Klassiekers (145)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

15 juni 2011

Piet Paaltjens - Het monster

* Een bespreking door Joris Lenstra *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (5), Inge Boulonois (19), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (5), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (11), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (2).

Vooraf

Naar aanleiding van de bespreking door Paul de Jong van Jules Deelders 'Nationaal gedicht' schreef Fred Stelwagen: 'Dit gedicht zegt niets over niemand. Het is alleen de gekte van voetballiefhebbers.'
Marcel van der Veen liet weten: 'Knap hoor, zoveel ouwehoeren over 28 woorden van Deelder!'
Hopelijk zijn de reacties op deze aflevering iets substantiëler.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2700 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 13 juli 2011. Wim Kleisen bespreekt dan De boot van Dionysos XVII van H. Marsman, uit de bundel Tempel en Kruis (1939).




Het monster

Wie zit daar op die vieze bank
In ’t hoekje van die vunze kroeg
En drinkt er zijn borrels uit en de na
En drinkt er toch - lijkt het wel - nooit genoeg?

Zijn hoed ziet rood - maar roder nog ziet
De punt van zijn neus; de kraag van zijn rok
Glimt smerig, - doch smeriger glans nog glimt
Zijn oogen uit bij iederen slok.

Niet altijd zag die hoed zo rood,
Niet altijd was die kraag zo glad.
Ook die neus heeft eenmaal een andere kleur
Ook dat oog eens een anderen gloed gehad.

Wat booze geest kwam over dien mensch
En wierp hem zijn zwadder op het gewaad.
Wat monster uit het diepste der hel
Sloeg hem de klauwen in ’t bloeiend gelaat?

Wat monster? Ha! als de lente zo schoon
Was zij die de schande bracht over zijn hoofd,
Als het dons van de zwaan zoo blank en zoo zacht
Was de hand die voor eeuwig zijn eer heeft geroofd.


Piet Paaltjens (1835-1894)

Uit: Nagelaten snikken. Poëzie en proza, tekeningen en curiosa uit de nalatenschap van François HaverSchmidt, samengesteld door Hans van Straten, Grote ABC nr. 345, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1979, 3e druk



De onvolprezen Piet Paaltjens (1835 – 1894) is een van de leukste en meest leesbare dichters van Nederland. Zijn werk is doorleefd maar humoristisch. De zelfmoordenaar die door een verliefd stel gevonden wordt hangend aan een boom, halfvergaan, is een klassieker. Net als de treurende jongeman die ’s nachts de stoep nat huilt. Wanneer de volgende ochtend de dienstmeid zijn tranen op komt dweilen, denkt ze dat het (weer) geregend heeft. Dat de vrouw die hij bemint, niet doorheeft dat hij om haar gehuild heeft, steekt hem nog wel het meest.
Hier wordt door Piet Paaltjens een bepaald beeld van de romantiek geparodieerd. Het is de overdreven gevoelige, dweepzieke jongeman die alleen al door het knipperen van de wimpers van een aanbedene tot uitersten wordt gedreven. Overigens hadden de romantische dichters zelf ook door hoezeer ze overdreven en staken ze daar soms zelf de draak mee.

Een van de grote Europese romantische dichters is Heinrich Heine (1797 – 1856) die bekendheid verwierf met de romantische bundel Buch der Lieder (1827), maar daarna meer ironie en spot in zijn werk stopte. In tegenstelling tot Piet Paaltjens spotte Heine niet alleen met het romantische dichterschap, maar ook met politiek en staatszaken. Toch zijn er vele vergelijkingen te trekken tussen het korte, ironische dichtwerk van Heine en de verzen van Paaltjens.

Piet Paaltjens is het pseudoniem van François HaverSchmidt, die in het begin handelde alsof hij zelf Piet Paaltjens niet was. Hij beweerde op diens verzen gestuit te zijn en ze slechts in de openbaarheid te brengen. Maar zijn vrienden viel het al meteen op hoezeer het werk van Piet Paaltjens een bepaalde kant van François HaverSchmidt weergaf.
‘Het monster’ is een gedicht dat niet in zijn bekende bundel Snikken en grimlachjes (1867) terecht is gekomen. Het is pas gepubliceerd in de bundel Nagelaten snikken (1961), die door Hans van Straten, een groot Piet-Paaltjens-fan, samengesteld is uit diens nalatenschap van ongepubliceerde gedichten. Het gedicht behandelt de twee meest bekende levensfasen van François HaverSchmidt: zijn zorgeloze studententijd en zijn positie als dominee. Hoewel het gedicht ongedateerd is, wordt vermoed dat hij dit geschreven heeft in zijn studententijd. Toch werpt het zijn schaduw ook op de toekomst: het naderende domineesbestaan. Want daar studeerde hij voor.

