Klassiekers (160)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

12 september 2012

Gery Florizoone - Drie knotwilgen

Een bespreking door Herbert Mouwen


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Karin Doornik (6), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (8), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (33), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Herbert Mouwen (3), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (5), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

Bij Eva Gerlachs 'Verdeeld' moest Klaas de Geus wegens de doorwrochtheid van dit gedicht even aan Achterberg denken: dezelfde veelzinnigheid, geen enkele overbodige, niet functionele mededeling. En hij vraagt zich af of de in de interpretatie gesuggereerde gedachte aan een noodlottige oplossing voor de hopeloosheid die het gehavende 'zelf' van de moederfiguur ervaart, de letterlijke 'uit-weg' dankzij spoor, autoweg of water, de enige zinvolle verklaring is.
"Haar verlangen naar verlossing, bevrijding, opheffen van de pijn van dit bestaan moet heel groot zijn. Welke weg moet ze volgen, welk 'spoor' wijst de weg? Spoor en autoweg staan vlak bij elkaar, aan het begin van de tekst nog wel. Er bestaat namelijk nóg een weg. Dat is die van de - vooral Indiase - mystiek (maar niet alleen deze), die de verlossing van alle pijn van het bestaan vindt in de eliminatie, het opheffen, de bevrijding van datzelfde 'Ik'. Een 'verre' weg, die eindeloze oefening en de grootst mogelijke concentratie eist, maar blijkens talloze getuigenissen inderdaad de nagestreefde verlossing kan brengen."



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3025 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 10 oktober 2012. Karin Doornik bespreekt dan Ontvlugting van Ingrid Jonker, het titelgedicht uit de gelijknamige bundel uit 1956.


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Drie knotwilgen


Staan drie knotwilgen
in mijn geheugen uiteen
de zondag aan te kleden.

De ene een gebogen kind
groene baarsjes schrijvend,

de andere appelmanden
vlechtend om de herfst
van weemoed te bevrijden

en mijn geliefde aan de wal,
een moeder teelaarde
van binnen zacht en warm,
die mij de eerste woorden
van geluk over het water reikte.


Gery Florizoone (1923-1986)

Uit: Verzamelde Gedichten 1973-1986, Den Gulden Engel, Wommelgem, 1986.



Drieëenheden in een gedicht van Gery Florizoone


1. INLEIDING
Het was een regenachtige dag. Ik snuffelde wat rond in een boekhandel, nam Gery Florizoone’s Verzamelde Gedichten 1973-1986 in mijn handen en bladerde door het 525 pagina’s tellende boek. Florizoone, een fascinerende naam, van de dichter had ik nog nooit gehoord. Ik las een paar van zijn korte gedichten en hoefde niet lang na te denken. Ik kocht de verzamelbundel, ging naar huis en bleef een paar uur lezen om bij het gedicht 'Drie knotwilgen' uit te komen, het openingsvers van de gelijknamige debuutbundel die in de maand dat de dichter 53 jaar werd verscheen. Eén ding wist ik na lezing zeker: dit openingsgedicht is de toegang tot een authentiek oeuvre, dat zich kenmerkt door een persoonlijke thematiek en religieuze natuurbeleving en dat een volstrekt eigen idioom heeft. Overigens bleek na enig speurwerk dat de dichter Gery Florizoone niet zo onbekend was als ik dacht. Deze Vlaamse priester-dichter, die geboren werd in Adinkerke in de Vlaamse Westhoek (1923) en door een tragisch vliegtuigongeluk omkwam (1986), heeft een grote schare bewonderaars in West-Vlaanderen, maar is in Nederland hoogstens bij een kleine groep (natuur)poëzieminnaars bekend.1) Veel van zijn gedichten zijn vanuit een verschillend perspectief te lezen. Dat geldt zeker voor het gedicht 'Drie knotwilgen'.

