Klassiekers (141)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

16 februari 2011

Marnix Gijsen - De krantenvrouw

* Een bespreking door Karin Doornik *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (5), Inge Boulonois (19), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (2), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Yves Joris (2), Wim Kleisen (5), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (7), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (3), Lambert Wierenga (11), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (2).

Vooraf

Op de bespreking door Wim Kleisen van 'twee handjes' van Lucebert kwam o.a. een reactie binnen van Joos Olejniczak. Hij schrijft:
Ik dank Wim Kleisen voor zijn bespreking van Luceberts 'twee handjes'; één ding echter meen ik te mogen opmerken waar hij het, aan het eind, heeft over de relatie tussen het gedicht en de tijd waarin Lucebert het schreef. "Wil Lucebert de mensen nu waarschuwen voor een nieuwe oorlog?", vraagt Kleisen zich af. Uit de vervolgzinnen blijkt dat hij daarbij denkt aan de koude oorlog en de 'Russische dreiging'. Ik heb echter de indruk dat een andere oorlog in dit verband veel meer voor de hand ligt, namelijk een koloniale oorlog. Uit diverse vroege gedichten van Lucebert spreekt een sterk engagement met de Indonesische opstand; zie bijvoorbeeld de bekende 'Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia'. In 1953 en 1954, de ontstaanstijd van het gedicht 'twee handjes', zinderde Nederland nog van het ressentiment jegens de nieuwe republiek; op de daar gevoerde processen tegen Nederlanders werd hier zeer heftig gereageerd. 'Wij' hadden Nieuw Guinea nog - en dat zouden we in elk geval niet in handen van Indonesië laten vallen! Ik vind het daarom meer voor de hand liggen om de slotregels in kapitaal, over het terugzetten van de klok, in dit verband te lezen: als een waarschuwing tegen koloniaal revanchisme.

***

Dank voor uw reactie. De vraag op welke mogelijke nieuwe oorlog Lucebert doelt, wordt zo problematisch. Ik kwam op mijn idee, omdat in mijn omgeving niemand bang was voor een nieuwe koloniale oorlog en wel voor een oorlog met Rusland. Maar dat is natuurlijk subjectief. Daarom ben ik eens naar de wereldgeschiedenis uit die tijd gaan kijken.
We kunnen ervan uitgaan dat Lucebert dit gedicht in 1953 of 1954 schreef. Op 29 augustus 1949 bracht de USSR haar eerste atoombom tot ontploffing. Op dat ogenblik werd deze staat een reëel gevaar voor de Amerikaanse hegemonie en dus voor de wereldvrede. In december van dat jaar vond de soevereiniteitsoverdracht in Den Haag plaats. Indonesië en Nederland hadden even geen pijnpunten meer. De staatsgreep van Raymond Westerling wekte wat irritatie aan Indonesische zijde en de bezetting van de Molukken zat Nederland niet lekker, dat wel. Maar tot een echte oorlogsstemming leidde dit niet. De kwestie-Jungschlaeger leidde wel tot spanningen, maar deze Nederlander werd pas in 1954 door de Indonesiërs gearresteerd, te laat dus voor het verhaal van dit gedicht. De kwestie-Nieuw-Guinea werd pas in 1961/1962 actueel en leidde inderdaad tot gevechten. Ook dit feit kunnen we dus buiten beschouwing laten.
Stalin stierf op 5 maart 1953. Er ontbrandde een machtsstrijd, waarvan voor gevoelens van Europeanen en Amerikanen de vrede afhankelijk was. Pas toen Beria werd geëxecuteerd en Chroestsjov aan de macht kwam, voelde men een mogelijke oorlog niet als acute dreiging. In 1962 veranderde dit weer als gevolg van de Cubaanse raketcrisis . Tot de dood van Stalin was het absoluut niet duidelijk wat hij voorhad met de verhouding tot het vrije Westen. De blokkade van West-Berlijn in 1948 leidde wel tot een acute dreiging.
Ik heb serieus nagedacht over uw veronderstelling, maar nu ik dit alles op een rijtje heb gezet, blijf ik bij mijn theorie. Maar, toegegeven, het blijft een theorie. (W.K.)

