Klassiekers (148)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

14 september 2011

Hans Faverey - Het sneeuwt

* Een bespreking door Herbert Mouwen *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (5), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (6), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (11), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (2).

Vooraf

In de vorige aflevering besprak Inge Boulonois 'Onder de sterren' van Henk van Loenen / Juliën Holtrigter, het gedicht waarmee deze de Turing Nationale Gedichtenprijs won. In de door hem op You Tube voorgedragen versie luidt de laatste strofe 'Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak/ niet meer dan een stel extra kleren, een veldfles, een pen/ en papier.'  Van Loenen liet weten de versie met 'wat kleren' als de definitieve te beschouwen.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2750 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 12 oktober 2011. Rik Wouters bespreekt dan Bestand van Guy van Hoof, uit de (gelijknamige) bundel Bestand (1993).




Het sneeuwt

maar het sneeuwt niet meer.
Toen het begon te sneeuwen
ben ik naar het raam gelopen;

heb ik mij verloren gelopen.

In die tijd ongeveer,

vlak voor de sneeuw weer
begon te vallen, grote, steeds
langzamere vlokken in,
moet het opgehouden zijn

ook met sneeuwen.


Hans Faverey (1933-1990)

Uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993



Tussen moment en duur in een gedicht van Hans Faverey

Bij elke lezing van het gedicht 'Het sneeuwt' van Hans Faverey uit de bundel Lichtval (1981), oorspronkelijk verschenen in Raster 15 (1980) word ik geboeid door het volgende: het gedicht is opgebouwd uit slechts drie zinnen en wanneer ik het gelezen heb, lijkt alle inhoud eruit verdwenen, is er niets overgebleven. Wel is er mijnerzijds verwondering voor in de plaats gekomen, met twee vragen die me fascineren: hoe kan een gedicht zoiets bij de lezer teweegbrengen? En: waar blijf ik als lezer na lezing van Faverey’s gedicht?

De eerste zin ‘Het sneeuwt maar het sneeuwt niet meer.’ is op twee manieren te interpreteren. ‘Het sneeuwt’ kan de titel van het gedicht zijn, maar ook de eerste versregel die na een regel wit doorloopt in de tweede versregel ‘maar het sneeuwt niet meer’. Ik kies voor de interpretatie van de versregel, omdat ik de gehele zin wil interpreteren; het idee van ‘Het sneeuwt’ als de titel van het gedicht gaat daarmee niet verloren. Kijk maar naar de uiterlijke vorm van het gedicht.
Twee zaken vallen op in de eerste zin: (1) het gebruik van het woord ‘maar’ en (2) de meervoudige betekenis van ‘niet meer’. De zin ‘Het sneeuwt maar het sneeuwt niet meer.’ bevat twee constateringen. Ten eerste de titel of eerste versregel ‘Het sneeuwt…’ in de betekenis van: het is aan het sneeuwen. Het proces van sneeuwen is dus aan de gang; er is sprake van een tijdsduur, niet van een tijdstip. Ten tweede de tweede versregel ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ Deze constatering heeft twee betekenissen: (1) een tijdsaanduiding: het is opgehouden met sneeuwen en (2) in een vergelijkende, kwantitatieve betekenis: er komt geen grotere hoeveelheid sneeuw naar beneden dan… Waarmee de sneeuwval in deze laatste betekenis vergeleken kan worden, staat niet genoemd. Ik laat deze laatste betekenisinterpretatie nu rusten, temeer omdat de dichter ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ afsluit met een punt.

Ik wil het gedicht nu onderzoeken op zijn tijdsaspecten. Het woord ‘maar’ is een nevenschikkend voegwoord dat in dit geval twee constateringen tegenover elkaar zet: ‘Het sneeuwt…’ tegenover ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ Wanneer je uitgaat van de betekenis van de tijdsaanduiding, gebeurt er iets vreemds. Het is net of na het lezen van deze zin het gedicht in één keer afgelopen is. Je constateert dat het sneeuwt – zo je wilt: in de titel of in de eerste versregel – en het is meteen klaar. De dichter heeft zelfs de komma als pauzeteken voor ‘maar’ weggelaten, waarmee de mogelijkheid dat ‘Het sneeuwt’ de titel is open blijft en waarmee hij de doorlopende tijdsduur van een handeling die nauwelijks plaatsvindt, creëert. Hij opent het gedicht en het gedicht ‘klapt’ ogenblikkelijk dicht. De dichter bouwt iets op en breekt het meteen weer af. Deze benadering komt de lezer misschien als bizar over, maar het afbreken van de handeling is een constante in de poëzie van Faverey. De regel wit die tussen de eerste en tweede versregel zit, suggereert ruimte en/of een tijdspanne en roept de vraag op: wat heeft zich tussen ‘Het sneeuwt…’ en ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ afgespeeld?

