Klassiekers (154)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

14 maart 2012

Gerrit Achterberg - Hulshorst

Een bespreking door Ivan Sacharov


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (5), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (7), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (4), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

In de bijna twaalf jaar van het bestaan van de Klassiekers is een aantal dichters favoriet gebleken. Er werden vier gedichten behandeld van Leopold, Slauerhoff, Nijhoff, Vasalis en Kopland en vijf van Vroman, Andreus en Achterberg. Van deze laatste komt er nu zelfs een zesde aan de orde, het bekende 'Hulshorst'. Er is al veel over geschreven, maar Ivan Sacharov slaagt erin toch nog nieuwe invalshoeken te vinden.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 2890 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 18 april 2012. Karin Doornik bespreekt dan Sappho van Ida Gerhardt, uit de bundel Het Veerhuis (1945).


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Hulshorst

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte veluwhart.


Gerrit Achterberg (1905-1962)

Uit: Alle gedichten I, Verzamelde gedichten ed. De Bruijn, Lucas en Stolk, Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2005.



Over 'Hulshorst' van Gerrit Achterberg is al veel geschreven, maar ik wil hier toch nog een poging wagen, want het is een schitterend gedicht.
Het komt uit Eiland der ziel [1], de tweede bundel van de dichter (als we zijn aandeel in het jeugdwerk De zangen van twee twintigers [2] niet meerekenen) en kan dus als een betrekkelijk vroeg specimen van zijn kunst worden beschouwd.
Dat vroege zou, zelfs als het een onbekend gedicht was, bijna te herkennen zijn aan de vorm: geen sonnet zoals in veel van zijn latere gedichten, maar een gedicht dat slechts één enkele strofe beslaat en waarvan het aantal versvoeten zoals bij veel vroege gedichten per regel verschilt, met dit ene – opvallende – verschil dat de versvoeten hier trocheeën zijn, en in de meeste andere gedichten jambes. Wellicht om de slepende cadans van een rijdende trein te imiteren?
Mogelijk had de dichter er in de loop van de tijd behoefte aan om zijn gedachten in een steviger mal te gieten om een onzekerder functionerende inspiratieve ader te compenseren [3]. Maar wie durft zich hier helemaal uit te spreken? Het kan ook Achterbergs neurotische aanleg zijn geweest die hem een meer vormvaste richting in de poëzie opstuurde. Feit blijft natuurlijk dat hij ook prachtige sonnetten heeft geschreven.

'Hulshorst' kan een vergelijking met de allerbeste sonnetten heel goed doorstaan. Ondanks de vrijere vorm is het een zeer karakteristiek gedicht, dat zijn populariteit niet in de laatste plaats te danken zal hebben aan de herkenbare scène die erin wordt opgevoerd: een trein die stopt bij een station en waarmee het aansluit bij een lange traditie van gedichten waarin treinen een rol spelen. Het bekende blijkt even noodzakelijk voor een goed gedicht als het onbekende.
De dichter legt er de nadruk op dat de trein wel stopt, maar dat niemand uitstapt en ook niemand instapt: mooi beeld voor gewoontes die maar doorgaan, zelfs al is de zin ervan allang verstreken. Dergelijke empty shells kennen we allemaal: het zit in ons bloed om onszelf te herhalen, soms tegen wil en dank. Rekwisieten van oude liefdes die ons blijven achtervolgen? Wie zal het zeggen.

Maar dit brengt me op de titel: 'Hulshorst'. Het is bekend dat Achterbergs inspiratie vaak in gang gezet werd door de letterlijke betekenis van een woord dat hij ‘ontdekte’ zoals een kind nieuw speelgoed. Dit lijkt bij 'Hulshorst' ook het geval geweest te zijn. Behalve een leuk plaatsje aan de rand van de Veluwe met een eigen station [4], is het als naam een interessante samenstelling van twee aparte termen: huls en horst. De link van huls met de inhoud van het gedicht heb ik eigenlijk al verklaard, maar horst: dat is een nest van (roof)vogels. Is Hulshorst op te vatten als de (overgebleven) huls van een oud nest? Dan wordt het natuurlijk heel verleidelijk om dit in verband te brengen met het bekende centrale thema van de dichter: de gestorven geliefde. Een voor de meesten van ons onbekende persoon, die ik gemakshalve hier als onderwerp toch maar even als bekend veronderstel (literatuur genoeg hierover).

