Klassiekers (158)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

18 juli 2012

Willem Elsschot - Het huwelijk

Een bespreking door Wim Kleisen


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (6), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (8), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (32), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (5), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

In de vorige aflevering analyseerde Inge Boulonois 'Hildegard noemt' van Margreet Schouwenaar. Haar bespreking leverde geen reacties op.
In deze aflevering staat een gedicht centraal dat vermoedelijk een van de weinige gedichten is waaruit bijna iedere Nederlandstalige met enige relevante schoolopleiding een regel zal kunnen citeren. Neerlandicus Wim Kleisen las het gedicht nog eens zorgvuldig en ondernam het waagstuk het te bespreken.
We vermelden altijd trouw aan hoeveel abonnees we ons bescheiden poëzieperiodiek toezenden. Met deze aflevering passeren we een grens die we niet voor mogelijk hadden gehouden.
Om de serie nog lang te kunnen voortzetten en zeker ook fris te houden, verwelkomen we graag nieuwe medewerkers.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3000 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 15 augustus 2012.


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Het huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d'oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren,
hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tòch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke' aanblik bood.

                                                             Rotterdam 1910

Willem Elsschot (1882-1960)

Uit: Verzameld werk, P.N. van Kampen en Zoon N.V., 4e druk, Amsterdam 1960.



VOORAF
'Want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren…' is misschien wel de meest gebruikte quote in Nederland. Hoeveel van die gebruikers zouden weten dat met deze uitspraak geciteerd wordt uit een gedicht van Elsschot? Het vervolg: 'en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren…' kent bijna niemand. Laat staan het héle gedicht. Jammer, want het is een tekst met een intense zeggingskracht en een verrassende symboliek.

Willem Elsschot is vooral bekend door zijn novellen en korte romans. Hij laat zich daarin kennen als een cynicus. Ik heb wel eens de indruk dat dit voortkwam uit een teleurgesteld idealisme, maar dat kan ik niet hard maken. Hij is een pure realist met een taalgebruik waaruit hij alle streven naar schoonheid heeft geweerd. Harde zakelijkheid, daarmee zou je zijn werk kunnen typeren, als er niet ook een onderkoelde humor, een zelfreductie van de ik-verteller mee zou spelen, alsmede de al genoemde symboliek. Er wordt verteld dat hij maar twee boeken in zijn kast had staan, de werken van Shakespeare en de Bijbel. Van dit tweetal is het laatste het opmerkelijkst, daar hij de Rooms-Katholieke Kerk haatte, of althans minachtte. Hij moest niets hebben van de geestelijke stand en was een autonome vrijdenker. Maar we gaan dit gedicht lezen.

VORM
Het gedicht is geschreven in een zesvoetige jambe, een alexandrijn. Dit metrum geeft het gedicht een breed vertellend en gedragen karakter. We treffen de alexandrijn bij veel klassieke dichters aan, zoals in Vondels Gijsbrecht van Aemstel: 'Het hemelse gerecht heeft zich ten langen leste...' Ook Elsschot hanteert dit metrum. Het gedragen karakter wordt door de inhoud geïroniseerd, het breed vertellende aspect blijft overeind tot en met de laatste strofe: 'Zoo gingen jaren heen...' In het vierde vers stoot het metrum, de nadruk valt al op 'toen', waarmee een zwaar accent wordt gelegd op de afkeer die de man is gaan koesteren. Het rijm is heel consequent: het is omarmend, het eerste en het laatste vers van elke strofe vertonen staand, de binnenverzen slepend rijm.
Opvallend zijn de vele alliteraties, zoals meteen al in de eerste strofe: 'vrouw', 'vonken', 'voorhoofd', 'vrat' en dan nog 'vloekte' in strofe 2. De woorden 'wangen' en 'verweerd' spelen daardoorheen. Stuk voor stuk zijn het woorden die aandacht vragen, die voor de inhoud van het gedicht van belang zijn. Dan zijn er 'mond' en 'merg' in vs. 9/10, 'dacht' en 'dood' in vs. 13, 'schimmel' en 'stramme' in vs. 16, 'droom' en 'daad', 'wetten', 'weg' en 'weemoedigheid' (vs. 17,18, 19). Lees het gedicht nog eens en let op die alliteraties; alle zijn ze functioneel, bepalen ze de aandacht op belangrijke aspecten.
En voor wat de assonantie betreft: kijk eens naar de afwisseling van 'o(o)' en 'a(a)' in de voorlaatste strofe, die zich voortzet in de laatste strofe.. Mede dank zij de alliteratie en de assonantie heeft dit citaat zich zo in onze hoofden vastgezet.

