Klassiekers (135)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

18 augustus 2010

Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren

* Een bespreking door Ivan Sacharov *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (4), Inge Boulonois (18), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (2), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (4), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (7), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (3), Lambert Wierenga (10), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (1).

Vooraf

Op de bespreking door Karin Doornik van Brent Bridge van P.N. van Eyck reageerde Jan Haveman. Hij schrijft:

Graag wil ik enkele opmerkingen maken bij de bespreking van Brent Bridge door Karen Doornik.
Pam G. Rueter heeft getracht de inhoud van het gedicht in een tekening te visualiseren en is er m.i. in geslaagd de sfeer van de tekst goed weer te geven. Let vooral op de peinzende man op de bank; hij heeft het boek even terzijde gelegd.









      P.N. van Eyck - Brent Bridge
      's-Gravenhage, Stols, 1941
      Orpheus 7.
      Tekening van Pam G. Rueter.



Als je mensen vraagt een gedicht van P.N. van Eyck te noemen, is de kans tien tegen één dat De tuinman en de dood geciteerd wordt. Naar vorm en inhoud is dat zeker een gaaf en bijzonder gedicht, maar in het licht van Van Eycks dichterschap en de ontwikkeling daarvan is het allerminst representatief. Brent Bridge is dat wèl, in hoge mate zelfs. Van Eyck was een zoeker naar inzicht en dat komt in zijn dichterschap tot uitdrukking. Hij ervaart een tweespalt tussen wat hij zintuiglijk waarneemt en zijn heimwee, zijn verlangen naar duurzaam geluk. Hij noemt dit zelf ‘Hemeldroom’. Zijn ziel verlangt naar de volheid in een metafysische werkelijkheid, die buiten de werkelijkheid ligt van het leven hier; ‘aan de overkant is ’t zalig land’.
De worsteling om die kloof te dichten is in Van Eycks hele oeuvre zichtbaar, tot in de titels van een aantal bundels toe. En al is er in de latere fase van zijn dichterschap wel sprake van enig hervonden evenwicht tussen zinnen en geest, van berusting, van aanvaarding zelfs (zie bijv. het gedicht Herwaarts in de gelijknamige bundel, waarin ook Brent Bridge staat), toch komen weemoed, vervreemding (Brent Bridge) en verlangen nog vaak terug. In de beschrijvingen van Van Eycks poëtica (zie bijv. Ter Braak, Knuvelder, Rispens, Oversteegen, Geyl, Puchinger e.a.) is dit levensdilemma van de dichter het centrale thema.
Het is jammer dat Karen Doornik haar bespreking van Brent Bridge niet op een meer consequente wijze in deze context plaatst. Daardoor wordt in onvoldoende mate recht gedaan aan dit sublieme gedicht. Toegegeven, zij maakt onder het kopje Symboliek wel enkele opmerkingen over Van Eycks geïsoleerde bestaan, over zijn eenzaamheid en over de mogelijkheid dat met dit ‘vreemde land’ ook dit leven bedoeld kan zijn, maar het is te fragmentarisch en te weinig een samenhangend betoog. Doornik plaatst dit gedicht in het Symbolisme en verbindt daaraan de conclusie dat we dan de ‘overkant’ moeten opvatten als het leven aan ‘gene zijde’, dus na de dood. Ik zet daar vraagtekens bij. Hoewel er in Van Eycks werk zeker sprake is van wijsgerige verdieping, is hij geen uitgesproken symbolist, zoals Leopold en Boutens dat in veel sterker mate wèl waren. Ook is bij hem geen sprake van doodsverlangen. Hij streeft naar rust voor zijn gekwelde ziel, niet na de dood, maar in zijn leven hier en nu. Zo verwoordt hij zijn droom, zijn verlangen naar harmonie in zijn bestaan, o.a. in de versregel : ‘God wil, als mens, in mij gelukkig zijn’.