Het gedicht zelf begint met een regel die wel wat uitleg behoeft. ‘Als vergeten ijzer is uw naam’, lezen we in eerste instantie natuurlijk grammaticaal correct als een explicatie van Hulshorst. Maar wat als we – met een iets originelere blik – dat woordje ‘uw’ ook op de gestorven geliefde laten slaan? Dan wordt dat ‘vergeten ijzer’ duidelijker. Haar naam als een vergeten (achtergebleven) ijzer: als iets waarmee zij haar hele leven ‘geboeid’ werd (vgl. iemand de ijzers aanleggen).
De dennen en bittere coniferen vertegenwoordigen de dood in dit gedicht. Het is opvallend dat Achterberg ‘binnen’ de dennen en de bittere coniferen schrijft (en niet bijvoorbeeld ‘tussen’). Vermoedelijk is dat niet alleen om mooi te allitereren met ‘bitter’, maar bedoelt hij ook dat het roestende station zich in het land van de dood bevindt, waar de spoortrein naar het noorden immers met een godverlaten knars stilhoudt. Wie van godverlaten is, is dood volgens de dichter (vgl. het gedicht 'Deïsme', met de prachtige beginregel 'De mens is voor een tijd een plaats van God.'
‘De spoortrein naar het noorden’ kan als een metafoor voor het leven worden opgevat. Het leven dat naar de dood toegaat: de plek waar de zon nooit (meer) opkomt: het noorden. Daarnaast is het ook een vrij nauwkeurige omschrijving van de werkelijke geografische situatie: de spoortrein gaat via Hulshorst naar het noordelijker gelegen Zwolle.

Zoals al eerder gezegd: niemand stapt uit en niemand stapt in. Of? Wanneer we aannemen dat Hulshorst een station in het land van de dood is misschien toch. Immers, iemand die dood is heeft zijn naam afgelegd en is daardoor in feite niemand. ‘Niemand’ als persoon, is in het leven een afwezige, maar in het land van de dood (dat als een ‘negatief’ van het land van de levenden kan worden opgevat) juist een aanwezige. Een ander gedicht van Achterberg, 'Film', maakt dit duidelijk:

Film over het graf.
Gij tekent er op af
met de verlatenissen,
die lichaam moeten missen.
Gij komt uzelf tekort.
Dit is het negatief,
waarop gij zichtbaar wordt:
een levend oppervlak,
waarin gij positief
ontbreekt, een helle vlek,
die door het donker trekt.

Uit: Energie, 1946

Zo bezien betekent ‘niemand uitlaat, niemand inlaat’ in het land van de doden eigenlijk precies het omgekeerde: ‘iemand uitlaat (uit het land van de doden), iemand inlaat (in het land van de doden)’, iemand die op hetzelfde station in en uit de trein stapt en gedurende de tijd dat de trein voor niets lijkt te stoppen in de gedachten van de dichter-reiziger weer leeft, en voor die korte tijd het ‘vergeten ijzer’ van haar naam weer omdoet.

‘O minuten’ roept de dichter-reiziger verderop in 'Hulshorst' uit. Niet voor niets: dit letterlijk minutieuze, weinige, is alles wat rest van de gestorvene. Haar adem is hoorbaar in ‘het weinig waaien als een oeroude legende uit uw bossen’, waarin het woordje ‘uw’ behalve op Hulshorst, ook weer op de gestorven geliefde betrekking kan hebben. ‘Mijn naam is Haas, en ik woon in het bos’, is een uitdrukking die gebezigd wordt wanneer we niet gekend willen worden. Hier lijkt deze uitdrukking van toepassing op de dode, en leveren ‘uw bossen’ wellicht al een voorproefje van Spel van de wilde jacht, een van de laatste bundels van de dichter.
Bij ‘legende’ lezen we in het woordenboek onder andere: beschrijving van het leven van een martelaar of een heilige, en: lieflijk, wonderschoon verhaal. Beide beschrijvingen passen goed binnen het kader van het gedicht. Zeker voor wie over meer biografische gegevens van Achterberg beschikt. Maar 'Hulshorst' laat zich – als een goed gedicht hoort te doen – ook zonder deze kennis lezen.

