Klassiekers (153)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

15 februari 2012

Leo Vroman - Vrede

* Een bespreking door Wilma van den Akker *


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (7), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (3), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

Op de bespreking door Rik Wouters van 'Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten' van Paul Snoek kwamen geen reacties binnen.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2860 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 14 maart 2012. Ivan Sacharov bespreekt dan Hulshorst van Gerrit Achterberg, uit de bundel Eiland der ziel (1939).


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Vrede

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.


Leo Vroman (1915)

Uit: Uit slaapwandelen, Querido, Amsterdam, 1957.



Vrede
Dit overbekende gedicht publiceerde Leo Vroman voor het eerst in 1954, in een aflevering van De Gids, negen jaar na de Tweede Wereldoorlog. Het is ook bekend dat de dichter in de oorlog naar Nederlands-Indië vluchtte en daar werd geïnterneerd in verscheidene Japanse kampen. Het gedicht 'Vrede' moet wel over die oorlog gaan. Het oorlogsgeweld is in zijn dromen, in zijn huis en in zijn relatie gedrongen. Zijn plotselinge vertrek met een taxi, is dat het gevolg van een knallende ruzie, of verwoordt de dichter hier zijn vlucht uit Nederland? In ieder geval scheidde hij met een scheurend geluid van zijn lief. Op dat moment 'ketste keisteen in haar lenden'. Later dromen beiden dat de oorlog terugkeert 'op vilten voeten'. Het lijkt of zij elkaars gillen in die dromen kunnen horen.

De tweede strofe begint met een vreemde verandering in de werkwoordstijd: '// Sinds ik mij zo onverwacht / in een taxi had gestort / dat ik in de nacht een gat / naliet dat steeds groter wordt, /'. Het zou flauw zijn om hier te spreken van rijmdwang. Het gat groeit nog steeds en dat is in deze context heel aannemelijk. Intrigerend is het gebruik van 'droogte' in dezelfde strofe. Bij het plotselinge afscheid 'bloost zijn zachtbetraande schat droogte van ellende'. Betekent dit dat zij zoveel huilt dat ze er droog van wordt? Of valt het wenen juist moeilijk en wordt ze er rood van? Ook de 'ik' is 'te dicht en droog van vel'. De kreukels die hij knijpt, doen denken aan het vel van een oude man. Droogte kan hier ook slaan op het gemis van lichamelijke liefde. Na de overhaaste vlucht knarst en vloekt hij, ontdaan van liefde 'een stinkend wonder / van onthoofde wulpsigheden /' Eerst wordt woede geuit om het gemis van liefde, om 'vrede, godverdomme, vrede'. Het verdriet, het wenen komt later, als de oorlog is verdwenen.

Overdrijving
Zo betrekkelijk kort na de oorlog helpt er geen duif van honderd pond aan, met een hele olijfboom in zijn klauwen. Met deze overdrijving van de vredesduif met olijftak geeft de dichter aan, dat het onbegonnen werk is. Al wordt hem honderd keer verteld dat de oorlog voorbij is, hij blijft wenen. De gruwelijke herinneringen blijven zich opstapelen als 'een toren van vuil / lang vergeten keldermodder'.

Voor het grootste deel heeft het gedicht een prettig ritme, met gekruist rijm, dat afwisselend mannelijk en vrouwelijk is. Op twee punten wijkt Vroman hiervan af: aan het begin van de tweede strofe staat het woord 'onverwacht' zonder rijmpartner en verderop, halverwege de vierde strofe, wordt het rijmpatroon onderbroken vanaf 'nadat eensklaps,...' en wordt pas weer opgepikt in de laatste vierregelige strofe. 'Onverwacht' en 'eensklaps' zijn woorden die betekenis geven aan het onderbreken van rustige patronen. Hier worden in beide gevallen schokkende gebeurtenissen ingeleid: 'Onverwacht' kondigt de vlucht, scheiding en steeds groter wordende leegte aan, 'eensklaps' doet de oorlogsherinneringen weer opduiken. Het vreselijkst vindt de dichter 'de eeuw dat niets geschiedt'. Dit gezegd hebbende beschrijft hij nog eens hoe erg de oorlog was: bloed, vuur, delen van 'dode doch aardige mensen'. Dan noemt hij weer 'de eeuwige stilte' en tenslotte een verbaasd kind dat gewurgd wordt en zijn armpjes opheft. Is dat een gebaar van wanhoop? Of het verlangen om opgetild te worden? De conclusie blijft hetzelfde: '/ alle malen zal ik wenen. // '