Nog enkele kanttekeningen bij het eerste deel van Doorniks bespreking:
-    Sprekend over het perspectief in dit gedicht zegt zij dat er in r. 6 al een verschuiving plaatsvindt, omdat er iets van toekomstig handelen wordt verteld: ‘straks aan de overkant’. Vraag: wat is het verband tussen ‘straks aan de overkant’ en toekomstig handelen? Ik zie het niet.
Als je wilt spreken van een verschuiving van het perspectief, kan daarvan m.i. alleen gezegd worden dat er in de eerste twee strofen sprake is van een hij-perspectief - in beide strofen gaat het over de man - en in de laatste strofe zien we de overgang naar het ik-perspectief: de man uit strofe 1 en 2 blijkt in strofe 3 geïdentificeerd te worden als de ‘ik’.
-    Doornik zegt in haar exegese van het gedicht: De man zit er ‘vaak’. Helaas, dat staat er niet. Er staat: ‘En vaak is er niets dan dit: ….’ en dan volgt er een opsomming van dingen die de man waarneemt. Dat is iets geheel anders! -    Verder merkt ze twee keer op dat r.5 en r.6. haar een toespeling lijken op de uitdrukking: ‘elders is het gras groener’. Er lijkt een verlangen uit te spreken, zo zegt ze, later (straks) ook de overkant te onderzoeken. Jammer genoeg wordt niet toegelicht welke aanleiding het gedicht haar voor die veronderstelling aanreikt. Als het gedicht zelf die veronderstelling niet enigszins aanvaardbaar maakt – wat m.i. het geval is – is het gevaar van ‘hineininterpretieren’ levensgroot.
-    Ook bij haar uitspraak dat het rijmschema het lege, lome moment van zitten op de bank en kijken naar het water benadrukt geeft Doornik geen toelichting. Jammer, want de lezer wil nu natuurlijk ook graag weten welk verband zij precies ziet tussen dit rijmschema en de genoemde passage uit het gedicht. Zo blijft het een losse opmerking waar we weinig of niets aan hebben.

Tenslotte spreek ik na de geuite kritiek graag volmondig waardering uit voor Doorniks moed om dit gedicht, dat ondanks de eenvoudige taal waarin het is geschreven zo lastig te interpreteren valt, aan de orde te stellen. De complexiteit van de inhoud heeft alles te maken met de complexiteit van Van Eycks levensproblematiek, die hij in zijn werk eerlijk aan de orde stelt. Daarom kan ook dit gedicht slechts vanuit dit gegeven worden benaderd.

