Klassiekers (163)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

12 december 2012

Jean Pierre Rawie - Voorgoed

Een bespreking door Eric van Loo


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (6), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Thierry Deleu (1) Karin Doornik (7), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (8), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (33), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Eric van Loo (1), Herbert Mouwen (3), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (5), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

Thierry Deleu besprak in de vorige aflevering 'De moeder' van Hugo Claus. Hierop kwamen geen reacties binnen.

Deze keer de eerste bijdrage van Eric van Loo, die een de beste gedichten van Jean Pierre Rawie bespreekt.
Eric van Loo (Rotterdam, 1957) is psycholoog (werkzaam op de afdeling Geriatrie in een middelgroot ziekenhuis) en dichter. Hij heeft zijn eigen poëziewebsite waarop hij naast eigen gedichten ook gedichten van oudere dichters en poëzie over de ouderdom publiceert.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3090 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 16 januari 2013. Wilma van den Akker bespreekt dan Vanmorgen werd ik opgebeld... van Ester Naomi Perquin uit de bundel Namens de ander (2009).


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


Voorgoed


Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden,
maar ze ontgaan ons zoals ieder jaar,
want wij zijn blinden in een wereld waar
het blijvende niet geldt, alleen het gaande.

Wij tastten in het duister naar elkaar,
een oogwenk dat wij ons onsterflijk waanden,
en zijn niet dan elkanders nabestaanden;
het bed is ons niet nader dan de baar.

Geen troost valt aan het najaar te ontlenen,
de bladeren verworden in de goot
en de gelieven zijn voorgoed verdwenen.

Wie weet is ons vergund pas metterdood,
door vreemde hemellichamen beschenen,
iets vast te houden wat ons niet verstoot.


Jean Pierre Rawie (1951)

Uit: Geleende tijd, Bert Bakker, Amsterdam, 1999.



Eerste strofe
De beste gedichten bestaan uit één regel. Elk najaar, als de bladeren beginnen te kleuren, zoek ik dit gedicht van Jean Pierre Rawie weer op. Het is even zoeken, want de titel 'Voorgoed' dekt de lading niet echt. Niet voor niets is het op internet ook te vinden onder zelfgebreide titels als 'Herfst' en 'Najaar'. Maar goed, die eerste regel dus. Het is een statement dat er niet om liegt. Niks geen somberheid als de blaadjes gaan vallen. 'Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden.' Aan die ene regel heb ik vaak genoeg. Ik zoek met de bundel onder de arm het bos weer op om te genieten van het verkleurende en vallende blad. Al is het maar om de dichter, die meent dat deze 'mooiste maanden' ons telkens weer ontgaan tegen te spreken.
De eerste regel roept direct het beeld van bontgekleurde herfstbladeren op, echter zonder deze met zoveel woorden te noemen. Pas in de derde strofe worden de bladeren met name genoemd, waarbij het lidwoord 'de' een impliciete verwijzing naar de (weggelaten) bladeren aan het begin van het gedicht suggereert.
De tweede helft van de eerste strofe spreekt direct aan, maar is nauwelijks te bevatten. 'In een wereld waar het blijvende niet geldt, alleen het gaande' lijkt te verwijzen naar de waan van de dag. Er is tegenwoordig weinig oog meer voor blijvende waarden, men holt van hype naar hype. Zou de dichter het in 1999 zo bedoeld hebben? De schitterende paradox is hier, dat gesuggereerd wordt dat wij geen oog hebben voor de blijvende waarde van de natuur, terwijl juist de herfstmaanden meer dan welke ook de vergankelijkheid van het leven tonen. 'Ontgaan' is het kernwoord in deze strofe, en wordt benadrukt door het binnenrijm. Met een beetje goede wil kunnen we 'ontgaan' ook dubbelzinnig opvatten: de maanden gaan van ons weg, blijven niet bij ons.
Vaak heb ik 'blinden' proberen op te vatten als 'niet passend bij', 'niet deelnemend aan' de wereld. Dat levert duizelingwekkende tegenstellingen op. In 'de wereld' telt het blijvende niet, maar 'wij' (de gelieven, dichters?) willen niet aan deze wereld deelnemen en haken naar het blijvende…

Tweede strofe
Het begin van de tweede strofe staat - als enige - in de verleden tijd. Ik vrees dat dit onder invloed van rijmdwang is gebeurd. Bij veel dichters blijkt de eerste versie van een gedicht in de verleden tijd te staan, zeker als er een anekdotisch element is. Bij het herschrijven wint het gedicht vaak aan directheid, als het wordt omgewerkt naar de onvoltooid tegenwoordige tijd. Mijns inziens worden ook hier de eerste twee regels van de tweede strofe veel sterker als ze in de tegenwoordige tijd worden geformuleerd:

