Klassiekers (146)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

13 juli 2011

H. Marsman - De boot van Dionysos XVII

* Een bespreking door Wim Kleisen *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (5), Inge Boulonois (19), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (6), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (1), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (11), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (2).

Vooraf

In de vorige aflevering besprak Joris Lenstra 'Het monster', een gedicht van François HaverSchmidts alter ego Piet Paaltjens.
Rutger H. Cornets de Groot reageerde: 'Bijzonder aan die laatste strofe vind ik dat op de vraag 'welk monster?' het antwoord met zoveel woorden luidt 'het schone'. De ene esthetische categorie - het sublieme, d.i. het onvoorstelbare, dat wat elk begrip te boven gaat, het 'monsterlijke' - wordt door Paaltjens dus geprojecteerd op de tweede categorie van de esthetica: het schone. Het monsterlijke = het schone. Een kleine eeuw voor schoonheid schoonheid haar gezicht verbrandde (1951) - onteerd, geschonden, verkracht als ze was, maar zelf toch onschuldig gebleven - had ze bij Paaltjens die onschuld dus al verloren.
Dat opent natuurlijk ook mogelijkheden voor een feministische kritiek op dit gedicht: alweer krijgt een vrouw de schuld; dat is al zo sinds Eva..'

Frede Stelwagen liet nog weten: 'Ik vind het grimmig leuk om een mij nog onbekende Paaltjens te mogen lezen.'



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2730 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 10 augustus 2011. Inge Boulonois bespreekt dan Onder de sterren van Henk van Loenen, uit de bundel Dansen op de maat van het ogenblik. De 100 beste gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd (2010).




De boot van Dionysos XVII

‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimte droeg
als zilveren gewei en ’t stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs ’t grondeloze blauw der nachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in ’t dode firmament, niets dan de galm die keert
van ’t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in ’t naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in den nacht,
de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan ’t roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in ’t zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een kreperend dier’.


H. Marsman (1899-1940)

Uit: Verzameld werk, Querido, Amsterdam, 1979, 4e druk



VOORAF
De cyclus De boot van Dionysos, waarvan dit het zeventiende en tevens laatste gedicht is, maakt deel uit van de bundel Tempel en Kruis, die in 1939 verscheen. Dat was aan het eind van Marsmans leven, al wist hij dit zelf niet. Sommigen lezen trouwens in een ander gedicht, De overtocht, wel degelijk een besef van de naderende dood.
Van het voor de jongere Marsman zo kenmerkende kosmische levensgevoel is in De boot van Dionysosgeen sprake meer. Dat de dichter er juist in het slotgedicht van de cyclus wel degelijk op zinspeelt, is een terugblik; het is definitief voorbij, iets wat Marsman op onnavolgbare wijze verwoordt.

VORM
Marsman hanteert hier een klassiek metrum, de zesvoetige jambe, die alexandrijn genoemd wordt. Het is een gedragen metrum waarin Marsmans gedachten treffend passen. Het gedicht bestaat uit vijf kwatrijnen, die alle omarmend rijm vertonen. Behalve in de eerste strofe hanteert Marsman alleen maar staand rijm. De aanhalingstekens geven aan dat de dichter een verder onbenoemde persoon aan het woord laat. Je zou het kunnen beschouwen als een objectivering van zijn eigen persoon.

BESPREKING
De eerste strofe vertolkt het levensgevoel van Marsmans eerste dichterlijke periode. De dichter verbleef in de kosmos alsof het zijn thuis was, hij sliep bij de sterren en zijn kosmische uitvergroting lezen wij in de opmerking dat hij '… ‘t haar der ruimten droeg'. Het spreidt zich als een zilveren gewei uit door de kosmische ruimte. In die oneindigheid lijken de planeten stuifmeel, klein en onaanzienlijk. Let op de antimetrie in '… over den melkweg…'. Die zelfde kosmische vergroting zien we in het beeld dat de dichter de planeten als stuifmeel over de melkweg blies. Een reminiscentie aan 'Paradise Regained' lezen we in het beeld van de dichter die in de maan gezeten 'langs ’t grondeloze blauw der zomernachten voer'. Met name de gelukskleur uit dat gedicht, blauw, keert hier terug.
In 'Paradise Regained', een titel die duidelijk refereert aan Miltons Paradise lost en Paradise regained, verkeert de dichter op de toppen van zijn kosmische levensgevoel. De val in de diepte begint in het hier besproken gedicht bij het 'grondeloze blauw der zomernachten'.

'Paradise regained'

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water

een held're, verruk'lijke-meeslepende wijs:

'het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar 't Paradijs'.
Marsman staat bekend om zijn gewaagde beeldspraak. Dat wordt in 'Paradise Regained' geïllustreerd door 'de blauwe bergen van de morgen'. We laten in het midden of de bergen wel of niet een metafoor vormen, of er al of niet geschreven wordt over de ochtendlijke bergen of dat die bergen metaforisch staan voor de toppen van geluk.
De tweede strofe begint met een prachtige kruisstelling: ‘fonteinen’ horen bij het water en ‘pleinen’ bij het licht. Zoals in de eerste strofe de zon en de zee zien we hier licht en water opgaan in een kosmisch geheel.  In het derde vers van deze strofe lezen we een alliteratie, de twee begrippen ‘zorgeloos’ en ‘zingen’ worden één begrip. Het vierde vers is afzonderlijk geplaatst, strikt genomen als derde strofe. Zo vormt dit vers het hoogtepunt van het gedicht, een hoogtepunt dat geconcretiseerd wordt in de tekst van de ‘wijs’, van het lied, die de laatste strofe vormt. Het rijm, “wijs”, “reis” en “Paradijs” voegt dit vers juist toe aan de laatste strofe. Al zwervend zingen de geliefden.