2. DE NATUUR: HERINNERING AAN DRIE KNOTWILGEN
'Drie knotwilgen' is een herinneringsgedicht, voor de dichter een moment om zich een indringend natuurbeeld van vroeger te herinneren en dat op de dag dat je daar tijd voor hebt: de zondag. Gaat het hier om bomen bij het ouderlijk huis, de boerderij, een dierbare plek op het Vlaamse platteland? Hoewel de ‘ik’ niet genoemd wordt in het gedicht is deze wel aanwezig in ‘mijn geheugen’. Drie knotwilgen staan de zondag aan te kleden. Zondag, bij uitstek de niet-werkdag voor de werkmens om je mooi aan te kleden. Voor kerk- en familiebezoek bijvoorbeeld. In de eerste strofe kleedt de verborgen ‘ik’ zich niet, maar wordt de zondag aangekleed door het herinneringsbeeld aan deze drie bomen. De boom is het symbool van het leven. Een knotwilg is een boom die eerst een zevental jaren vrijuit mag groeien, de eerste levensfase, en daarna door de mensen onderhouden wordt en daardoor zijn vorm behoudt, hoewel hij in de loop der jaren steeds dikker wordt, soms zelfs splijt. De knotwilg lijkt in het gedicht van Florizoone het symbool van het beheerste leven, niet een ongeremd leven vrijuit, maar een leven dat zich kenmerkt door matigheid. Het leven kort gehouden, gecultiveerd, niet woest, zoals het hoort. De drie knotwilgen staan ‘uiteen’, er is één beeld van de drie bomen die tegelijkertijd onafhankelijk van elkaar zijn.
Bij de eerste knotwilg komt het beeld van de opvallende vorm terug bij de dichter. De knotwilg is kromgegroeid of aan de oever van het water weggezakt. De wilgentakken raken het wateroppervlak (‘schrijven’) en in het water zien we ‘groene baarsjes’ wegschieten. Het beeld van een (voorover)gebogen kind dat in het water schrijft en dat gekoppeld aan de wegschietende, groene baarsjes is fraai gekozen.
In de derde strofe die de tweede knotwilg presenteert, gaat het over de wilgentenen die gebruikt worden om ‘appelmanden’ te vlechten, zonder dat dit ambacht overigens expliciet genoemd wordt. Wel is er een opvallende verschuiving zichtbaar: de tweede knotwilg is de actieve persoon die vlecht ‘om de herfst / van weemoed te bevrijden’. In werkelijkheid is de knotwilg altijd het object dat de handeling van het wilgentakken snoeien passief ondergaat. En dan is er nog de vraag of (1) er sprake is van een ‘herfst van weemoed’ in de betekenis van ‘een weemoedige herfst’; de herfst die per definitie weemoedig is en daarvan bevrijd wordt of (2) dat ‘de herfst bevrijd wordt van weemoed’. Op de interpretatie van ‘herfst van weemoed bevrijden’ kom ik nog terug.
De herinnering aan de derde knotwilg (‘mijn geliefde aan de wal’) werkt de dichter het meeste uit. Het is opvallend dat de drie strofen waarin de drie knotwilgen uitgewerkt worden verschillende lengtes hebben: resp. twee, drie en vijf versregels. Het leidt naar verschillende volumes van de strofen, dus van dunste (jongste) naar dikste (oudste) boom.
Belangrijk is de interpretatie van het woord ‘geliefde’ bij de derde knotwilg. Bij een formele benadering stel ik de vraag: gaat het hier om een bijvoeglijk naamwoord (‘mijn geliefde knotwilg’) of een zelfstandig naamwoord (‘mijn geliefde’), waarbij je aan een persoon denkt. En wie is dat dan? De rest van de strofe met het kernwoord ‘moeder’ en de verdere, associërende uitwerking is dan, wat de interpretatie betreft, sturend en dat brengt me bij een ander perspectief.

