Klassiekers (151)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

14 december 2011

Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht

* Een bespreking door Wim Kleisen *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (5), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (7), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (3).

Vooraf

Direct na de verschijning van Klassiekers 150, de bespreking door Lambert Wierenga van 'Je truitjes en je witte en rode' van Herman de Coninck, wees een attente lezeres erop dat de tweede strofe zoals wij die afdrukten liefst twee fouten bevatte. Zo had het er moeten staan:

     Kom er maar in, lezer, maak het je
     gemakkelijk, struikel niet over de
     zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen,
     gaat u zitten.

In onze 'versie' waren regel drie en vier één versregel (kwestie van een invalide afbreekcode) en stond er in plaats van het uitnodigende 'Kom er maar in, lezer' nogal uitdagend 'Kom maar op, lezer'. Een fout die in de oerversie van de bespreking ontstond en waar vervolgens voortdurend overheen gelezen is. Op de site kon het onmiddellijk hersteld worden, maar in het e-mailbericht was het kwaad al geschied.
Excuus!



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2810 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren? Vaste medewerker worden? Neem contact op met Meander Klassiekers.
Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 18 januari 2012. Rik Wouters bespreekt dan Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten van Paul Snoek, uit de bundel Nostradamus (1963).




Het lied van het morgenlicht

Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet ze gaan voorbij.

Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pasgewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van een gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige sebastiaan.

En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf ik groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen wij dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.


Hans Andreus (1926-1977)

Uit: Muziek voor kijkdieren, De Windroos XII, UM Holland, Amsterdam, 1951.
In: Verzamelde gedichten, (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen), Bert Bakker, Amsterdam, 1983.



Natuurlijk
is het mijn schuld
als het licht daar niet is
waar ik ben


Vooraf
De tekst van dit gedicht is ontleend aan Verzamelde Gedichten, Amsterdam, 1983. Het is het eerste gedicht uit de eerste bundel van Andreus, Muziek voor kijkdieren. De bundel kwam in 1951 uit. Het 'Laatste gedicht' uit zijn bundel Laatste gedichten is eerder voor De Klassiekers besproken door Edith de Gilde. Zij gaat zeer uitvoerig in op de biografische aspecten van Hans Andreus. Ik verwijs hiervoor dan ook naar haar bespreking. Bovendien heeft Jan van der Vegt een heel informatieve biografie van Andreus geschreven: Hans Andreus. Biografie, Baarn 1995. Ik kan mij dus beperken tot de bespreking van het gedicht zelf. In hoeverre zijn 'Laatste gedicht' inspeelt op 'Het lied van het morgenlicht', komt wel aan de orde. In de Verzamelde Gedichten staan na dit gedicht nog verspreide gedichten, maar chronologisch is het 'Laatste gedicht' ook echt het laatste.

In 'Het lied van het morgenlicht' staat geen interpunctie, op de punt na die iedere strofe afsluit. De strofen bestaan uit achtereenvolgens vijf, zes en zeven verzen. Het rijm lijkt willekeurig en leent zich dus niet voor een bespreking. Het metrum is jambisch zonder antimetrieën. Op het eerste gezicht is de taal niet cryptisch, maar de metaforen moet je toch wel goed duiden, wil je tot een interpretatie van het gedicht komen.

Bespreking
Dit gedicht is puur visueel, zij het wel met een beschouwende visie. Gezien de biografie van Andreus mag je het in Amsterdam situeren. Je moet al een redelijk gevorderde leeftijd hebben - die waarop je jezelf nog niet zo oud vindt, hoewel je kleinkinderen zeggen dat je wel héél oud bent – een gevorderde leeftijd dus om het gedicht in zijn locatie te plaatsen: Amsterdam uit de vroege vijftiger jaren. Het is ochtend en de zon schijnt.

Visuele aspecten
Het morgenlicht is heel vluchtig, de voeten van de voorbijgangers zijn veel concreter. Waarom de voeten? Het point of view moet een kelderwoning zijn, waaruit je door het raam de voeten van de voorbijgangers ziet, meer niet. Erg veel blijdschap om het licht kan de ik-figuur niet bespeuren. Met de dingen is het anders. De pasgewassen trams weerspiegelen het licht, de rails net zo. Ook de elektriciteitsdraden erboven glanzen in het licht, zeker als er nog druppels van dauw of recente regen aan hangen. Het water weerspiegelt het licht nog veel sterker. Je kunt het duister ervan niet meer zien, het glinstert oogverblindend. St. Sebastiaan was een Romeinse officier die tot het christendom toetrad. Hij weigerde toen dienst en werd als straf naakt aan een boom gebonden en met pijlen beschoten, totdat hij stierf. Zijn lichaam moet oogverblindend wit zijn geweest, ook schilders die dit gebeuren schilderden, laten dit zien. Sebastiaan is heilig verklaard en dat wil zeggen dat er volgens de Kerk geen kwaad in hem was, evenmin als er duister in het water valt te bekennen.
En dan een scène waar je zo al vrolijk van kunt worden. Een haringkarretje. Zeker, als de zon erop schijnt. Het glanst en ook de zilverkleurige haring doet mee. Zelfs de man is blijkbaar blij gestemd. Al deze 'dingen' trekken het licht naar zich toe en weerspiegelen het. Zo kan ook een gezicht de innerlijke blijdschap weerspiegelen.