      Wij tasten in het duister naar elkaar,
      een oogwenk dat wij ons onsterflijk wanen,

Rawie zou het halfrijm 'maanden/wanen' in een streng sonnet niet accepteren. Maar er valt ook iets voor te zeggen dat de verleden tijd hier een terugblik suggereert: de 'oogwenk' verwijst meer naar een ogenblik, moment dat heeft plaatsgevonden. Aan een goed gedicht kan je niet zomaar morrelen.
De formulering 'en zijn niet dan' komt mij wat stroef over. Logischer klinkt: 'en zijn niets dan elkanders nabestaanden'. Daarmee wordt ook de botsing met het 'niet' in de regel erna voorkomen.
De laatste regel van de tweede strofe wordt voortgestuwd door een krachtige alliteratie. Typisch Rawie om de liefde ('het bed') door de dood ('de baar') te laten overschaduwen. In zekere zin is hij een vroeg-oude dichter, die al vanaf zijn eerste bundels de dood in de ogen kijkt. Er is zelfs een bloemlezing met rouwgedichten van zijn hand verschenen (Wij volgen een voor een hetzelfde pad), waarin ook het hier besproken gedicht is opgenomen.

Derde strofe
De melancholieke toon wordt in de derde strofe doorgezet. De bontgekleurde herfstbladeren misleiden ons, want voor je het weet liggen ze als pulp in de goot. Het binnenrijm 'troost / goot' werkt hier versterkend. Het gedicht herlezend valt me nu pas op, dat 'de goot' het gedicht ondanks de Natureingang een stads referentiekader geeft. Dit past natuurlijk goed in het oeuvre van Rawie, waar de meeste gedichten in Groningen gesitueerd zijn, en de natuur bijna altijd stadsnatuur is.
Het dieptepunt lijkt bereikt te worden in de laatste regel. De 'wij' uit de tweede strofe is veranderd in een meer afstandelijke derde persoon. En deze gelieven zijn dan ook nog 'voorgoed' verdwenen.
'Voorgoed' heeft echter, zeker in de titel, paradoxaal genoeg ook een positieve connotatie. Het woordelement 'goed' geeft hoe dan ook een positieve kleur: voor-goed lijkt daarmee al te anticiperen op de betere wereld waarop in de laatste strofe op wordt gezinspeeld.

Vierde strofe
De vierde strofe opent met een ijzersterke regel: 'metterdood' is een schitterend gevonden neologisme. Het ruikt naar 'metterdaad' , maar gaat natuurlijk heel ergens anders over: als we gestorven zijn, na dit leven. Daarmee krijgt het gedicht toch een onverwacht positieve wending, hoe onzeker en gedroomd het einde ook is. De slotregel lijkt terug te slaan op het verstoten zijn door een geliefde, wat overstegen wordt door iets wat nu nog onkenbaar is: dat 'wij' misschien na onze dood iets vast mogen houden wat ons niet verstoot. Ook na de dood lijkt de dichter het ego niet voorbij, door nog steeds iets te willen hebben. Het verlangen eindelijk door iets te worden vastgehouden wordt hier niet genoemd.

Jean Pierre Rawie heeft regelmatig aangegeven, dat het onverbiddelijk voorbijgaan van de tijd het kernthema van zijn werk is. In 'Vonnis' spreekt hij kort en bondig over 'De tijd die alles vroeg of laat ontwricht'. Ook in het hier besproken gedicht is dit een belangrijk element. De 'mooiste maanden' uit de eerste regel gaan snel voorbij, twee strofen verder lezen we al hoe de bladeren 'verworden in de goot'. De verzuchting uit de laatste regel kan vanuit dat perspectief ook gelezen worden als 'iets vast te houden dat ons niet door de tijd ontnomen wordt'.

Vorm
Het gedicht is geschreven als een klassiek sonnet, met twee rijmklanken voor het octaaf en twee voor het sextet. De regels bestaan uit pentameters, vijfvoetige jamben met afwisselend vrouwelijk en mannelijk rijm. Het rijm in de kwatrijnen is omarmend (ABBA BAAB), in de terzinen zou je dat ook zo kunnen zien (CDC DCD). Rawie heeft vanaf zijn eerste bundel een voorkeur voor vormvaste, rijmende poëzie, waarbij het sonnet een vooraanstaande plaats inneemt. Zowel in Woelig stof (1989) als Onmogelijk geluk (1992) bestaat de eerste afdeling uit louter sonnetten, en lijkt het bijna alsof de tweede afdeling gedichten bevat die helaas geen sonnet zijn geworden. Zoals eerder in deze bespreking opgemerkt is deze strenge vorm tegelijkertijd kracht en zwakte. Bij eerste lezing komt het overtuigend over. De gebeitelde zinnen werken bezwerend. Zo is het en niet anders. Bij nadere beschouwing komen toch zwakke plekken naar voren, of worden we nieuwsgierig naar wat de dichter gezegd zou hebben als hij zich niet zo had laten inperken door rijm en ritme.
De wending van het sonnet is moeilijk eenduidig te bepalen. Er valt iets voor te zeggen deze tussen het octaaf en het sextet te leggen. De eerste regel van het sextet vormt een sterke tegenstelling tot de openingsregel. Anderzijds vindt er juist in de laatste strofe een omslag in de stemming plaats, waarin de neergang die het gedicht vanaf de tweede regel in zijn greep heeft wordt opgeheven.