[N.B. In aflevering 52 van de Klassiekers werd 'Paradise regained' besproken door Joris Lenstra.]

Het contrast tussen de eerste en de tweede strofe van De boot van Dionysos XVII kan niet groter zijn. Van het kosmische levensgevoel is niets meer over. De dichter gebruikt het beeld van een reiziger die beroofd is en 'leeg' achterblijft. Dat 'leeg' slaat meer op de psychische gesteldheid dan op zijn verloren bezit.
Het vers begint met een antimetrie: 'ik ben beroofd…'. Iemand kan zijn schepen achter zich verbranden, hij kan dan niet meer terug. Het beeld geeft hier inderdaad aan dat die terugweg is afgesloten en dat de hoog ingezette onderneming volslagen is mislukt. De stem van de dichter, zijn poëzie, heeft zijn gloed, zijn bezieling verloren. Zijn werk wordt niet meer gelezen, er komen geen reacties op. Hier kunnen wij aan zijn gedicht Holland denken, waarvan de tweede strofe luidt:

dit is mijn land, mijn volk;
dit is de ruimte waarin ik wil klinken.
laat mij één avond in de plassen blinken,
daarna mag ik verdampen als een wolk.

Het enjambement verplaatst ons weer naar de kosmische ruimte, maar de stem van de dichter weerklinkt daar niet meer. In de besloten ruimte van zijn hart – een tegenstelling met de onmetelijke ruimte van de kosmos – klinkt wel een nagalm, maar dat is de echo vanuit het innerlijk van de dichter. Het '… ontredderd hart …' tekent de psychische gesteldheid opnieuw.

De derde strofe is niet voor niets het midden van het gedicht. De dichter schetst hier zijn absolute verlatenheid, zijn desoriëntatie. Hij maakt niet meer deel uit van de kosmische ruimte, hij maakt nergens meer deel van uit. Een mens wil ergens bij horen, deel uitmaken van een verband. Hij wil zin ervaren in zijn leven, dat verband moet bezield zijn. De dichter spreekt het gemis hieraan uit. Zijn leven kent geen bezieling meer. De desoriëntatie gaat zover dat er geen begrenzing meer te bespeuren is, geen horizon, geen zee. De woestijn is bij uitstek een oord van verlatenheid, waarin onervaren reizigers volslagen gedesoriënteerd kunnen raken. Het zand onder je voeten geeft je plaats aan, maar de richting is onbekend. Zelfs die plaatsbepaling, al was het maar één korrel zand, ontbreekt. De dichter kent geen wel en wee meer. Er is geen sprake meer van al of niet welbevinden. Het water stijgt de dichter tot de lippen. Hij beseft zijn verlies, hij kan niets meer uitrichten. Vermoeidheid en afkeer vervullen hem, hij zinspeelt hier op zijn vitalistische periode. In die tijd wilde hij – zie het citaat uit Holland – voor meer dan honderd procent alles uit het leven putten, alles genieten, alle krachten ge- en verbruiken. Hij zegt dit in De grijsaard en de jongeling zo:

Groots en meeslepend wil ik leven …

Hij heeft zijn beste krachten, zijn merg, verspild in het volgen van die vitalistische drang, die hij nu in de woorden van het laatste vers van de vierde strofe verwoordt. Hij heeft zich vergrepen aan het onmogelijke. Het bloed, de bron van zijn vitalisme, was roofzuchtig…
Dan komt het kosmische beeld weer terug, maar nu in een verschrikkelijke anticlimax. Hij, die door de ruimte reisde, in de maan gezeten, valt nu uit die ruimte onpeilbaar diep. Althans, hij beseft dat dit het enige is wat hem rest. Hij verlangt dit ook, de 'vermoeienis en walg' zijn hem te veel geworden. Hij gebruikt het beeld van een meeuw, wiens vlucht zo mooi was, maar die nu is gevallen. Het wier is niet groen, maar zwart, de verrotting is zichtbaar. Dan komt het schrille contrast in de afsluiting nog eens in beeld: hij heeft als zon in het zenit, het hoogste punt van de hemel, gestaan, maar 'bijt nu in het zand als een kreperend dier'.

TOT SLOT
Het lijkt erop dat Marsman zijn dichterschap hier als een volslagen mislukking beschouwt. Maar dit is niet zijn laatste woord. De bundel eindigt met de afdeling De onvoltooide tempel, overigens een uitdrukking uit de context van de vrijmetselarij. Marsman beschrijft een reis door Frankrijk, hij komt in het dal van de Durance en aan de kust van de Middellandse Zee. Hier voelt hij de kracht van de oude culturen, de Griekse en de vroeg-christelijke beschavingen, die hier lijken samen te gaan. Van ondergang is dan geen sprake meer, de dichter lijkt zijn levenskracht te hebben herwonnen. In het laatste gedicht zien we een herleving van het vitalistische besef in de verwevenheid van die twee culturen:

zolang de europese wereld leeft
en, bloedend, droomt den roekelozen droom
waarin het kruishout als een wijnstok rankt,
ruist hier de bron, zweeft boven déze zee
het lichten van den creatieven geest.

Het was 1939, de 'schaduwen van morgen' (Huizinga) waren angstwekkend dichtbij. Zoals de natuur in de herfst voor de barre winter nog één keer de mooiste kleuren vertoont, zo herwon Marsman zijn dichterlijke kracht, vlak voordat de barbaarsheid uit Duitsland aan alle cultuur een einde maakte. Marsman eindigde zijn leven toen de boot waarin hij in juni 1940 met zijn vrouw uit Bordeaux naar Engeland wilde vluchten, werd getorpedeerd.


Wim Kleisen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145 Piet Paaltjens - Het monster

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.