***

Bovenstaande gaf Karin Doornik de volgende reactie in:
Allereerst wil ik graag vermelden dat ik met deze bespreking geen volledige exegese van dit gedicht pretendeer; ik ben geen kenner van Van Eyck. Bij een bespreking van een gedicht gaat het mij in de eerste plaats om een verkenning, het lezen van een gedicht als autonoom geheel. Pas later maak ik spaarzaam gebruik van bronnen die mij kunnen helpen het gedicht beter te kunnen duiden. Bij dit gedicht heb ik gebruik gemaakt van deze bron.
Haveman stelt dat ik het gedicht in het Symbolisme plaats. Dit is slechts één van de mogelijkheden die ik heb aangestipt. Ik heb namelijk ook geschreven dat de spanning die de dichter voelt tussen verbeelding en zintuiglijke waarneming kenmerkend is voor de overgang van impressionisme naar symbolisme. Er kunnen dus elementen van symbolisme in herkend worden, zoals de samenhang tussen ‘gene zijde’ en de zwanenzang. Haveman noemt het verlangen van Van Eyck naar harmonie in zijn bestaan en citeert een versregel. Hij zou er goed aan gedaan hebben te vermelden uit welk gedicht (Boeddha-beeld).
In regel 6 kan ik het in plaats van perspectief beter hebben over ‘tijd’. Tot en met regel 5 wordt er een momentopname beschreven, en daar geeft het woordje ‘straks’ in regel 6 ineens een draai aan, dat is wat ik bedoel met ‘toekomstig handelen’, daar begint het perspectief zich al te focussen op de meer persoonlijke ‘hij’ in de tweede strofe, en pas in regel 9 verschuift het daadwerkelijk van de alwetende verteller naar de gedachten van de ‘hij’, omdat we dan te weten komen wat hij denkt.
“Een man” in regel 7 is veel onpersoonlijker dan de hij die denkt in regel 9. Tot die regel zien we buitenkant, en dan pas de binnenkant.
In regel 3 t/m 5 volgt een opsomming van waarnemingen. Als dit ‘vaak’ zo is (r. 2!) zal de man er ook vaak moeten zitten. Als dit niet het geval is, pleit dit extra voor mijn uiteenzetting over de alwetende verteller in de eerste acht regels, er moet toch een instantie zijn die de conclusie trekt dat er ‘vaak’ niets is dat de genoemde waarnemingen.
Wat betreft de toespeling op de uitdrukking ‘elders is het gras groener’: dit lijkt mij de verklaring voor het gebruik van het woord gras: waarom noemt de dichter dit onbeduidend gewas, als hij even daarvoor ook al ‘loof’ heeft genoemd. Temeer, omdat het direct gevolgd wordt door de regel met ‘straks’ en ‘overkant’. Haveman noemt dit erg vrij interpreteren, ik ben benieuwd of hij zelf hier een uitleg aan wil en durft te geven.
Tenslotte de opmerking over het rijmschema: het is meer de herhaling van de inhoud en de rijmklanken van strofe 1 in strofe 3 die het lege en lome benadrukt, niet zozeer het rijmschema zelf, zoals Haveman terecht opmerkt.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2490 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 15 september 2010. Lambert Wierenga bespreekt dan Uur U van Victor Vroomkoning, uit de bundel IJsbeerbestaan (1999)




toen wij nog jong waren

Toen wij nog jong waren en de wereld nog oud was
en wij in een ver land op hoge bergen stonden
en in het dal diep beneden een lange roerloze
roestige trein zagen, onbestaanbaar alleen
in het oog van een hevige leegte, riep jij
terwijl je de hemel een kushand toewierp
ik ben een reisgids kinderen
leer mij lezen

en ’s avonds op het plein onder kwijnende palmen
waren er wijn en olijven en een ritselend zwijgen
uit klagende kelen en het donker was week
op het scherp van de snede, en jij
jij kocht het ondraaglijke lot van een blinde
en riep het oor drinkt

nu is het dus later, een avond na jaren, de dood
stille trein is vertrokken, de tijd van het lot
is verstreken, je reisgids ligt open

onder eendere oudere bomen drink ik
de hese stem van je woorden, hoor ik je stilte –


Gerrit Kouwenaar (1923)

Uit: totaal witte kamer, Querido, Amsterdam 2002.



HET LOT VAN EEN BLINDE

Ik ben geen Kouwenaar-kenner. In feite lees ik bijna nooit Kouwenaar. Ik vind hem meestal moeilijk, en een beetje onnatuurlijk in zijn taalgebruik. Maar toen ik dit gedicht las, of liever: de eerste regel ervan, was ik verkocht. Later ben ik de rest ook gaan waarderen, maar ik vind nog steeds dat die eerste regel de echte klassieker van deze klassieker is. Hij verdient de eerste plaats op het papieren podium waarop hij staat. Welja, hij is haast zelf als een compleet gedicht op te vatten, die eerste regel! Zo afgerond komt hij over, ondanks zijn inleidend karakter. Hij heeft een eigen onderwerp binnen dit gedicht (dat over het verlies van een geliefde persoon gaat): het relatief zijn van leeftijd. Ja, een eendagsvlieg mag dan, letterlijk genomen, na één dag op zijn laatste pootjes lopen, wij vinden dat naar onze maatstaven nog piepjong. Iets dergelijks, maar dan in omgekeerde zin, valt te constateren wanneer we onze leeftijd met die van de wereld vergelijken: als we nog jong zijn lijkt de aarde stokoud, maar als we oud zijn is háár leeftijd – die op de schaal van miljarden jaren wordt gemeten – nauwelijks veranderd. De planeet van ‘middelbare leeftijd’ blijkt nu ‘jong’ verleken met een mens van 75 (ik kan hier eindeloos over nadenken)!

