of) dat (we ooit voorop …)’: dat ‘aan te vullen’ materiaal zal hij op basis van analogie kunnen ontlenen aan de startuitroep in de tweede strofe!
     Nog een variant. Regel 4b is op zichzelf een uitroep: “geen spaak die ons wat deed”. Enerzijds is deze zin verdekt opgesteld door z’n inpassing in het systeem van de ellips: geen hoofdletter aan het begin, geen werkwoord in de hoofdzin, geen uitroepteken. Het is daardoor een ongebruikelijke zin. Die is bovendien een listige variant op een andere uitroep van bravoure die wél in het Nederlands bestaat, zoals in een zin als: ‘Wie doet me wat!’ of ‘Geen mens die me wat doet!’
     Daarnaast is het ook een variant op de staande uitdrukking: ‘Een spaak in het wiel steken’ die altijd de suggestie bevat van een obstakel, van een dreigend gevaar. Dat idiomatische element ‘risico’ wordt hier dus via deze contaminatie met vrolijk optimisme weggewuifd. Dat maakt deel uit van de herinnering aan de reële situatie van het ‘rijden bij vader achterop’. Pas veel later – in de volwassenheid – speelt het besef een rol dat je – als kind – je voet pijnlijk tussen de spaken kon krijgen! Destijds speelde die angst voor een voet tussen de spaken niet: “benen uitgespreid in veiligheid / van rafelige tassen” (regel 3/4). Wie doet je wat! “Geen spaak doet je wat!”
     Een uitroep die niet de verbazing van de nu opgegroeide kinderen uitdrukt, maar een fijnzinnige herinnering aan een zorgzame waarschuwing van de vader, staat in regel 11-12: “hé voorzichtig, val niet op (…) je smoeltje”. Deze waarschuwing is qua perspectief dus van een ander type dan de andere: niet vanuit de belevingswereld van de kinderen; het is veeleer de – aanvankelijk vage – herinnering aan een waarschuwing destijds van de vader. Maar wél, helemaal binnen de systematiek van het gedicht, een qua syntaxis erg complexe uitroep.
     Het ‘kind’-perspectief verdwijnt niet voorgoed uit de aandacht: de dichteres haalt het weer naar voren door een soort gat in het geheugen te suggereren: “– wat was het woord? –” (regel 12). De kinderen die toén dat ‘woord’ hoorden, lijken het nu – volwassen geworden – even kwijt te zijn. Maar ze vinden het toch terug. Die zoekpauze krijgt extra reliëf door een efficiënte typografische ingreep: twee liggende streepjes.
     De dichteres plaatst daarna dat ‘teruggevonden’ liefkozende woord aan het eind van het gedicht: “je smoeltje” (regel 12). Een extra geraffineerde truc omdat dit qua stijlregister onverwachte woord bijna ook nog een rijm – een soort ‘binnenrijm’ – vormt met het woord “stoeltje” in regel 9.

   De talige structuur van de herinnering
De poging tot reconstructie van hoe het vroeger was, krijgt de vorm van een speurtocht naar veilige ervaringen uit het verleden. Een evocatief proces. Veel details, gebeurtenissen en voorwerpen worden uit dat verleden – het verleden van kinderen – als losse stukjes uit het geheugen opgediept en in een compact beeld bij elkaar gezet. Het gedicht zit vol van die concrete dingwoorden. “Fiets”, “rafelige tassen”, “spaak”, “ruige stof”, “koppelriem”, “rode stof”, “stoeltje”, “steentjes”, “de groeven van zijn band”, “een muur”. Het lijkt soms wel de beschrijving van een schilderij dat je verrast herkent en opnieuw beleeft: ‘Kijk eens ...!’, ‘Moet je dit eens zien …!’, ‘Hoe kon dat eigenlijk?’ en ‘Weet je dat ook nog …?’ Kennelijk wordt “vroeger” gedragen en vastgehouden door al die concrete dingen. Opgediept uit het ‘fysieke’ geheugen. De zintuigen – kijken, luisteren, ruiken, proeven en voelen – maken alles weer “echt” (regel 1).
     Langzamerhand bouwt zich daaruit een ‘veiligheid’-isotopie op. Het gedicht gaat over herinneringen vol vertrouwelijkheid: de “we” zitten bij hun vader achterop de fiets, veilig en gelukkig. Het is een bijna fysieke belevenis, dat terughalen van die emotionele ervaring!
     Daarbij speelt zeker een rol dat het berust op een langdurige of herhaalde ervaring: soms zat het ene meisje achterop (strofe 2), het andere soms voorop (strofe 3). Op een stuurstoeltje. Je krijgt geleidelijk de indruk dat ze – achterop of voorop – vaak met hun vader de fietstochtjes maakten. Die fysieke kant van het gevoelsgeheugen wordt al even sterk benadrukt: “benen”, “onze handen”, “je smoeltje”.
     Ook de vader wordt met inventieve liefde verbeeld: “Onze vader”, “zijn ruige stof”, “zijn band”; “een muur van vader”, “dat hij dan …”. Dat verinnerlijkte beeld blijft voor z’n dochters een symbool van “geborgenheid” (regel 8), van bescherming (“voorzichtig”; regel 11). Op die fietstochten voelden ze zich veilig met “een muur van vader” (regel 10-11) achter zich!

Syntactische onvolledigheid en weelde aan betekenis
In die fysieke associaties wordt het gedicht tot een evocatie van geborgenheid en bescherming. Vandaar de intieme details, waarin “onze vader” z’n dochtertjes als “een muur” beschermde en ze waarschuwde tegen pijn. Het woord “smoeltje” is, zoals veel kooswoorden, tegelijk een oorspronkelijk grof woord (smoel) en – wat het grove of vulgaire weer méér dan compenseert – een verkleinwoord (~tje). Vertrouwelijkheid en liefde spreken daaruit. Dat het bovendien het laatste woord van het gedicht is, en dat het dezelfde klank herhaalt als “stoeltje” maakt het tot een bijzonder treffend slot. Dan zijn het eindelijk niet meer de dingen, maar de persoon van de beschermende en zorgzame vader wiens beeld het centrum vormt van dit gedicht.
     Niets is formeel of syntactisch voltooid in dit gedicht. Maar niemand die het merkt! De grammaticale onvolledigheid van de zinnen compenseert de dichteres als het ware door een overdaad aan zintuiglijke details. Op die manier ondersteunt ze de thematiek van de kinderlijke verbazing die geen aandacht geeft aan die formele kant. De herinnering aan vroeger, een gelukkige, veilige jeugd wordt via allerlei kleine stukjes taal en syntaxis hecht opgebouwd. Een gevoelsmatig retrospectief! De fysieke herinnering laat die jeugd “opnieuw geboren” (regel 5) worden. “Vroeger” wordt via die tastbare herinnering weer actueel en reëel: “echt” (regel 1). En dus voorgoed voelbaar – fysiek en emotioneel – aanwezig.


Lambert Wierenga



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dčr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dčr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.