3. HET GEZIN: KIND, VADER, MOEDER 2)
De drie knotwilgen zijn een metafoor van drie personen van het gezin uit de kindertijd. De dunste knotwilg – zoals gezegd: de strofe telt slechts twee versregels – is het pure, onschuldige kind dat met zijn vinger of met een stokje in het water roert. Het kind staat nog heel dicht bij de natuur en communiceert – al schrijvend – in alle openheid met de vissen. Het water lokt, kinderen kunnen communiceren met dieren. Groene baarzen zwemmen groepsgewijs in ondiep, helder water. Ze zijn daarom altijd zichtbaar, ook al zwemmen ze enigszins tegen de bodem aan. Opmerkelijk is dat de dichter zich zijn kindertijd actief herinnert in de vorm van het onvoltooide deelwoord ‘schrijvend’, alsof hij (de gedachten aan)deze tijd nooit heeft losgelaten.
De tweede knotwilg (derde strofe) staat voor de hardwerkende vader in het gezin, die ouder wordt en weet dat de ‘herfst’ van zijn leven ‘weemoed’ zal brengen. Wat overblijft voor de noeste werker na een arbeidzaam leven is slechts de melancholie van de dierbare herinneringen aan vroeger, toen hij als boer of landarbeider nog meetelde. Zolang hij werkt ‘appelmanden vlechtend’ weet de werkmens zijn ouderdom nog voor zich uit te schuiven, grip te houden op de tijd, al is dat zinloos en slechts schijn. Ook in deze strofe is het gebruik van een onvoltooid deelwoord (‘vlechtend’), dat hier de alsmaar voortdurende continuďteit van het werken uitdrukt, uitermate betekenisvol.
Bij de derde knotwilg wordt het beeld van de ‘moeder’ uitgewerkt in beelden die typische moederlijke eigenschappen behelzen, waardoor ze een soort oermoeder wordt. Ze is iemand die de dichter liefheeft en die veiligheid biedt (‘mijn geliefde aan de wal’), symbool van vruchtbaarheid (‘een moeder teelaarde’) en (baarmoederlijke) warmte, bescherming, groei (‘van binnen zacht en warm’). Moeder leerde hem de taal (‘eerste woorden’), gaf hem geluk (‘eerste woorden van geluk’) en hielp hem bij moeilijkheden (‘over het water reikte’). Het moederbeeld van de dichter is uitgebreid, zo niet compleet weergegeven.

4. DE LEVENSLOOP: KIND, VOLWASSENE, DICHTERSCHAP
'Drie knotwilgen' is een ontwikkelingsgedicht. Het behandelt de levensloop van een mens in drie fasen, uitgedrukt in de groei van drie knotwilgen. Ik ontkom er niet aan om deze levensloop aan die van de dichter zelf te koppelen. Dat betekent dat het hier gaat om (1) een jongeman die een keus maakt voor het priesterschap, (2) de volwassen, werkzame priester en (3) een priesterschap dat uitmondt in een dichterschap dat zich op oudere leeftijd manifesteert. Zijn dichterschap bestrijkt een periode van ongeveer 15 jaar ‘openbaar’ dichterschap. Florizoone publiceerde zijn eerste gedichten vanaf 1974 in tijdschriften. De debuutbundel Drie knotwilgen verschijnt in 1976. Natuurlijk gaat het hier om het moment waarop de dichter naar buiten treedt met zijn poëzie en de werkzame periode erna als dichter, waarschijnlijk is hij heel zijn leven daadwerkelijk of voor zijn gevoel al dichter geweest.
Misschien gaat de verwijzing van ‘groene baarsjes schrijvend’ naar het beeld van de vis (het Oudgriekse woord Ichthus) als symbool voor christen zijn wat ver. De letters betekenen: Jezus Christus Gods Zoon Redder. Ik wil deze verwijzing toch noemen, omdat het dichterschap van Floorizoone vanuit zijn priesterschap en zijn geloof duidelijk beďnvloed is door zijn religieuze beleving van de natuur, hoewel dat in dit gedicht niet zo expliciet is. De tweede knotwilg staat dan voor zijn volwassenheid en het functioneren als priester (‘appelmanden vlechtend’). De appels, die je maar beter kunt verzamelen en weghouden van de mensen, die staan voor de verleiding tot het kwaad. Of zijn het vruchten, opbrengsten die je in manden aan de mensen uit kunt delen, elementair voedsel direct ontleend aan de natuur?
De derde knotwilg in de vierde strofe (‘de geliefde aan de wal’) is het dichterschap dat hij bij zichzelf ontdekte en dat van binnenuit naar buiten kwam en hem een nieuwe basis, nieuwe inspiratie in zijn leven gaf (‘een moeder teelaarde / van binnen zacht en warm’). De ‘eerste woorden’ brachten de dichter ‘nieuw geluk’. De woorden ‘over het water’ zijn formeel te verbinden met ‘geluk’ of met ‘reiken’. Ik kies voor het laatste, omdat het recht doet aan de betekenis van het laatste woord van het gedicht (‘reikte’).