Zoals ik al opmerkte: de rest van het gedicht mag er ook wezen. Maar om het allemaal te begrijpen moeten we ons, echt op z’n Kouwenaars, woordje voor woordje tussen de regels doorworstelen. Ongeveer zoals we die hoge bergen in de tweede regel zouden beklimmen (maar ‘wij’ stonden er al op, volgens het gedicht, dus dat hoeft niet meer). Zijn het overigens wel bergen? Het lijken, in de context van het gedicht, eerder (hoge) verwachtingen, waar wij ‘op stonden’: misschien in de zin van ‘op afgestemd waren’.
‘Een ver land’ kan natuurlijk gewoon een ver land zijn, maar lijkt hier eerder een land ver terug in de tijd. Het land van de jeugd? In elk geval een land waar ‘wij… in het dal diep beneden een lange roerloze roestige trein zagen’. Een trein die, net als de wereld, nog oud is (en dus roestig) in het oog van wie jong de volheid van het leven ervaart. Maar mogelijk levert de trein ook een beeld voor de toekomst. Men kan zich een rij van dagen voorstellen als een trein. Een trein die roest vertoont en roerloos is omdat de personen die er naar kijken er een wat starre, ideaal gedachte, romantisch-conventionele toekomstvisie op na houden? Waarschijnlijk. Hoewel het roerloze zich natuurlijk ook laat verklaren doordat de toekomst letterlijk nog onaangeroerd is.
Onbestaanbaar wordt de trein ‘alleen in het oog van een hevige leegte’, dat is: het oog van wie die toekomst heeft gehad, het leven bijna voorbij is, de hoge bergen van zijn verwachtingen is kwijtgeraakt en dat nu als ‘een hevige leegte’ ervaart.
De metgezel van de ik-persoon werpt de hemel een kushand toe. Deze daad, die wat overmoedig aandoet, maar in elk geval van een gelukkig gemoed getuigt, heeft ook iets van een gebaar van afscheid. Een onbedoeld afscheid, mogen we aannemen. De ironie is natuurlijk dat in ons leven de verwachting van geluk maar al te vaak het geluk zelf blijkt te zijn. En inderdaad, de tweede strofe bevestigt dit: de palmen, waartussen de hand-palm van de kushand waarschijnlijk ook te vinden is, beginnen al te kwijnen. Maar eerst in de eerste strofe nog een fraaie meervoudigheid aan betekenissen: een reisgids kan zowel een persoon als een boekwerk zijn en de kinderen kunnen zowel leren aan als leren van.
‘Het donker was week op het scherp van de snede’ lijkt me een typische, knap geconstrueerde Kouwenaar-zin (maar zoals ik al zei: ik ben geen kenner). ‘Week’ drukt niet alleen een gevoel uit, zoals bijvoorbeeld een romantische nacht weke gevoelens los kan maken, maar is ook een vervoeging van het werkwoord ‘wijken’. ‘Was’ doet denken aan een kaars (de beroemdste in Shakespeare’s Macbeth: out, out brief candle!), en aan vlees. Men hoeft zich slechts Madame Tussauds voor de geest te halen en dit ‘was’ wordt belichaamd. ‘Donker was’ is dan misschien een door de zon gebruind lichaam. Of staat dat ‘donker’ meer voor de ondoorgrondelijkheid van de verlangens van het lichaam, waarvan ‘het jeugdige’ als donker was wijkt naarmate we ouder worden? Het donker was week (‘week’ in de betekenis van ‘verdween’) op het scherp van de snede! Let op: niet het scherpst van de snede, maar het scherp. Logisch natuurlijk, want er is maar één scherp iets op deze snede: het ogenblik waarin we leven. Een ogenblik dat ons leven snijdt in toekomst, heden en verleden en dat ‘een sterke, soms pijnlijke indruk op de zinnen maakt’ (betekenis van ‘scherp’ volgens het woordenboek).