En dan, in 2011, komt de bundel Daar uit. Vroman is inmiddels ver in de negentig en zijn gedichten gaan nu vaak over sterven en afscheid nemen. In Daar staat ook 'De kleinste vrede':

De kleinste vrede

Als een musje van achttien gram
met wat olijfdrab aan zijn teentje
op een ochtend bij ons kwam,
en nog eentje, en nog eentje,

dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,

maar zou een vrede ondergaan en
dan voelde ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
En o mijn tranen.
O mijn tranen

Uit: Daar (Querido, 2011), pag. 191


Afgezwakt?
Nooit zal ik weten, hoe ik dat gedicht zou hebben gelezen als ik niet van 'Vrede' had geweten. 'Vrede' klinkt hier zo sterk in door. Maar alles is kleiner. Het gedicht is korter, de duif van honderd pond is een musje van achttien gram geworden en de olijfboom een beetje drab. In plaats van het geluid van koren zoete vrouwen klinkt slechts wat mussengetjilp. Het rijmpatroon wordt hier niet onderbroken. Er gebeurt niets onverwachts en 'zal ik alle dagen wenen' is veranderd in 'o mijn tranen'. Het lijkt erop dat ruim een halve eeuw later de herinnering aan het oorlogsgeweld toch enigszins afgezwakt is. Maar... op de volgende pagina staat nóg een variant van 'Vrede':

De kleinste vrede (tweestemmig)

KOMT EEN DUIF VAN HONDERD POND
Als een musje van achttien gram
EEN OLIJFBOOM IN ZIJN KLAUWEN
met wat olijfdrab aan zijn teentje
BIJ MIJN OREN MET ZIJN MOND
op een ochtend bij ons kwam,
en nog zo eentje, en nog eentje
VOL VAN KORENZOETE* VROUWEN.
dan na onderling beramen
keken zij mij even aan
VOL VAN KIRRENDE VERHALEN
en tjilpten een verhaaltje samen,
ik zou er geen tjilp van verstaan,
HOE DE OORLOG IS VERDWENEN
maar zou een vrede ondergaan en
EN HERHAALT ZE HONDERD MALEN
dan voel ik alle haat en
pijn dit land verlaten.
ALLE MALEN ZOU IK WENEN.
En o mijn tranen.
O mijn tranen

* in 'Vrede' staat: 'vol van koren zoete vrouwen', hier: 'KORENZOETE VROUWEN', zonder spatie dus. Het zou een zetfout kunnen zijn, maar ook een bewuste betekenisverschuiving, aangebracht door de dichter zelf.


De duif van honderd pond gaat hier de dialoog aan met het musje van achttien gram. De duif spreekt in kapitalen: '/ VOL VAN KIRRENDE VERHALEN /. De mus en zijn soortgenoten '/ tjilpten een verhaaltje samen, /'. De samenspraak en afwisseling suggereren dat de twee stemmen met elkaar wedijveren en dat de waarheid in het midden ligt. Maar een even goede conclusie lijkt mij dat de verschillende stemmen én het wenen én de tranen bij elkaar worden opgeteld, waardoor de vrede nog kleiner is dan bij de eerste variant. Het is nu echt de allerkleinste vrede, tweestemmig. Het is onmogelijk om ooit echt vrede te hebben met een brandende stad en een 'versgebraden kind'. Ook al voel je 'alle haat en / pijn dit land verlaten./'


Wilma van den Akker



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145 Piet Paaltjens - Het monster 146 H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147 Henk van Loenen - Onder de sterren 148 Hans Faverey - Het sneeuwt 149 Guy van Hoof - Bestand 150 Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151 Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152 Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.