***
Uit de lezerskring kwam ook nog een interessante suggestie met betrekking tot de titel van de bundel waaruit 'twee handjes' afkomstig is, 'alfabel'. Met finaal accent (zoals Wim Kleisen leest) is er een duidelijke verwijzing naar 'alfabet', maar met initiaal accent wordt het ál-fabel', 'het is allemaal een fabel'! (J.L.)

***
Op 6 februari j.l. overleed op zijn geliefde Curaçao Pim Heuvel, die in de beginjaren van de Klassiekers een groot aantal bijdragen leverde. Hij was o.a. de auteur van het in 1999 bij de Stichting Internationaal Forum voor Afrikaanse en Nederlandse Taal en Letteren te Leiden verschenen Erwtjes blazen naar de zon, een bijzonder instructief boek over het lezen van moderne poëzie. Pim Heuvel werd 85 jaar. (J.L.)



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2600 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 16 maart 2011. Jeroen Dera bespreekt dan Krijgslist van La Pucelle van Jaques Hamelink, uit de bundel Germania, een canto (2010)




De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
een even wrak en nutteloos gerucht.
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol donker gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.


Marnix Gijsen (1899-1984)

Uit: Dichters van dezen tijd, P.N. van Kampen & Zoon N.V., Amsterdam, 1951



Vooraf
Ik ontdekte dit gedicht in de door D.A.M. Binnendijk samengestelde 18e druk van de bloemlezing Dichters van dezen tijd van1951. Paul Rodenko nam het vanaf de door hem verzorgde 20e druk niet meer op.

***
Marnix Gijsen werd op 20 oktober 1899 in Antwerpen geboren als Jan-Albert Goris. Zijn schuilnaam refereert aan zijn moeder Euphrasia Gijsen en aan de voornaam van Marnix van Sint-Aldegonde, de non-conformistische, calvinistische burgemeester van Antwerpen uit de zestiende eeuw. Jan-Albert heeft een streng katholieke opvoeding gehad, o.a. bij de Jezuïeten van St.-Ignatius. Hij bleek een opstandige en kritische jongeman: hij liep op zijn zeventiende mee in een betoging tegen kardinaal Mercier, waarbij Paul van Ostayen werd opgepakt die drie maanden gevangenisstraf kreeg. In hetzelfde jaar redigeerde Jan-Albert, samen met Jozef van Caeckenberghe, een Vlaamsgezind schotschrift: Studenten oordeelt! Aan de studenten van het St.-Ignatius Gesticht, waarin de vervlaamsing van dit instituut werd geëist. Dit leverde hem een “Concilium Abeundi” op: het advies om de onderwijsinstelling te verlaten.
In de jaren die volgen zet Jan-Albert zijn eerste stappen van zijn literaire carrière. We zullen hem vanaf dit punt Marnix Gijsen noemen.
Marnix Gijsen kennen wij vooral als romanschrijver (Joachim van Babylon was zijn romandebuut, o.a. Klaaglied om Agnes, De vleespotten van Egypte, Er gebeurt nooit iets volgden).

Gijsen begon zijn literaire carrière echter als humanitair-expressionistisch dichter. In 1920 vond hij gelijkgestemde auteurs bij de oprichting van het avant-gardetijdschrift Ruimte. Dit tijdschrift was gericht tegen het anarchistisch-individualisme en stond voor collectieve cultuurwaarden: de arbeidersbeweging, de politieke partij, de staat en de kunst in dienst van ‘ethische waarden’, d.w.z. het moderne gemeenschapsleven. Het is een kring van intellectueel en artistiek vooruitstrevende en links gerichte jongeren. In dit jaar debuteert Gijsen als dichter met 'Loflitanie van de H.Franciscus van Assisië':

en – laat me vragen drie dingen, niet waar?
vooral en vooreerst – geef aan allen en geef aan mij, een vaderland om te beminnen,

Geef, – en hier smeek ik u ‘de profundis’ van walg – dat menschen elkanders Vaderland leeren beminnen,

Laat de wereld worden één gansche vreugde van witten vrede en algeheele communie, gelijk uw blije naakte lijf toen gij stierft. O mijn vriend, mijn broeder, mijn heilige vader Franciscus.
Amen.

