Klassiekers (159)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

15 augustus 2012

Eva Gerlach - Verdeeld

Een bespreking door Joop Leibbrand


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (6), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (8), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (33), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (2), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (5), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

In de vorige aflevering besprak Wim Kleisen 'Het huwelijk' van Willem Elsschot. Gedicht en toelichting werden met instemming gelezen.
Toon van der Ven had bij de typering van de seksuele daad als 'grootsche zonde' een associatie met Sonnet 129 van Skakespeare: 'The expense of spirit in a waste of shame/ Is lust in action: and till action, lust/ Is perjured, murderous, bloody, full of blame,/ Savage, extreme, rude, cruel, not to trust;'.
Martin Carrette moest denken aan 'The Spur' van W.B. Yeats uit diens Last Poems (1936-1939): 'You think it horrible that lust and rage/ Should dance attendance upon my old age;/ They were not such a plague when I was young;/ What else have I to spur me into song?' Hij vraagt zich af of dit gevoel ook al Elsschots 'literaire motor' was lang voordat Yeats het zo zou verwoorden: 'Inderdaad verbazingwekkend dat een jonge man zoiets schrijft. Bewijst alleen maar dat Elsschot terecht als een der groten uit de Nederlandse literatuur blijft voortleven. Dit is ook een thematiek die je bij Elsschot meer aantreft, om niet te zeggen dat het misschien wel zijn belangrijkste thema is: wat anders drijft Laarmans in die novelle van wereldklasse, Het Dwaallicht? Hartelijk dank om nog eens Elsschot onder de aandacht te brengen met deze parel, waarin het poëtisch vakmanschap sterk aanwezig is, maar helemaal verdwijnt achter dat mysterieuze iets dat een klassieker onderscheidt van gewoon een goed gedicht….'
Een dag voor de verschijning van de nieuwe Klassieker kwam nog deze reactie van Nol Roeloffzen: 'Wat een aardige analyse van het gedicht van Elsschot. Ik wil graag op twee zaken ingaan. In 'Hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeren,' zie ik 'grootsche' als problematischer dan 'zonde'. We moeten even terug in de tijd. De katholieke moraal is sterk aanwezig in de maatschappij. Er geldt een moraal van verboden en geboden. Vrijblijvendheid bestaat niet: zaken zijn óf verplicht, óf verboden. Seks voor het huwelijk kan niet. Voor de katholiek is dat een zonde, de zonde van de onkuisheid, twee keer genoemd in de tien geboden (6 gij zult geen onkuisheid doen; 9 … geen onkuisheid begeren). Na het huwelijk ligt dat anders. Nu is seksuele omgang verplicht. Het maakt zelfs het huwelijk geldig. Dat het niet altijd even geweldig is, wordt vaak pas in de loop der jaren duidelijk.
In de analyse mis ik een verwijzing naar die traditie. In strofe vier geeft de man zijn verlangen weer. Hij wil vitaal, sterk leven. Daarvoor gebruikt hij de zeer traditionele (cliché?-) beelden van water en vuur. De laatste keer dat ik de beelden sterk zag toegepast was in de Aegonreclame: een smidse met vonken, vuur. Een paard dat losbreekt, rent door het water, door het vuur. Dat paard als beeld van vitaliteit (ook bij Hoornik in 'De Vis': Waar zijn de paarden gebleven [...] Als torren kruipen wij rond.) Elsschot gebruikt het heel sterk door te spreken van een 'stervend paard'.
Blijft staan dat ik de analyse met plezier gelezen heb.'



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3015 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 12 september 2012. Herbert Mouwen bespreekt dan Drie knotwilgen van Gery Florizoone uit de gelijknamige bundel (1976).


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Verdeeld


Gister gelopen onder de spoorbrug door,
driemaal de zon voorbij met het nieuwe kind,
tot waar je de autoweg ziet.

Hoe je verdeeld raakt, op-
gedeeld over steeds meer leven,
zoals de zon op drie plassen, over drie bruggen,
driemaal gevangen in mist, uitgerekt in water,
onderging achter ons, voor ons.

Vuurtje gestookt in een krant
onder de spoorbrug maar niet
meer kind geworden daardoor,

ouder hooguit, aan de randen
aangevreten, onleesbaar.

Zij in de wagen werd blauwig. Haar daarom even
opgepakt, haar tegen haar
gestaan. Neergelegd, terug

gegaan als altijd, iets later
misschien. Nergens meer gestopt.


Eva Gerlach (1948)

Uit: Het gedicht gebeurt nu 1979-2009, De Arbeiderspers, Amsterdam|Antwerpen, 2010.