Het woord ‘huwelijk’ heeft voor velen toch nog een mooie connotatie. Voor anderen, gericht op 'een ander lief in eenig ander land' (vs. 14), of die een verscheurd gezin hebben leren kennen, die met scheidingssituaties zijn geconfronteerd, zal die connotatie juist negatief zijn. Hoe dan ook, een huwelijk strekt zich uit over lengte van jaren. De nevel van de tijd, een mooie metafoor, tast niet alleen het geheugen aan, maar de gehele persoonlijkheid. De vonken in de ogen van de vrouw zijn gedoofd, de spirit is er uit, het vuur is gedoofd. Beeldend drukt de dichter dit in het tweede vers uit: verweerde wangen, versterkt door de alliteratie, het gerimpelde voorhoofd, met grote kracht uitgebeeld door de al genoemde viervoudige assonantie, die het hele beeld beheerst. Bij de man is het vuur helemaal gedoofd, de vrouw heeft voor hem geen enkele aantrekkingskracht meer, alle erotiek is verdwenen. Als dat de basis is van een huwelijk, betekent dit het einde van de goede verstandhouding, sterk uitgedrukt in 'vrat zich op van spijt'. Dat is een inwendig gebeuren, maar in de tweede strofe komt dit naar buiten. Hij vloekt en trekt aan zijn baard, tekenen van wanhoop. Hij kijkt naar zijn vrouw, 'mat haar met den blik', haast wreed uitgedrukt, en komt tot de conclusie dat zijn seksuele begeerte is gedoofd, althans de begeerte naar deze vrouw. Toch probeert hij met haar te vrijen, maar hij ervaart dit als een duivelsplicht, een typering die niet treffender had kunnen worden uitgedrukt. Paardenliefhebbers zijn geschokt bij de aanblik van een stervend paard. Hij niet, maar Elsschot gebruikt deze metafoor wel. Zij kijkt tegen hem op tijdens het vrijen, zoals een stervend paard dit zou doen, alsof hij het uiterste van haar vraagt.

Waarom is de seksuele daad een 'grootsche zonde'? De typering met 'grootsch' is begrijpelijk, maar 'zonde'? Zou het kunnen dat Elsschot hier de draak steekt met de kerkelijke opvatting dat een coïtus die niet op de voortplanting is gericht, zondig is? De vrouw is echter duidelijk al te oud om zwanger te kunnen worden. Als mijn veronderstelling juist is, is het cynisme wel tot grote hoogten opgevoerd.

Maar hoewel de man dat eigenlijk wel zou willen, de vrouw sterft niet. Ik schreef dat Elsschot niet naar schoonheid streeft, maar de helse mond die het merg uit haar gebeente zuigt, is toch eigenlijk wel een prachtige, zij het ook verschrikkelijke metafoor. De man oefent duidelijk geestelijke terreur uit, de vrouw durft niet meer te spreken, klaagt niet en vraagt niet. 'Vragen' en 'klagen' zijn woorden die vaak in stichtelijke literatuur voorkomen. Niet voor niets schreef Bach de cantate Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen. Elsschot is hier dus weer cynisch aan het werk. Fysiek mankeert de vrouw niets, en al huivert zij van deze situatie, zij 'leefde en bleef gezond'. De assonantie versterkt de situatie, net als in 'stond' en 'gezond'.

De man laat het er niet bij zitten. Hij krijgt visioenen van jeugd en vrijheid. Hij speelt met de gedachte de vrouw te doden en de moord door het huis in brand te steken uit te wissen. Hij wil zijn jeugd vernieuwen, verbeeld in de metafoor van de schimmel op zijn stramme voeten, weer een van die plastische beelden waar Elsschot sterk in is. Vuur en water moeten hem zuiveren en dan zal hij een nieuwe liefde leren kennen in welk ander land dan ook. Het verlangen wordt sterk verwoord in de alliteratie 'lief'- 'land'.