De tweede zin ‘Toen het begon te sneeuwen ben ik naar het raam gelopen; heb ik mij verloren gelopen.’ blikt door het gebruik van de voltooide deelwoorden ‘gelopen’ en ‘(verloren) gelopen’ terug op het moment dat het ging sneeuwen. Dat moet dus in tijd gezien voor de constatering ‘Het sneeuwt’ liggen. Het gedicht dat tot nu toe onpersoonlijk is, presenteert een ‘ik‘ die waarneemt dat het begint te sneeuwen en deze ‘ik’ loopt naar het raam. De puntkomma geeft aan dat de actieve handeling ‘(…) ben ik naar het raam gelopen;’ daarmee ook is afgelopen. Het leesteken puntkomma gebruikt Faverey veel in zijn gedichten als afsluiter of afbreker van de handeling.
De versregel ‘heb ik mij verloren gelopen.’ is samengetrokken in ‘Toen het begon te sneeuwen (…)’, anders gezegd: de versregel kan aan ‘Toen het begon te sneeuwen (…)’ gekoppeld worden. Wat is dat precies: ‘zich verloren lopen’? ‘Verloren lopen’ is ‘ronddwalen, doelloos rondlopen’. Opvallend is hier de toevoeging van het wederkerende ‘mij’. Blijkbaar is de werkwoordelijke uitdrukking voor Faverey ‘zich verloren lopen’. De toepassing van wederkerende voornaamwoorden is kenmerkend voor zijn poëzie vanaf het verschijnen van zijn tweede bundel Gedichten 2.
Na de versregel ‘heb ik mij verloren gelopen.’ lijkt – net als na de eerste zin – ook hier het gedicht te worden afgebroken. We komen niet te weten of de tijdsduur waarin de ‘ik’ naar het raam liep, even lang is als de tijdsduur waarin hij zich verloren heeft gelopen. Bij mij roept ‘zich verloren lopen’ een langere tijdsduur op dan ‘naar het raam lopen’, maar uit het gedicht is het niet exact te halen. Het verschil is voor mij gevoelsmatig. Ik vraag me af of het vaststellen van tijdsduur in het gedicht van enig belang is. Wat is er tot nu toe gebeurd? Het ging sneeuwen, de ‘ik’ is naar het raam gelopen en heeft zich verloren gelopen: een waarneming, een handeling en de constatering dat de handeling een dramatische afloop heeft gekregen.

De derde zin is op zich verrassend, zeker wat de structuur betreft: ‘In die tijd ongeveer, vlak voor de sneeuw weer begon te vallen, grote, steeds langzamere vlokken in, moet het opgehouden zijn ook met sneeuwen.’ De zin is in principe in haar totaliteit ongrammaticaal, maar – optisch verdeeld in zes versregels – tegelijkertijd uitermate poëtisch. De zinsnede ‘grote, steeds langzamere vlokken in’ heeft een ongrammaticale woordvolgorde, die veroorzaakt wordt door de plaatsing van het voorzetsel ‘in’. Tegelijkertijd zorgt deze ongrammaticale woordvolgorde ervoor dat je als lezer gespitst ben op de mogelijke functie en betekenis ervan. Omdat hier een tijdsspanne beschreven wordt tussen twee tijdstippen, namelijk het startpunt vlak voordat het sneeuwen begon en het ophouden ervan, suggereert deze zinsnede een terugdenken in de tijd naar het startpunt ‘vlak voor de sneeuw weer begon te vallen’.