5. HET DICHTERSCHAP: SCHRIJVER, MAKER, DICHTER
'Drie knotwilgen' is ook het ontwikkelingsgedicht van een talent. Het beschrijft de weg naar een dichterschap dat lang voor de buitenwereld verborgen bleef. Het gedicht gaat in op de vraag hoe Gery Florizoone zich tot dichter heeft ontwikkeld met behulp van de metafoor van drie verschillende knotwilgen in drie verschillende groeistadia. Wie is hij nu op dit moment? Hoe is hij dichter geworden? Hoe staat hij er nu bij? Anders gezegd: hoe is hij op ‘zondag’ aangekleed?
De eerste, jongste knotwil is de fase van het schrijven, het proberen te schrijven op jonge leeftijd. Hij schrijft dan ‘groene baarsjes’ dat de betekenis krijgt van ‘onvolgroeide, kleine schrijfproducten’. De schrijver is geconcentreerd (‘gebogen’), maar nog onvolwassen (‘kind’).
De tweede knotwilg drukt de ambachtelijkheid van het schrijverschap uit (‘appelmanden vlechtend’). Tegelijkertijd is het de fase van het dichterschap waarbij het schrijven los moet komen van de persoonlijke emoties, het alleen maar schrijven voor jezelf om droevige gebeurtenissen of tegenslagen te vergeten, zoals we lezen in ‘de herfst van weemoed te bevrijden’. De dichter moet het dichten als therapie, als persoonlijke uitlaatklep achter zich laten om dichter te kunnen worden. De dichter is maker, hij maakt gedichten, ‘appelmanden vlechtend’, maar is nog geen dichter.
De derde knotwilg is de metafoor die de vervulling van zijn dichterschap invult. Zie de uitwerking hiervan in de vorige paragraaf. Het dichterschap heeft een andere dimensie dan het aardse schrijven. Hij beseft als dichter wat er is gebeurd: ‘die mij de eerste woorden / van geluk over het water reikte’ Let wel: ‘over het water’. De afstand is afgelegd, hij heeft de overkant bereikt, hij is dichter. Heeft het priesterschap geleid tot de rijkdom van het dichterschap of heeft het bereiken van een dichterschap zijn priesterschap verrijkt? Het voor de hand liggende antwoord is natuurlijk dat van de wederzijdse beďnvloeding.

6. TOT SLOT
Het gaat mij niet zozeer aan allerlei concrete feiten uit het leven van Gery Florizoone direct te verbinden met versregels uit het gedicht. Dat is niet zo interessant en ik blijf liever op afstand, daar heeft de mens Gery Florizoone recht op. Ik wil zijn persoonlijke leven niet binnenstappen, maar wel zijn poëzie. Een priesterschap dat zich ontwikkelt naar een priester-dichterschap in een omgeving die leidt tot een oorspronkelijke natuurlyriek. En dat is allemaal terug te vinden in één persoonlijk, poëticaal gedicht, dat minimaal vanuit vier perspectieven is te benaderen. Dat is boeiend. 'Drie knotwilgen' is de toegang tot het poëtisch oeuvre van Gery Florizoone, dat ik voortdurend ‘appelmanden vlechtend’ lees en blijf lezen.


----------
1) Enkele biografische gegevens ontleend aan Rudolf van de Perre, ‘De landheer van de stilte. Gery Florizoone, leven en werk’. Tielt 1993.
2) Van de Perre gaat bij zijn interpretatie uit van deze trits.


Herbert Mouwen



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dčr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dčr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112 Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145Piet Paaltjens - Het monster 146H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147Henk van Loenen - Onder de sterren 148Hans Faverey - Het sneeuwt 149Guy van Hoof - Bestand 150Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153Leo Vroman - Vrede 154Gerrit Achterberg - Hulshorst 155Ida Gerhardt - Sappho 156Marjoleine de Vos - Mevrouw Despina knielt niet 157Margreet Schouwenaar - Hildegard noemt 158Willem Elsschot - Het huwelijk 159Eva Gerlach - Verdeeld

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.