Eva Gerlach schijnt waar het haar eigen werk betreft een aversie te hebben tegen het laten uitkomen van haar verzamelde gedichten. Liever selecteert zij en daarom verzamelde zij voor Voorlopig verblijf. Gedichten 1979-1990 uit haar eerste zes bundels slechts vijfenzeventig gedichten. Ook twintig jaar later en nog weer eens negen bundels verder kwam het niet tot een totaaloverzicht. Het gedicht gebeurt nu 1979-2009 is opnieuw een kieskeurige keuze. Ik wil daaruit een gedicht behandelen dat naar mijn mening in Gerlachs oeuvre een bijzondere plaats inneemt, en wel 'Verdeeld', dat blijkens de inhoudsopgave afkomstig is uit de in 1987 verschenen bundel Domicilie. Een gedicht onder die titel komt echter in die bundel niet voor. Wel een op één kleine wijziging na identiek gedicht onder de titel 'Uitgesloten'. En dat gedicht was eerder, met een iets andere strofe-indeling, in 1986 verschenen in het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad *) onder de titel 'Brief'. Toen intrigeerde de inhoud mij al, en dat is door de opvallende titelwijzigingen alleen maar sterker geworden.

Het gedicht begint onnadrukkelijk, haast onopvallend, met een in een beknopte zin gedane terloopse mededeling: 'Gister gelopen onder de spoorbrug door, [...], tot waar je de autoweg ziet.' Het onderwerp ík' ontbreekt, zoals het in het hele gedicht impliciet zal blijven. Twee keer staat er het bepalend lidwoord 'de', dus nadere toelichting is overbodig, de locatie is bekend, al lijkt de mededeling tot niemand in het bijzonder gericht te zijn. Aan het woord is een moeder die vertelt met haar baby in de kinderwagen een wandeling te hebben gemaakt en daarover wat bijzonderheden verstrekt: ze liep er wat heen en weer, had de zon dan weer voor, dan weer achter. Maar waar dit meestal als iets idyllisch wordt voorgesteld, als lopen op een roze wolk van geluk, valt met de aanduiding 'het nieuwe kind' direct de afstandelijkheid op, de kilheid. Aan het begin van de vijfde strofe is dat met 'Zij in de wagen' nog veel sterker. Warmte, vertedering, geluksgevoel, het lijkt allemaal te ontbreken. Zou de moeder daarom niet naar een liefelijk park gegaan zijn, maar naar een plaats die duidelijk een zekere troosteloosheid suggereert?

In alle volgende strofes blijft de moeder aan het woord. Steeds in die onrustige, haastige, beknopte vorm, maar ze lijkt voornamelijk in zichzelf te praten, hardop te overdenken en te reflecteren. Het sterkst in de tweede strofe, die als geheel een overpeinzing is waarin zij zich rekenschap lijkt te geven van haar situatie en haar psychische gesteldheid. Ze voelt zich niet langer volledig zichzelf, heel dus, maar 'verdeeld', gebroken. Met een sterk enjambement: ze is 'op'. De verklaring wordt gegeven: het komt omdat ze 'op-gedeeld [is] over steeds meer leven'. De CS-versie en die in Domicilie hebben hier 'levens' en dat is niet alleen explicieter, maar ook beperkter ('leven' is minder sterk gerelateerd aan personen). Moeder worden is dan wel een leven toevoegen, maar het in zeker opzicht ook kwijt raken. Het eerdere 'autoweg' - auto betekent zelf - krijgt daarmee met terugwerkende kracht een omineus tintje. En daarbij, er moet een gezin draaiende worden gehouden, er is een man, er zijn waarschijnlijk andere kinderen. Alles is veel, alles moet tegelijk, je zit vast in een haast ondoorzichtige situatie. Vandaar die viertallige drievoudigheid en het gevangen zijn in mist, alsof heden, verleden en toekomst zijn afgesloten. Dat de laagstaande (vgl. 'uitgerekt') zon 'voor ons' ondergaat, is dan ook meer dan een plaatsbepaling; het is een teken waaruit begrepen wordt dat het leven haar geen perspectief meer biedt.

