Klassiekers (133)
 
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand
 

16 juni 2010

  Hendrik de Vries - Mijn broer

              
* Een bespreking door Wim Kleisen *


 
Alle Klassiekers zijn, compleet met poëtisch woordenboek, hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (4), Inge Boulonois (18), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (2), Karin Doornik (4), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (4), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (7), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (2), Bettine Siertsema (3), Lambert Wierenga (10), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

   
Vooraf
 
Op de bespreking door Wilma van de Akker van Floor Buschenhenke's 'Magnetic resonance imaging scanner' kwam een reactie van Atze van Wieren. Het viel hem op dat Buschenhenke het gedicht waarmee ze in 2006 de eerste prijs van de VU-Podium Poëzieprijs won, op een aantal plaatsen gewijzigd blijkt te hebben. In de eerste strofe stond oorspronkelijk Ook linksboven verkleurt het zich/ naar een toch wel heel intens oranje! en dat is nu in de bundel Ook linksboven kleurt het nu/ toch wel heel intens oranje! Een hele verbetering, aldus Van Wieren, want 'een gebied' dat zich verkleurt is volgens hem niet fraai geformuleerd.  
Veel ingrijpender noemt hij het ontbreken van de oorspronkelijke éénregelige slotstrofe, die in de VU-versie luidt: hoofdingang, dat vond je mooi gevonden. 'Waarom heeft Floor Buschenhenke die regel geschrapt? Toegegeven, hij is niet fraai met dat vond/gevonden, maar ik vind hem wel essentieel. Het is namelijk de enige regel die in het gedicht in de verleden tijd staat. En dat geeft nu juist het wrange aan het gedicht. En dan ook zou je het aftellen van 2, 1, 0, kunnen interpreteren als een aftellen naar de dood.Zonder die oorspronkelijke slotzin vind ik het gedicht minder sterk en zelfs onbevredigend eindigen. Is het voor mij niet meer dan een zakelijke beschrijving van een MRI-onderzoek. In prozataal. Graag zou ik horen wat de reden is geweest tot het schrappen van de oorspronkelijke slotzin.'  
Hij voegt daar nog aan toe: 'Een ander punt van kritiek heb ik op de eerste strofe. De eerste zeven regels zijn commentaar van een of andere assistent die toelichting geeft. Dan vindt er ineens een perspectiefwisseling plaats: Als een bosbrand, enz. Dat wordt niet meer door een assistent gezegd, maar vindt plaats in het hoofd van de beschouwer. Ik had een witregel hier op zijn plaats geacht.'  
 
Floor Buschenhenke was zo vriendelijk persoonlijk te reageren. Over Van Wierens laatste punt van kritiek schrijft zij: 'Hier moest ik om gniffelen. De hele eerste strofe is namelijk (bedoeld als) een lezing van een onderzoeker. Dat 'we' slaat op de spreker en zijn publiek. De spreker laat zich meeslepen door de beelden en gebruikt daarom het wat lyrische 'we'. Dat een lezer 'in het hoofd van de beschouwer' denkt te kijken bij een gedicht dat gaat over het kijken in hoofden, over de kenbaarheid van het brein, da's mooi.'  
En over de geschrapte slotregel: 'Ik vond de slotregel in eerste instantie wel bijdehand. Maar later stoorde ik me er enorm aan, juist omdat hij in de verleden tijd staat en dus op enige afstand van de rest staat. Als een soort conclusie, een punt buiten de rest van de tekst. De 'je' in 'vond je mooi gevonden' zou de proefpersoon of de onderzoeker kunnen zijn. En die gunde ik allebei niet het laatste woord. Nu is het onderzoeker/proefpersoon/semi-objectieve stem. En na de derde strofe kun je nu weer opnieuw beginnen, het is een cyclus. Ik wilde meerduidigheid en een 'open' tekst, niet dichtgetimmerd door een conclusie. Interessant dat leesbehoeften zo uiteen kunnen lopen. Een interpretatie als 'aftellen naar de dood' is voor mij absoluut niet wenselijk in dit gedicht. En het 'wrange' zit voor mij in het verschil tussen de blik van de onderzoeker (de schoonheid van een bosbrand) en die van de proefpersoon (beklemmend en opgejut).'  

  ***  
 
'De 'je' in 'vond je mooi gevonden' zou de proefpersoon of de onderzoeker kunnen zijn', zegt Buschenhenke. Het is ook mogelijk in die 'je' de dichter zelf te zien, die, het eigen werk beschouwend, dan dus even met grote tevredenheid op de spitsvondigheid terugkijkt. Maar die zich later realiseert, dat het toch eigenlijk niet veel meer is dan een woordspeling en de regel dan ook terecht schrapt. (Lb.)  



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2490 abonnees.

  Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

 
De volgende aflevering verschijnt op 14 juli  2010. Karin Doornik bespreekt dan Brent Bridge van P.N. van Eyck, oorspronkelijk verschenen in de bundel Herwaarts (1939)  


 
 
 
 
Mijn broer   

Mijn broer, gij leedt  
Een einde, waar geen mensch van weet. 
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik 
Begrijp het slecht, en tast en schrik. 
 
De weg met iepen liept gij langs. 
De vogels riepen laat. Iets bangs 
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij 
Alleen gaan door de woestenij. 
 
Wij sliepen deze nacht weer saam. 
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam 
En vroeg, waarheen gij gingt. 
Het antwoord was: 
“… Te vreeselijk om zich in te verdiepen, 
“Zie ’t gras 
“Ligt weder dicht met iepen 
“Omkringd.” 
   
 
Hendrik de Vries (1896-1989)

Uit: De nacht , C.M.B. Dixon, Apeldoorn 1920       


 
  EERSTE VERKENNING
Dit gedicht begint als een sonnet, jambe en twee kwatrijnen. Maar dan krijgt het een eigen karakter. Weliswaar vormen de rijmklanken in het sextet een regelmatig beeld: a-a-b-c-d-c-d-b – hoewel dit er nu niet direct als het rijmschema van een sonnet uitziet, maar de verzen van het tweede terzet zijn gefragmenteerd, waardoor er enjambementen zijn ontstaan. De sonnetvorm gaat hierdoor, voor wat het aantal verzen betreft, verloren, voorzover die tenminste intact was, want de lengte van de verzen in de eerste strofen varieert. Merkwaardig is ook dat het rijmschema alle mogelijke combinaties vertoont: gepaard (a-a), gekruist (c-d-c-d) en omarmend (b- … - b).   
De taal is niet die van onze tijd. Logisch natuurlijk, want Hendrik de Vries, zoon van de in zijn tijd bekende taalkundige Wobbe de Vries, is literair opgevoed met dichters als Bilderdijk en met de Tachtigers. 
 
  HET GEDICHT GELEZEN
We zien onmiddellijk dat de broer van de ik-figuur wordt aangesproken, opvallend genoeg niet bij zijn naam, maar met het wat archaïserende mijn broer”. Via een enjambement gaan we naar het tweede vers,  “gij leedt” is heel intrigerend en dit wordt versterkt door het mysterieuze einde van de broer. 
Je kijkt even vreemd op als lezer bij het derde vers. Om twee redenen: de broer ligt naast de ik-figuur en hij, van wie net verteld is, dat hij op mysterieuze wijze aan zijn eind is gekomen, ligt nu weer naast de ik-figuur. In de negentiende eeuw was de gemiddelde grootte van de huizen nog niet als die in onze tijd en de gemiddelde gezinsgrootte was dit nu juist wel. Het kwam daardoor vaak voor dat kinderen uit één gezin op één kamer en vaak ook in één bed werden ondergebracht. De tweede vraag die oprijst, is: waardoor is die broer ineens weer aanwezig? In het derde vers gaat de dichter van de verleden tijd over naar de tegenwoordige tijd. Hij waant zijn broer naast zich, want als hij naar hem tast, schrikt hij. Het kan niet anders of de ik-figuur heeft gedroomd en de broer ligt er niet, als hij wakker schrikt. 
Dan gaan we weer naar de tijdlaag in het verleden. De broer liep door een iepenlaan, het is al laat, maar de vogels laten zich nog horen. Het “roepen” klinkt onheilspellend, later zou A. Roland Holst dit werkwoord ook gebruiken, als hij het al niet over het “aangaan” van de zee had. Dat late roepen wordt bewaarheid, doordat een ondefinieerbaar wezen, een “entiteit” hoor je vaak in bepaalde kringen, hen volgt. “Toch woudt gij alleen gaan…”. Het eerste woord drukt iets als een tegenstelling uit. Begrijpelijk, want gedeelde angst is óók halve angst, maar de broer wil desondanks alleen verder. Het woord “woestenij” zet het onheilspellende van dit gebeuren nog eens extra aan. 
Weer gaan we terug naar het heden, althans het zeer nabije verleden. De ik-figuur sliep weer samen met zijn broer. Dat kan niet anders dan in de droom gebeuren, gezien alweer het einde van die broer. Als je iemands hart voelt kloppen, is hij zeer nabij. 
Maar nu schrikt de ik-figuur niet wakker, maar hij vraagt iets aan zijn broer, een vraag die al die jaren voor hem onbeantwoord is gebleven: waar ging je heen? Er komt ook een antwoord – opvallend is het nu verouderde begin van elk vers met aanhalingstekens als aanwijzing dat de geciteerde nog steeds aan het woord is -, maar dit is even duister als het gebeuren zelf, althans op het eerste gezicht. 
 