De minuten worden voorts als een ‘barse bende rovers’ betiteld. Rovers natuurlijk omdat ze van de onwetende treinreizigers kostbare tijd pikken. Ja, eigenlijk had wat hen betreft de trein beter kunnen doorrijden. Maar voor de dichter-reiziger ligt dat anders. Het eerder genoemde oude nest van de geliefden wordt als ‘horst’ immers ook gedefinieerd als een roofvogelnest. Mogelijk speelde die connotatie mee bij Achterberg, toen hij de minuten die de trein op het perron van Hulshorst doorbrengt, als rovers neerpende.
De rovers komen uit het witte veluwhart. Dit is niet alleen een mooie beschrijving van de omgeving van Hulshorst bij winter. Een wit hart kan staan voor een gestorven (verbleekte) liefde. We kunnen ook denken aan de onbekende ‘witte’ plekken in Afrika, die een paar eeuwen terug werden geëxploreerd, net vóór Freud het onbewuste als een wetenschappelijke term introduceerde (heeft niet alles een precedent!). Door het beeld van het witte veluwhart met het onbewuste te associëren wordt de treinstop met het binnenvallen van die barse bende rovers voor de dichter-reiziger bijna letterlijk het herbeleven van een onderdrukte traumatische ervaring…

Het mooie van 'Hulshorst' is dat het op zoveel verschillende manieren gelezen kan worden. Het past bij de thematiek van Achterbergs oeuvre, maar dat niet alleen. Het heeft ook aanknopingspunten die verder gaan, en die wellicht verklaren waarom het gedicht zo populair is geworden. Want alleen een herkenbare scène lijkt me daarvoor niet genoeg. Ik denk dat het gedicht aanhaakt bij iets groters, iets waarvoor ik wat verder van huis het gedicht 'El alba' (de dageraad) uit de reeks 'Dibujos sobre un puerto' (beschrijvingen van een haven) van de Mexicaan José Gorostiza in vertaling wil citeren:

Het zeelandschap,
met zware kleuren tekent het zich af.
De dingen dromen. Bij het opkomen lijkt
de dageraad een zeepbel boven de zee.
En het leven is nauwelijks meer
dan een wonderbaar verpozen van bootjes
op de zachte rust van het zand.

Op het eerste gezicht een totaal ander gedicht, dat de vroege ochtendsfeer in een rustig vissersdorpje beschrijft. Maar wie goed leest kan de gapende achtergrond van dit decor zien: wanneer het leven nauwelijks meer is dan ‘een wonderbaar verpozen van bootjes op de zachte rust van het zand’, is niet het leven een reis, maar de dood, wanneer de bootjes weer gaan varen!

Iets dergelijks bij Achterberg. ‘Niemand’ wordt ‘iemand’, voor de korte tijd die de trein (de ziel?) in het roestende station (het lichaam?) doorbrengt. Zoals we allemaal maar voor korte tijd iemand zijn: ons leven wordt aan alle kanten omringd door het onbekende: waar we vandaan komen vóór onze geboorte, vóórdat we een naam kregen, en waar we naar toe gaan na onze dood, nadat we onze naam afleggen, als de trein weer vertrekt, zoals bij Gorostiza de bootjes dat zullen doen.
Het beeld lijkt bij Achterberg meer toegespitst dan bij Gorostiza, maar ik denk toch dat dit het is dat de populariteit van 'Hulshorst' verklaart: het gedicht heeft iets universeels, het geeft als het ware onze status-quo weer. Het is – los van alle persoonlijke thematiek van Achterberg – een ijzersterk existentieel gedicht en daarmee een klassieker.

*****

[1] Achterberg nam 'Hulshorst' op in Eiland der ziel, A.A.M. Stols, Maastricht, 1939. Het verscheen eerder in Werk. Het boek der Jong-Protestantsche letterkunde [1936]. In plaats van 'oeroude' staat daar in regel 10 'veroude'.
[2] (Samen met Arie Jac. Dekker) De zangen van twee twintigers, J. van Slooten, Wageningen, 1925.
[3] Voor mijn gevoel zijn de vroege gedichten van Achterberg de meest geïnspireerde. Latere gedichten overtreffen deze hier en daar wel in technisch opzicht, maar het kwetsbare en serieuze van met name sommige gedichten uit Afvaart keert later nooit meer zo sterk terug.
[4] Hulshorst is een buurtschap onder Ermelo, gelegen bij het Hulshorsterzand. De NS kreeg indertijd alleen toestemming voor het doortrekken van een lijn via Hulshorst, indien hier een station werd gebouwd. Buiten de dorpskern, min of meer gedoemd om verlaten te blijven.



Ivan Sacharov



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145 Piet Paaltjens - Het monster 146 H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147 Henk van Loenen - Onder de sterren 148 Hans Faverey - Het sneeuwt 149 Guy van Hoof - Bestand 150 Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151 Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152 Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153 Leo Vroman - Vrede

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.