In de derde strofe bevindt zij zich onder de spoorbrug. Met spoorbruggen is het als met viaducten: om nieuwe bestemmingen te bereiken moet je er overheen. Wie eronder kruipt, komt niet alleen nergens, maar wil zich ook onzichtbaar maken. Wat een plek voor moeder en kind. Ze doet er trouwens iets opmerkelijks. Ze stookt een vuurtje in een krant. Misschien ook om zich even te warmen (het is een zonloze en ongetwijfeld ook tochtige plek), maar ze verklaart het als een vergeefse poging weer kind te worden. Het is een bewijs dat ze haar volwassen en verantwoordelijke staat niet accepteert - met het verbranden van de krant bij uitbreiding de hele reële wereld niet - en dat ze zoekt naar haar jeugd. Natuurlijk kan ze geen kind meer zijn, en 'ouder' alleen in de betekenis van iemand die inmiddels meer jaren telt. Jaren, zo wordt gesuggereerd, die haar hebben 'aangevreten', 'onleesbaar' hebben gemaakt. Het zijn woorden die zowel de krant, dus de realiteit, bepalen, als haar eigen gesteldheid. Hoe kun je nog functioneren als dit je zelfbeeld is? Wat is er met deze vrouw aan de hand? Zit ze misschien in een postnatale depressie? Het gedicht geeft de vragen, niet de antwoorden. Dat er sprake is van een sterke emotionele blokkade is ondertussen wel duidelijk.

In de vijfde strofe wordt het kind even uit de wagen genomen. Niet in een onbedwingbare liefdevolle opwelling. Nee, '[z]ij in de wagen werd blauwig' en dan 'moet' er gewarmd worden, weet het verstand. Ze staan 'haar tegen haar', en omdat hier ook twee persoonlijke voornaamwoorden gelezen kunnen worden, maakt de taal de afstand nog schrijnender dan ze al is. Je zou bijna zeggen dat de moeder zich voor de duur van het gedicht als een autiste gedraagt.

Op de overgang naar de laatste strofe kiest de dichteres ervoor het werkwoord 'teruggaan' te splitsen. Door het sterke enjambement krijgt 'terug' iets van een aanroep, een opdracht: weg van hier, waar het gevaarlijk zou kunnen worden, omdat de autoweg dreigt, misschien het water ook wel, of het spoor...
In de allereerste versie vormen de laatste vijf regels één strofe, maar door de extra witregel wordt het weggaan als het ware even uitgesteld en krijgt het meer nadruk. '[G]egaan als altijd' krijgt er iets dwangmatigs door, iets lijdelijks ook, alsof ze toegeeft aan iets dat haar beheerst. Ze gaat dezelfde vaste route terug, het is ondenkbaar dat ze niet teruggaat, maar de slotzin 'Nergens meer gestopt.' duidt erop dat er bijna sprake is van een vlucht. Voor wie laat zich raden.

*
Over de vorm van het gedicht wil ik slechts een paar opmerkingen maken. Bij vluchtige beschouwing zou je kunnen zeggen dat die onregelmatig is, maar het tegendeel is het geval. '[D]riemaal de zon voorbij', schrijft zij, en dus opent het gedicht met drie regels, en zijn de oneven derde en vijfde strofen ook terzinen. De even vierde en zesde tellen twee regels en de tweede, waarin de 'verdeeldheid' zo dominant is, telt er vijf. Het is de optelling van drie (drie keer genoemd) en twee (het tweetal van 'ons').
Opvallend is verder de klankrijkdom van het gedicht. Het is gebouwd op de korte a's (9x) en o's (15x) en de lange aa's (17x), oo's (13x) en ee's (11x). Door de klanken over het gedicht te spreiden en ze vaak in eindpositie te gebruiken, worden spanningsbogen gecreëerd die voor een grote eenheid zorgen: 'leven' - 'onleesbaar' - 'even' - 'tegen'; 'water' - 'onleesbaar' - 'haar' - 'later'; 'op-' - 'ons' - 'onleesbaar' - 'gestopt'. En dan zie je het voor je: 'onleesbaar' is het kernwoord van dit gedicht.

*
Oorspronkelijk heette het gedicht dus 'Brief'. Deze titel heeft een dubbel effect. Zo worden alle gedane mededelingen en overpeinzingen niet alleen nadrukkelijk gericht tot een ontvanger, maar ze worden ook nadrukkelijk gekoppeld aan de persoon die deze brief schrijft, de auteur van het gedicht, Gerlach zelf dus. Nu is van haar bekend, dat zij, ook al liggen aan haar poëzie vaak autobiografische feiten en omstandigheden ten grondslag, elk verband met haar eigen bestaan afwijst als interpretatiegrond. Wellicht dreigde dit te dichtbij te komen, of vreesde zij misverstanden en schrapte ze daarom de titel. De vermeende 'onleesbaarheid' lijkt me daarbij een belangrijk argument. En als het geen 'brief' meer hoeft te zijn, mag die een heel andere rol gaan spelen!