Dit gedicht heeft een wat brallerige toon, terwijl 'De krantenvrouw' sober van stijl is. In dit werk en de bundel Het Huis (A.A.M. Stols, 's-Gravenhage, 1925) waaruit het gedicht 'De krantenvrouw' oorspronkelijk komt, wijst nog niets erop dat Gijsen een romanschrijver zou worden. Het is heel interessant om te kijken of er in dit gedicht al voortekenen zijn van het latere stoïcijns-agnosticisme, de richting die Gijsen opging tijdens WO II. Wat betreft het stoïcisme kunnen we in deze werken al goed herkennen dat Gijsen de morele plicht erkent zijn sociale verplichtingen te vervullen, deel te hebben aan de menselijke gemeenschap. Naast zijn literaire werk heeft Gijsen dan ook tal van hoge, openbare functies bekleed. Zo was hij gedurende de oorlog Commissaris van het Belgian Government Information Center in New York.

Een agnost claimt geen kennis te kunnen bezitten over de vraag of er een God is of niet. In de bespreking die volgt, zal ik aangeven waar we in het gedicht de kiem van het agnosticisme kunnen vinden.
(Zie http://schrijversgewijs.be/schrijvers/gijsen-marnix/)

Proza of poëzie?
'De krantenvrouw' schetst een beeld van een donkere straat in een niet nader genoemde stad. Het zou een prozastuk kunnen zijn: witregels ontbreken en als je de regels achter elkaar zou zetten is het een verhaal. Het Huis bevat veel van deze anekdotische verzen.
Natuurlijk is het geen proza: regels worden afgebroken en er worden rijmwoorden gebruikt. Als ik witregels aan zou willen brengen dan zouden die zich bevinden tussen r. 6 en 7, 12 en 13. In regel 7 begint een nieuwe regel met hoofdletter, in regel 13 gaat de dichter vragen stellen over de scène die in de voorafgaande regels wordt geschetst.
Het rijm wordt schaarser naarmate het gedicht vordert. In regel 1 tot en met 6 worden vier rijmwoorden gebruikt: avondlucht en gerucht, laten en verlaten. In regel 7 tot en met 14 lantaren, gebaren, nacht en lacht, gebeuren en deuren. Daarna rijmen alleen nog slot (r.16) en God (r.20). Dit is echter wel een heel krachtig rijm ondanks de drie tussenliggende niet rijmende regels, dat is goed te merken als je het hardop leest. Opmerkelijk is hierbij wel dat het gedicht niet eindigt met een vraagteken maar met een punt, terwijl het wel een vraag is: Waarom (r. 17) …… God. Hierover straks meer.

Inhoud
Gijsen geeft een goede sfeertekening van een straat in de nacht. Er roept een krantenvrouw, die iemand zal zijn die huis aan huis kranten probeert te verkopen door de koppen uit de krant te roepen, of 'het laatste nieuws' of zoiets. 'En wil niet laten' (r. 3) betekent dat zij het niet opgeeft. Dan wordt een retorische vraag gesteld (r.4 en 5) over de eenzaamheid van deze vrouw. Eerlijk gezegd krijg ik hierbij Dickensiaanse beelden en moet denken aan het nieuwe boek van Auke van der Woud: Koninkrijk vol sloppen, een beeld van de krottenwijken in het Nederland van de 19e eeuw.
Regel 6 intrigreert: 'een even wrak en nutteloos gerucht.' Slaat dit op het geklaag van de krantenvrouw of op regel 4 en 5: 'Is er een mensch ter wereld meer verlaten?' Deze regel lijkt ook vooruit te lopen op regel 19 'zoo vergeefs en ellendig,' waarover straks meer. Ik heb hierbij ook de neiging om te lezen: een even wrak als nutteloos gerucht.

Er is een ster en een lantaren (r.7). De ene ster versterkt het beeld van een smalle straat waarboven je slechts die ene ster kunt zien. Daar komt nog de 'smalle nacht' bij van regel 8 die de benauwdheid van het alledaagse leven lijkt te suggereren.
In regel 9 komt er kleur in het tafereel door het rendez-vous van '…een minnaar met de ronde gebaren en een meisje dat huivert en lacht.' Binnen de huizen is het geheimzinnig, er speelt zich van alles af waar we niets van weten (r.11 en 12). De dichter vergelijkt de huizen met 'de wanden van een oud en rijk tooverslot'. Dit staat in contrast met de (vermeende) armoedigheid van deze straat en de alledaagsheid die ik heb gezien in de 'smalle nacht'.