De eerste versregel ‘In die tijd ongeveer’ roept het beeld op van het begin van een lezing uit het evangelie uit mijn kindertijd – toen ik nog wekelijks in de kerk vertoefde – die begon met ‘In die tijd…’, die hier meteen gerelativeerd wordt door de toevoeging van het woord ‘ongeveer’. ‘In die tijd ongeveer’ is door de ambiguïteit een zeer fascinerende versregel. Deze versregel duidt (1) een tijdstip aan en heeft (2) de betekenis van een tijdsduur, een tijdsverloop. En het woord ‘ongeveer’ breekt de exacte vaststelling ogenblikkelijk weer af en relativeert het precieze tijdsverloop. Het komt als ongeloofwaardig over, maar het is o zo Favereyaans: iets poëticaal opbouwen en meteen weer afbreken of terugnemen. Iets vaststellen of vastleggen is vrijwel uitgesloten. Van de aanloop – dat is de eerste versregel – van deze lange zin, die bestaat uit zes versregels, blijft door de toevoeging van ‘ongeveer’ inhoudelijk in feite niets over. En de zin moet inhoudelijk gezien nog beginnen! Wat betekent dat voor de betekenis van de rest van de zin, die overige vijf versregels ‘… vlak voor de sneeuw weer begon te vallen, grote, steeds langzamere vlokken in, moet het opgehouden zijn ook met sneeuwen.’ die overblijven? De twee laatste versregels ‘moet het opgehouden zijn / ook met sneeuwen’ kun je moeiteloos koppelen aan ‘In die tijd ongeveer’. Daarmee gaat de tussenzin – misschien is binnenzin een beter woord – die bestaat uit drie versregels (‘vlak voor de sneeuw weer / begon te vallen, grote, steeds / langzamere vlokken in’) een contrast vormen met bovengenoemde buitenzin. Inhoudelijk ontstaat er een fascinerende paradox. Ongeveer op een bepaald tijdstip moet het opgehouden zijn. Wat moet opgehouden zijn? Het sneeuwen dat wordt aangeduid met de mededeling dat de sneeuw weer begon te vallen. De ongrammaticale woordvolgorde, met de achterplaatsing van het voorzetsel ‘in’ achter de zelfstandig naamwoordconstructie ‘grote, steeds langzamere vlokken’ suggereert het ophouden, parallel aan een stilzetten van de tijd. Die binnenzin ‘vlak … in’ geeft kracht aan de slotapotheose ‘moet het opgehouden zijn’, maar dan komt er na een interlinie nog ‘ook met sneeuwen’. En het sneeuwen was al opgehouden!? Het houdt ook nog eens op! De paradox mist bij mij zijn uitwerking niet: ik ga het gehele gedicht opnieuw lezen. Ik wil er vat op krijgen, maar dat lukt niet, ik ga ‘rondlezen’, ik blijf lezen en zo blijft het sneeuwen zolang als ik het gedicht lees.
Ten slotte is het nog mogelijk – wanneer het om inbedding gaat – de regels ‘Toen het begon… ook met sneeuwen’ te plaatsen tussen ‘Het sneeuwt’ en ‘maar het sneeuwt niet meer’. Hetzij tussen titel en eerste versregel of in de eerste versregel na de persoonsvorm en het tegenstellend nevenschikkend voegwoord. Wonderbaarlijk!

Van Hans Faverey is bekend dat hij zijn gedichten mooi voordroeg, met gevoel voor het ritme en het melodische. Misschien moet je het gedicht gewoon zo mooi mogelijk lezen en genieten van het klankspel en niet proberen een vinger achter de betekenis van de woorden en de zinnen te krijgen. Dat het gedicht het openingsgedicht was van de reeks Sur place versterkt bij mij het gevoel dat dit gedicht zich afspeelt tussen moment en duur, tussen stilstand en beweging en daarom blijf ik zoeken naar de betekenis, naar een afdoende interpretatie.

Ik heb zeker niet de pretentie een sluitende, afdoende interpretatie te hebben afgeleverd. Integendeel, deze analyse zal ongetwijfeld leiden tot reacties en mogelijke, andere interpretaties. De twee vragen die ik aan het begin van deze analyse aan mezelf stelde, blijven me fascineren. Ik krijg er amper een bevredigend antwoord op.
Hoe kan een gedicht bij de lezer teweegbrengen dat hij denkt of voelt dat alle inhoud na lezing eruit verdwenen is, dat er niets overblijft? Omdat Faverey het in dit gedicht voor elkaar krijgt de tijd stil te zetten? Omdat hij tijdsduur weet te transformeren tot een tijdstip, dat verdwijnt of zo je wilt ‘ophoudt’? Omdat hij als dichter elke werkelijkheid die hij door middel van taal opbouwt ogenblikkelijk weer afbreekt? Het is allemaal mogelijk, maar ik kan niet echt een keuze maken.
Waar blijf ik als lezer na lezing van Faverey’s gedicht? Ik heb de neiging om te zeggen: nergens! (Misschien vinden andere lezers dat, ik gun het ze.) Toch heb ik me tijdens de lezing ervan geïdentificeerd met de ‘ik’ in het gedicht, maar tegelijkertijd ben ik slechts een waarnemer van een gebeurtenis geweest, die je kunt aanduiden met ‘Het sneeuwt’. De ‘ik’ loopt naar het raam en ziet dat het sneeuwt. De belevende ‘ik’ in het gedicht herinnert zich die belevenis en telkens zal de lezende ‘ik’ zich die gebeurtenis opnieuw herinneren, wanneer hij het gedicht leest.

Ik zie uit naar die reacties die een bijdrage leveren aan het beter begrijpen van dit gedicht dat voor mij zo kenmerkend is voor het werk van Faverey en vooral naar andere perspectieven om zijn werk te benaderen.

***

Literatuur

Hans Faverey, Verzamelde gedichten. Amsterdam 1993.
Rein Bloem, Hans Faverey: De verdrijving van woorden in zinnen In: Literair lustrum 2. Een overzicht van vijf jaar Nederlandse literatuur 1966-1971. Amsterdam 1973.
Tom van Deel, Onthechtingsoefeningen. In: De revisor V / 6. Amsterdam 1978.


Herbert Mouwen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145 Piet Paaltjens - Het monster 146 H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147 Henk van Loenen - Onder de sterren

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.