Auteur
De herfst is bij uitstek het seizoen van Jean Pierre Rawie. In de andere door hem zelf samengestelde bloemlezing Wij hebben alles nog te goed telde ik tien gedichten die zich in de herfst afspelen, drie in de winter en geen enkel gedicht dat duidelijk betrekking heeft op lente of zomer. In deze 'mooiste liefdesgedichten' wordt de liefde dan ook weinig van de zonnige kant belicht.
Rawie heeft als geen ander somberheid en zelfbeklag tot kunst verheven. Zowel qua thematiek als qua vormvastheid wordt hij vaak vergeleken met J.C. Bloem (1887-1966), een dichter die al vroeg in zijn leven de dood bezong, maar deze pas laat op zijn pad vond. In de bespreking van 'Interieur' in deze reeks Klassiekers wordt gesproken van het 'romantisch dichterschap van Rawie, waarin er voortdurend sprake is van de spanning tussen enerzijds eenzaamheid, (cultuur-)pessimisme en mislukking, en anderzijds van een haast elitair streven naar een schoonheidsideaal dat past in een bezield verband.'
Een door hem veelgebruikt procedé om de zwaarte van de melancholie te verzachten is dat van de overdrijving, van de uitvergroting. Zo treffen we al in het openingsgedicht van zijn eerste bundel, Het meisje en de dood (1979), de volgende regels aan:

      Soms dat je er nog éen verleidt
      als je wat met je droefheid leurt;
      – je hebt het hoe dan ook verbeurd
      en vecht in een verloren strijd:
      je hebt ze, en je bent ze kwijt.

Door de mislukking tot in het absurde te overdrijven ontstaat als vanzelf bij de lezer de troostende gedachte 'zo erg kan het toch niet zijn?'
Zoals hierboven reeds aangegeven, is Rawie in zekere zin een vroeg-oude dichter, die al vanaf zijn eerste bundels de dood in de ogen kijkt. Wat te denken van het motto van Kwade trouw (1986)?:

      Ik schrijf maar door aan éen gedicht
      waarin ik alles: liefde, jou
      en zelfs de dood van kwade trouw
      en onzorgvuldigheid beticht.

In dezelfde bundel vinden we de volgende regels:

      Ik ben al bijna dood, en ik
      zal nooit aan mensen wennen;

Forse taal voor een 35-jarige dichter! Even verderop, in 'Mismoedig rondeel' laat hij de volgende twee regels telkens terugkeren:

      Ons leven is doortrokken van de dood,
      wij hebben alle reden om te klagen.

Inmiddels valt er inderdaad wat voor te zeggen, dat ook het leven van de dichter zelf doortrokken is van de dood, getuige een aantal ernstige ziektes die Rawie heeft overleefd. Maar de meeste hiervan dateren van ná Kwade trouw.

Het hier besproken gedicht 'Voorgoed' komt uit de dertien jaar later verschenen bundel Geleende tijd. Het is zowel een liefdesgedicht als een treurzang op het leven, waarin niets veilig is voor het 'onverbiddelijk voorbijgaan van de tijd' en bestendige liefde onbereikbaar lijkt. De dichter toont zich gerijpt, en weeft de oude thema's in een berustende wrok tot een krachtig en door velen aangehaald gedicht.


Eric van Loo



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112 Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145Piet Paaltjens - Het monster 146H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147Henk van Loenen - Onder de sterren 148Hans Faverey - Het sneeuwt 149Guy van Hoof - Bestand 150Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153Leo Vroman - Vrede 154Gerrit Achterberg - Hulshorst 155Ida Gerhardt - Sappho 156Marjoleine de Vos - Mevrouw Despina knielt niet 157Margreet Schouwenaar - Hildegard noemt 158Willem Elsschot - Het huwelijk 159Eva Gerlach - Verdeeld 160Gery Florizoone - Drie knotwilgen 161Ingrid Jonker - Ontvlugting 162Hugo Claus - De moeder

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.