Dat Kouwenaar aan het eind van de vierde regel van de tweede strofe ‘jij’ schrijft (en daarmee twee keer jij achter elkaar) is een fraaie kunstgreep. Zo krijgen we als lezers het gevoel dat het ‘wijken’ van ‘het donker was’ ook voor de ‘jij’ geldt. Tevens maakt hij een mooi rustpuntje in een regel die anders misschien te lang en te zwaar wordt. Zwaar is in elk geval ‘het ondraaglijke lot van een blinde’ dat gekocht wordt. Wanneer we denken aan de roerloze trein uit de eerste strofe, kunnen we dat lot als een soort treinkaartje zien. Maar waarom heeft de dichter het over het ‘ondraaglijke’ lot van een ‘blinde’? Daarvoor moeten we naar het begin teruggaan: ‘toen wij nog jong waren… en in het dal diep beneden een… trein zagen’, is de enige regel van het gedicht waarin sprake is van ‘zien’. Een zien dat eerder ‘een schouwen door verbeelding’ is, dan een werkelijk zien met de ogen (als we de trein als een beeld voor de toekomst be-schouwen). Maar men wordt ouder, en men ‘ziet’ steeds minder toekomst voor zichzelf. Dat is het lot van ons allemaal. En in die zin blind worden kan ondraaglijk zijn, vooral wanneer er helemaal geen toekomst meer is, wanneer iemand voorgoed de ogen sluit. Overigens is het lot wat ons te wachten staat natuurlijk altijd het lot van een blinde, omdat we geen van allen weten wat de toekomst brengt.

De derde strofe bevestigt het bovenstaande. ‘Nu is het dus later’ luidt paradoxaal ‘een avond na jaren’ in. De hele regel ‘nu is het dus later, een avond na jaren, de dood’, kunnen we ook inkorten tot ‘nu is het dus () dood’, met de dood keurig aan het eind, zoals te verwachten valt. De trein (de toekomst van toen) is dood, en ook dood-stil vertrokken. Met het roestige eraf: de wereld wordt intussen door de tijd relatief steeds jonger! Maar de tijd van het lot, het treinkaartje, is verlopen. Ons lot bestaat alleen als we leven en niet meer daarna, lijkt Kouwenaar te willen zeggen. Een visie op het lot die hij deelt met een dichter als Achterberg (zoals blijkt uit diens gedicht Werkster). Tenslotte ligt de reisgids open: het leven dat geleefd is, is bekend, is herinnering geworden. Het gedicht eindigt heel mooi, met twee fraai allitererende regels die een weemoedige sfeer oproepen. Onder eendere oudere bomen blijft de ik-persoon achter. Zelf stam geworden waarschijnlijk, nu zijn kinderen, zijn af-stammelingen zijn opgegroeid. Hij drinkt al drinkend zijn glas en tegelijkertijd ‘de hese stem’ van wat vermoedelijk de woorden van zijn overleden echtgenote zijn. Dezelfde die zij riep (haar stem is niet voor niets hees) toen ‘het oor dronk’, aan het eind van de tweede strofe. Zo, in haar afwezigheid, hoort hij beter haar stilte…

Tot zover deze wat losse aantekeningen. Er valt nog veel meer over dit gedicht te zeggen, dat weet ik zeker. Kouwenaar is geen dichter die zich gemakkelijk helemaal geeft. Men moet er de tijd voor nemen om in zijn poëzie wortel te schieten. Mijn plantje staat er pas.


Ivan Sacharov



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.