Het gedicht begint als een aardig domineeswerkje tegen het alcoholisme. In de eerste strofe wordt een algemeen beeld van de alcoholist gegeven. Er zit iemand alleen in een hoek van een smerige kroeg en drinkt er vreugdeloos. In de laatste regel wordt de fatale fout van iedere alcoholist benoemd: als hij eenmaal begonnen is met drinken, kan hij er niet meer mee op houden.
In de volgende strofe wordt het sentiment van de luisteraar bespeeld. Afkeurend worden de uiterlijke kenmerken van verregaand alcoholisme beschreven: een rode neus en waterige ogen. Piet Paaltjens doet dit door deze kenmerken van lichamelijk verval te vergelijken met de kleren van de dronkaard. Een rode hoed is zeer opvallend, maar nog opvallender is zijn neus. En de smerige glans van zijn kleren, in de vunzige hoek van de kroeg, vindt zijn climax in de glans van zijn ogen.
Zonder enige vorm van mededogen wordt hier het beeld geschetst van de ziekte alcoholisme. Begin er niet aan, lijkt hier de boodschap van de dominee te zijn. Net zoals de Zangeres Zonder Naam ooit zong in het bekende liedje: ‘Ach vaderlief, toe drink niet meer.’ (1959)

Maar na deze tweede strofe neemt het gedicht een wending. Piet Paaltjens was niet de platte, verbeeldingsloze verzenploeteraar die dit gedichtje af zou ronden met een tenenkrommende strofe over de deugden van een alcoholvrij leven. Verre van dat!
Eerst bereidt hij de luisteraar voor op die wending. Dit doet hij door in de derde strofe de aandacht te vragen voor de situatie van de dronkaard, voordat die in de valkuil van zijn ziekte was gevallen. Hij stelt dat de dronkaard ook eens een beter mens was geweest. Vergeet dat niet. Deze opvatting is nog in lijn met het moralisme van de domineespoëzie. Zo’n vers zou dan kunnen eindigen met de boodschap dat, als de dronkaard maar voorgoed de fles liet staan, hij weer terug kan keren naar zijn oude leven. De bekende boodschap van de Verlossing lijkt nabij.

Daar is het Piet Paaltjens echter niet om te doen. Hij zinspeelt er in de volgende strofe nog wel op door het kwaad te benoemen. Als een ware predikant beschrijft hij de vijand als een helse duivel. Dat deze duivel uitgebannen moet worden, is hier de onuitgesproken verwachting. Het is de climax en tevens het einde van het domineesvers in dit gedicht. Mooi om te zien is hoe hij deze strofe afsluit met een vraag. De luisteraar zit op het puntje van zijn stoel. Natuurlijk weet hij maar al te goed wat het antwoord zal zijn maar, zoals dat gaat bij goede predikanten, houdt de toehoorder er vooral van hoe de boodschap verpakt zal worden.

En dan stapt de spotdichter naar voren om het gedicht onverwachts af te ronden met satijnen handschoentjes aan. Het gedicht gaat helemaal niet over alcoholisme. De duivel is niet een nauwelijks te temmen demon uit de hel, maar een freule schoon als de lente met handen blank en zacht als zwanendons. De ontsteltenis is groot: hoe kan iets dat zo mooi is, zulke vernietigende consequenties hebben?

Door de romantische beeldspraak wordt meteen duidelijk dat het om een mislukte liefde gaat. De dronkaard verandert plotsklaps in een parodie op de romantische dichter. Het gedicht krijgt een tweede betekenislaag. De dronkaard blijkt niet een simpele alcoholverslaafde te zijn maar drinkt uit liefdesverdriet.

Ondanks deze onverwachte, grappige wending blijft de toonzetting zwaar. ‘Bitter-sweet’ zouden de Engelsen zeggen. Zo’n toonzetting is bijvoorbeeld ook in de poëzie van de Britse dichteres Stevie Smith (1902 – 1971) terug te vinden. Het venijn hiervoor zit hem vooral in de allerlaatste regel: ‘... de hand die voor eeuwig zijn eer heeft geroofd’. Er is een hoofse tijd geweest waarin ‘eer’ het hoogste was dat een man bezat. Maar zelfs die is hij kwijtgeraakt. Onherroepelijk bovendien.

Het proces van verval dat door de alcohol gesymboliseerd wordt, is onomkeerbaar. Met de laatste regel wordt er nóg een betekenislaag toegevoegd: de onmogelijkheid om het verleden te herbeleven. De dronkaard is zijn onbeschadigde uiterlijk en zijn innerlijke trots kwijt en zal die niet meer terug kunnen krijgen. Beide liggen in een verleden dat, zo nemen we aan, heel wat beter moest zijn geweest dan het heden.

Van hieruit is het een kleine sprong naar een biografische interpretatie. François HaverSchmidt, geboren in de stokersstad Schiedam, heeft altijd zijn zorgeloze studententijd verheerlijkt. Hij zat maar al te graag in de kroeg met zijn studiegenoten, naast een of andere verlepte dronkaard. En hij schreef maar al te graag korte, spottende versjes over een meisje uit de straat of over diezelfde dronkaard. Het is geen geheim dat hij zich daarna minder thuis voelde in het domineesbestaan. Misschien schoot de gedachte aan de onmogelijkheid om zijn studentenleven vast te houden door zijn hoofd, toen hij dit spotvers schreef.


Joris Lenstra



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.