Het geklaag van de krantenvrouw wil niet doordringen in de donkere huizen (r. 13 en 14), het is vergeefs, de stem breekt 'als een slechte sleutel/ in het harde slot”'(r. 15 en 16). In de laatste vier regels vergelijkt de dichter dit met het lijden van Christus: het vergeefs vergoten bloed van de gemartelde, met doornen gekroonde en gekruisigde Jezus:

Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.

In dit verband lijken de regels 4 en 5, 'Is er een mensch ter wereld meer verlaten?', vooruit te lopen op dit slot.

Zedenles of agnosticisme?
De bundel Het Huis bevat 'anekdotische verzen die stuk voor stuk een zedenles illustreren'.
(Zie http://schrijversgewijs.be/schrijvers/gijsen-marnix/)

Wij worden als lezer meegenomen naar een tafereel in een stad bij nacht, we zoomen als het ware in op die ene straat in een onbekende stad die tegelijkertijd elke stad kan zijn. We zitten midden in ‘het moderne gemeenschapsleven’, de arme krantenvrouw die iets probeert te verdienen, de minnaar en het meisje, de mensen in hun huizen vol ‘donker gebeuren’. Dan stijgen we er ineens bovenuit: er is een ster boven ‘der menschen smalle nacht’. Die ene ster geeft aan dat er boven de stad nog een hemel is: de ster zelf symboliseert de hoop op de komst van de Messias: de boodschap uit de bijbel. Er is dus niet voor niets gekozen voor een krantenvrouw, die immers ook haar berichten, het nieuws wil verkopen aan de mensen. Maar, 'Is er een mensch meer verlaten?' (4 en 5), loopt vooruit op de verlaten en verraden Jezus aan het kruis in regel 19 en 20. In regel 6 wordt het geklaag van de vrouw een wrak en nutteloos gerucht genoemd. Ik trek ook hier weer een parallel met de bijbel: al tweeduizend jaar verkondigt de bijbel de boodschap van de wederkomst van de Messias, maar de boodschap komt niet aan. De deuren zijn gesloten (r. 14). Haar woord (r.17) kunnen we lezen als ‘het Woord’, nl. de bijbel, dat 'druppelt op den drempel der menschen, zoo vergeefs en ellendig, lijk het bloed van mijn God.'
Dit hele gedicht gaat over de vergeefsheid van de boodschap van Jezus in het Nieuwe Testament, de mensen horen en zien de verkondigingen in de bijbel niet. Tot zover de zedenles.
Tegelijkertijd kunnen we in dit gedicht ook de toekomstige agnosticus zien die Gijsen later zou worden. Er is twijfel over de boodschap, versterkt door alle regels die een vraag zijn: (r. 4 en 5, r. 15-20). De dichter noemt God ook ‘mijn God’, en dan zien we in plaats van het gebruikelijke vraagteken een punt achter de allerlaatste regel, dat de vergeefsheid en ellendigheid bevestigt:

'zoo vergeefs en ellendig/lijk het bloed van mijn God.'

In die regel duikt ook het ik-perspectief op (mijn God) waardoor we hier de eerste tekenen van twijfel aan het bestaan van één God kunnen zien. De agnosticus heeft geen kennis, want 'haar stem breekt als een slechte sleutel in het harde slot'.


********

In latere drukken van Het huis dan waarvan D.A.M. Binnendijk voor Dichters van dezen tijd gebruik maakte, blijkt 'De krantenvrouw' op een aantal plaatsen gewijzigd te zijn. Regel 6 begint nu met 'en' in plaats van 'een' en sluit af met een vraagteken. In regel 11 werd 'donker' tot 'wonder'. Regel 15 werd verdeeld over twee versregels, de slotregel kreeg een vraagteken. Significante verschillen!

De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
en even wrak en nutteloos gerucht?
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol wonder gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem
als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God?

Uit: Het Huis. Verzen, Meulenhoff, Amsterdam, 3e druk 1981.



Karin Doornik



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.