Hoe dan ook, in Domicilie nam Gerlach haar 'Brief' op onder de titel 'Uitgesloten'. R. 5 heeft daar dus nog 'levens', maar de laatste twee regels staan er al als een aparte strofe. Is deze titel een verbetering? Het is in ieder geval een intrigerende titel, want wie of wat wordt geweerd, niet toegelaten, wat is niet mogelijk of wordt uitgezonderd? De titel lijkt gerust te moeten stellen: natuurlijk doet die moeder noch zichzelf, noch dat kind iets aan. Het lijkt wel alsof de werkelijkheid van het gedicht (voor Gerlach de enige) hier even strijd levert met de wereld daarbuiten. Daarmee komt 'Uitgesloten' misschien óók wel te dichtbij.

In Voorlopig verblijf. Gedichten 1979-1990 nam Gerlach het niet op, maar in de recente uitgebreide verzamelbundel heet het dan 'Verdeeld'. Wat wint het gedicht ermee dat een van de kernwoorden (r. 4) nu de titel is? Ik vermoed dat het voor de auteur belangrijk is dat het gedicht hiermee nog meer een eigen, gesloten systeem vormt, dat zo de afstand tot de persoon van de dichter wordt vergroot. 'Brief' zou je kunnen lezen als een persoonlijk bericht van Eva Gerlach, en daarmee zou de inhoud van het gedicht aan haar persoon gekoppeld kunnen worden. Ook 'Uitgesloten' nodigt tot zo'n lezing uit. 'Verdeeld' houdt ons meer in de eigen werkelijkheid van het gedicht.

Ons gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in 1986, twee jaar na de verschijning van de bundel Dochter, die in 32 vormvaste gedichten het verhaal vertelt van het eerste halve levensjaar van een dochtertje dat als couveusekind een bijna uitzichtloze start had, hetgeen duidelijk van invloed was op de relatie met de moeder. Het is een indringende, ontroerende bundel, waarin lange tijd de angst domineert dat het verkeerd afloopt ('Angst, neem haar maar. Ik kan haar niet meer houden.', besluit het achtste gedicht) maar waarin het lyrisch ik er uiteindelijk in slaagt de kwetsbare jonggeborene een eigen plaats in een eigen universum te geven.
In een uitvoerige bespreking van deze bundel merkte Odile Heynders *) op: 'Meestal gaan gedichten over het schrijven zelf, over vergankelijkheid, stilstand en dood. Nu, daar gaan Gerlachs gedichten óók over, maar niet alleen. Er is ook dat verhalende, er is ook die in de werkelijkheid ervaren persoonsgebonden gebeurtenis die tot gedicht is geworden.'
Dit is het slotgedicht van de bundel:

Dochter, naast kleine schaduwen staan wij
op deze foto stil. Ik heb je gedragen,
lachend zweef je boven de kinderwagen
die met de hemel in de hoogste stand
tussen twee uithollingen balanceert.

Nooit hou ik op te kijken hoe het veert
terwijl je, wind mee, zachtjes krakend van
de lichte helling naar beneden rijdt.

Hier geen spoor van de afstandelijkheid van 'Verdeeld'; de in Dochter beschreven traumatische ervaringen hebben juist tot grote betrokkenheid geleid. Maar de geboorte van 'het nieuwe kind' moet voor de moeder de (nog niet zo oude) wonden hebben opengereten. Beheersing was vereist. Vandaar misschien ook dat de flaptekst van Domicilie, de bundel na Dochter, vermeldt: 'In Domicilie staan 3 × 24 niet erg definitieve antwoorden op de vraag 'Hoe wonen dood en leven in elkaar?'' Over de derde reeks, waarin 'Uitgesloten' staat, wordt opgetekend: 'In de derde, 'Domicilie', wordt geprobeerd een plaats te vinden in het bestaan.'
'Verdeeld' doet er verslag van hoe moeilijk dat kan zijn.

----------
1) Gerlach zelf was hier onzeker over: 'Ik heb een associatie met Bert Poll bij dit gedicht - dat ik het schreef nadat ik hem had verteld dat ik een massa ongepubliceerde gedichten had opgestookt daar, good riddance, hij zei 'wat een waanzin' vanuit die wenkbrauwen van hem - het zou vervolgens vrij logisch zijn geweest om het naar het CS te sturen.' (Mededeling van Eva Gerlach aan Elly Woltjes, mei 2011.)
2) Odile Heynders - 'Eva Gerlach en Anna Enquist. Werkelijke moeders', Literatuur jrg. 14, 1997.


Joop Leibbrand



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112 Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145Piet Paaltjens - Het monster 146H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147Henk van Loenen - Onder de sterren 148Hans Faverey - Het sneeuwt 149Guy van Hoof - Bestand 150Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153Leo Vroman - Vrede 154Gerrit Achterberg - Hulshorst 155Ida Gerhardt - Sappho 156Marjoleine de Vos - Mevrouw Despina knielt niet 157Margreet Schouwenaar - Hildegard noemt 158Willem Elsschot - Het huwelijk

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.