Beschouwelijke aspecten
Licht is ijl, je kunt het niet in je greep krijgen, zoals je dit met bijvoorbeeld zand wel kunt. Het is autonoom. De schoonheid ervan is aanstekelijk, je wordt er blij van, althans: dit zou zo moeten zijn. Met de voorbijgangers is dit niet het geval. Aan de haast waarmee zij lopen, kun je zien dat zij geen aandacht schenken aan het licht. Ze zijn laat, ze haasten zich naar de werkplek, naar werk dat vervreemdend is, dat geen voldoening schenkt. Werk dat je alleen om de beloning verricht. Het morgenlicht is er wel, maar zij moeten verder, hebben er geen tijd voor. De ik-figuur knikt ze toe, wenst ze moed toe het werk vol te houden, het licht zou hen toch blij moeten maken.
Wat is geloven? Kierkegaard zegt ervan: “Zichzelf willen zijn is gronden in die macht die ons geponeerd heeft.” Deze mensen zijn zo zichzelf niet, want - ik schreef het al – werk is voor hen vervreemdend. Zij voelen zich overgeleverd aan de macht van de dagelijkse realiteit, niet aan de macht die ons geponeerd heeft. In het vijfde vers van het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes staat: “Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen.” In de vrijmetselarij is dit een heel bekende uitspraak.
De tweede strofe gaat over de dingen die wel in het licht kunnen geloven, een tegenstelling dus met de mensen in dit gedicht. De beelden en de metaforen zoals we die in de visuele aspecten hebben gezien, drukken dit uit. In licht is geen duisternis, geen kwaad, in het weerspiegelende water is evenmin die duisternis te zien.
Via de man met de haringkar komt de ik-figuur weer bij zichzelf uit. Hij wil het morgenlicht begroeten, maar het is te ijl en te vluchtig om het vast te houden. De ik-figuur laat de vraag of het zich laat begroeten onbeantwoord. Als er interpunctie had gestaan hadden we hier gedachtepuntjes gezien: '…'.

In de laatste drie verzen hanteert de dichter geen beelden en metaforen meer. Hoe lees ik deze zinnen? Je kunt, parallel met regel drie, het volgende lezen: 'Wij móeten', zeggen wij, 'dit is het morgenlicht'. Het zinsaccent valt dan op moeten. Zo ook: 'Wij móeten', zeggen wij, 'het licht is ons gezicht'. Zo zou het moeten zijn. Zo vanzelfsprekend als de dingen de blijdschap om het licht opnemen en weerspiegelen, zo zou ons gezicht dit ook moeten doen. In het laatste vers breekt het besef van eindigheid door, de vreugde wordt getemperd. 'Wij móeten', zeggen wij, 'het licht gaat eenmaal dicht.' Als je er nu niet blij om bent, wanneer zou het dan nog kunnen?

Maar je kunt deze verzen ook anders lezen, met het zinsaccent op zeggen. 'Wij moeten zéggen, wij', 'dit is het morgenlicht'. Er is alleen het morgenlicht, puur, onvertroebeld. Dat schenkt ons vreugde. 'Wij moeten zéggen, wij,‘ 'het licht is ons gezicht'. Ons gezicht mag die blijdschap weerspiegelen, uitstralen. 'Wij moeten zéggen, wij,' ‘het licht gaat eenmaal dicht’. Vreugde en geluk zijn niet blijvend, ze zijn momentaan. Er komt een eind aan. Mensen zijn nu eenmaal eindig.

Tot slot
Licht is het grondthema in de poëzie van Andreus. Ondanks zijn depressieve perioden komt hij steeds weer uit bij het licht. Zijn poëzie is ervan vervuld. Blader de Verzamelde Gedichten maar eens door. Bij twee bundels verschijnt 'licht' ook in de titel: Klein boek om het licht heen (1964) en Om de mond van het licht, een kleine case history (1973).

En dan komt aan het slot het 'Laatste gedicht'. Dichter en ik-figuur zijn samengevloeid. Het gedicht is strikt persoonlijk. Andreus heeft kanker, is ongeneselijk ziek. Hij is nu in alle hardheid met zijn eindigheid geconfronteerd. '…hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht / van mij, van jou…' Die 'jou' noemt hij 'Heer' hoewel hij zich daar nauwelijks iets bij kan voorstellen. De slotvraag van dit sonnet: 'Of is het dat jíj me er een onverdicht / woord dat niet uitgesproken hoeft voor vindt?' Het had een regel van Achterberg kunnen zijn…


Wim Kleisen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145 Piet Paaltjens - Het monster 146 H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147 Henk van Loenen - Onder de sterren 148 Hans Faverey- Het sneeuwt 149 Guy van Hoof- Bestand 150 Herman de Coninck- Je truitjes en je witte en rode

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.