  DUIDING
Bij Hendrik de Vries vallen termen als “expressionisme” en “irrationaliteit”. Ik wil daar niet verder op ingaan, omdat ik meer geïnteresseerd ben in de betekenis van het gedicht zelf, maar na lezing van wat ik hier aanduid, zal blijken dat die termen toch niet zonder grond zijn gebruikt. 
De sfeer van beklemming en angst beheerst vanaf het eerste vers het hele gedicht. Het suggereren van een vreselijke gebeurtenis ligt daaraan ten grondslag. In de tweede strofe wordt die gebeurtenis weliswaar beschreven, maar zodanig dat het raadsel blijft. 
Waarom een weg met iepen en geen beuken of eiken? Het hout van deze bomen werd bij uitstek gebruikt voor doodkisten. Dat geeft deze boom al iets lugubers. Maar veel meer spreekt het tot onze verbeelding dat in Keltische tijden de iep geassocieerd werd met elfen - meestal kwaadaardige wezens en niet liefelijk, zoals bij Rie Cramers – en de dood. Ook was er een associatie met wijsheid, die toen weer verbonden was met magie. Ook had de boom een geneeskrachtige waarde, iepenbladeren werden gekneusd en met iepenblad rondom een wond gebonden. Dit zou genezing hebben bespoedigd. Kortom: de iep wordt met magie in verband gebracht. In dit geval moeten we inderdaad ook met iets kwaadaardigs rekening houden. Naar welk doel leidt de weg met iepen? Welk wezen vervolgt hen beiden? Waarom wil de broer alleen verder? Wil hij zijn broertje behoeden voor het kwaad dat hem wacht? Het zijn allemaal vragen die door het suggestieve schrijven in dit gedicht worden opgeroepen. De broer gaat alleen verder door de woestenij. Ik kan er niets aan doen, maar dit roept in mij nu het landschap van Marten Toonder op, wanneer hij een bedreiging voor Ollie B. Bommel tekent. Het landschap is topisch, het is de plaats waar de verschrikking heerst. 
Die vragen vat de ik-figuur in één vraag samen: waar ging je heen? Het eerste antwoord is eigenlijk een afrader: je moet je in deze dingen niet verdiepen, daarvoor is het te gruwelijk. Het vervolg op dit antwoord staat in de tegenwoordige tijd: wat gebeurd is, kan nu weer gebeuren. Het gras ligt met iepen omkringd. In de oude overlevering is de heksenkring een bekend gegeven. Dit was een magische cirkel met een gruwelijke uitwerking voor diegene die zich erbinnen waagde. De voorwerpen die zich in de kring bevonden, kregen een karakter, zij drukten de verschrikking uit die van de magiër in het midden van de kring uitging. Personen die zich in deze kring waagden, verloren hun karakter, hun eigen persoonlijkheid en werden willoze werktuigen van de magiër. Ik lees hierin door het gebruik van de tegenwoordige tijd dat dit met de broer is gebeurd, maar dat dit elk moment ook weer kan gebeuren. Daarmee wordt de verschrikking heel actueel gemaakt. 
 
  TOT SLOT
Is het een wonder dat deze vermenging van afzichtelijkheid in droom en werkelijkheid samen surrealistisch wordt genoemd? Je kunt hiertegen aanvoeren dat het surrealisme meer in het interbellum past en nog meer na 1945, dat het  eigenlijk een stroming in de schilderkunst is, zij het dat Breton dit in de literatuur als methode wilde gebruiken. De datering van de bundel, 1920, is dan toch weer niet zo heel veel vroeger dan de eerste surrealistische verschijnselen. 
Maar dat is slechts een kanttekening. Voor mij is veel belangrijker wat dit gedicht in mij oproept bij het lezen, de angst en beklemming die we als kind soms ervoeren, niet alleen in onze dromen. 
 
 
  ***   
 
In Hendrik de Vries - Een raadsel in de nacht  , een keus uit zijn gedichten samengesteld en ingeleid door Jan van der Vegt, Meulenhoff | Manteau, Amsterdam - Antwerpen 2006, staat een gemoderniseerde versie van het gedicht met aangepaste interpunctie en strofe-indeling:  
 
 
  Mijn broer 
 
 
Mijn broer, gij leedt 
Een einde, waar geen mens van weet. 
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik 
Begrijp het slecht, en tast en schrik. 
 
De weg met iepen liept gij langs. 
De vogels riepen laat. Iets bangs 
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij 
Alleen gaan door de woestenij. 
 
Wij sliepen deze nacht weer saam. 
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam 
En vroeg, waarheen gij gingt. 
Het antwoord was: 
 
'Te vreselijk om zich in te verdiepen, 
Zie: ’t gras 
Ligt weder dicht met iepen 
Omkringd.' 
 


     


Wim Kleisen
   


Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

 
Eerder verschenen:

  1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg -  Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn  113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner
   

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

  Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.