Eerst al de hoofdzin: de man laat het bij fantasieën en realiseert ze niet. In de boven genoemde alliteratie wordt dit verwoord. De man zou zijn huis in brand kunnen steken, maar zouden daardoor alle sporen van de misdaad zijn uitgewist? Als dit niet het geval zou zijn, zou hij met de wet geconfronteerd worden. Ook hier versterken alliteratie en assonantie de verwoording. Dan zijn er ook nog wel praktische bezwaren, al met al zou het toch een heel gedoe zijn. Alles achter je laten en naar een onbekend land trekken, het is toch wel een opgave. En dan blijkt de man een onverwachte kant te hebben: er is ook een zekere weemoedigheid, die Elsschot niet expliciteert, maar wel toelicht. ‘s Avonds heeft de man er last van, voordat hij in slaap valt. De drievoudige assonantie versterkt het effect van de weemoed. Heeft de man dan toch herinneringen aan een vroegere verliefdheid op zijn vrouw, aan liefde zelfs voor haar?

Dan komt de wending, al is dit geen sonnet. De vertelling wordt afgerond, kort en krachtig: het echtpaar blijkt ook kinderen te hebben voortgebracht. Het perspectief wisselt plotseling. Tot nu toe lag dit door de ogen van de verteller bij de man, nu zwenkt de camera naar het gezichtspunt van de kinderen. Uit de beschrijving blijkt geen enkele communicatie. Zij zien een man zitten 'die zij hun vader heetten'. Zij noemen hem wel vader, maar van een zodanige relatie is geen sprake. Hij is een vreemde voor hen, zoals hij daar bij het vuur zit. In een uiterst plastische beschrijving zien we hem in twee aspecten: godvergeten en vervaarlijk. Het eerste van de twee woorden drukt de volkomen isolering van de man uit, het tweede dat aan zijn gestalte zichtbaar is, dat hij nog steeds fantasieën van moord en brand koestert.

TOT SLOT
Wat of wie vormde de inspiratie voor dit op 7 mei 1910 - hij viert dan als vader van twee kinderen zijn 28ste verjaardag! - te Rotterdam geschreven gedicht? Vick van de Reijt *) zoekt er in zijn biografie van Elsschot naar, noemt ook wel mogelijkheden, maar kan niets vinden dat hem overtuigt. Naar mijn mening heeft Elsschot misschien een bepaald echtpaar voor ogen gestaan, waarvan hij de huwelijksverhouding met grote verbeeldingskracht uitvergroot heeft en sterk heeft aangezet.
Met niet alleen dit gedicht heeft Elsschot zich – afgezien van het feit dat hij een novellist op het niveau van Nescio was – laten kennen als dichter met grote zeggingskracht. Je kunt het honderd keer lezen en ook de honderdeneerste keer heeft het niets van zijn expressieve kracht verloren.


*) Vic van der Reijt, Elsschot. Leven en werken van Alfons de Ridder. Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2011.

Van der Reijt schrijft (p. 65):
Wie was die kerel, die zich van spijt zat op te vreten bij de teloorgang van de schoonheid van zijn echtgenote? Was het De Ridder zelf? En stond Fine model voor dat stervend paard? Dat zou wel erg cru gezegd zijn over een vrouw die op haar achtentwintigste in de bloei van haar leven stond.
[...]
Inspiratie voor zijn gedicht 'Het Huwelijk' kan De Ridder in Blauberg hebben opgedaan, tijdens de vakanties in zijn jeugdjaren. De confrontaties tussen zijn oom Filip Van Elst en zijn tante Bernardina stonden op zijn netvlies gebrand. Ook het tanende liefdesleven van zijn ouders was wellicht een inspiratiebron — maar nu was er blijkbaar een aanleiding om zo'n uitgeblust huwelijk in dichtvorm vast te leggen. Een verklaring zou zijn onvrede met de eigen, knellende huwelijksband kunnen zijn. Vanaf zijn zestiende had Fons De Ridder tien jaar lang een bohemienbestaan geleid, als dichter en student in Antwerpen en als vrijgezel in Parijs. In Rotterdam had hij af en toe jonge vrouwen als `kinderoppas' bij Fine geïntroduceerd; zij had hen vriendelijk maar beslist de deur gewezen.
[...]
Het zijn allemaal mogelijke verklaringen voor het sombere perspectief dat hij in zijn laatste gedicht schetst van een huwelijksleven dat ook het zijne dreigde te worden — het huwelijk als de dood in de pot.



Wim Kleisen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112 Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145Piet Paaltjens - Het monster 146H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147Henk van Loenen - Onder de sterren 148Hans Faverey - Het sneeuwt 149Guy van Hoof - Bestand 150Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153Leo Vroman - Vrede 154Gerrit Achterberg - Hulshorst 155Ida Gerhardt - Sappho 156Marjoleine de Vos - Mevrouw Despina knielt niet 157Margreet Schouwenaar - Hildegard noemt


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.