Klassiekers (164)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

16 januari 2013

Ester Naomi Perquin - Vanmorgen werd ik opgebeld...

Een bespreking door Wilma van den Akker


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

Van de volgende auteurs verschenen inmiddels bijdragen: Wilma van den Akker (7), Inge Boulonois (20), Rutger Cornets de Groot (8), Jeroen Dera (3), Thierry Deleu (1) Karin Doornik (7), Remko Ekkers (3), Edith de Gilde (7), Pim Heuvel (15), Paul de Jong (1), Yves Joris (2), Wim Kleisen (8), Michel Krott (1), Joop Leibbrand (33), Joris Lenstra (8), Allies Ligtvoet (1), Eric van Loo (1), Herbert Mouwen (3), Henk Ruijsch (1), Ivan Sacharov (5), Bettine Siertsema (5), Lambert Wierenga (12), Elly Woltjes (9), Rik Wouters (4).

Vooraf

Eric van Loo besprak in de vorige aflevering 'Voorgoed' van Jean Pierre Rawie. Jenny Dejager schreef ons: ‘Voorgoed’ van Jean Pierre Rawie is een gedicht dat heel dicht staat bij de naakte mens. De essentie van dit gedicht  krijgt zijn plek bij de lezer en niets zal het gevoel  dat ‘Voorgoed’ teweegbrengt kunnen tegenhouden.

In dit nieuwe nummer aandacht voor een heel bijzonder gedicht van Ester Naomi Perquin. Het is verreweg de langste tekst die hier ooit aan de orde kwam, maar omdat internetruimte nu eenmaal geduldig is en Wilma van den Akker enthousiast over 'Richard' schrijft, durven we het toch aan te bieden.



De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3120 abonnees.

Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 13 februari 2013. Ton Naaijkens bespreekt dan Alsof zij daar ligt, nu van Hans Faverey uit de bundel Tegen het vergeten (1988).


(advertentie)
Literatuurforum.nl - Discussies over literatuur


*


Vanmorgen werd ik opgebeld door een mevrouw die wilde weten
of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.

Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
- kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
kun je niet een keer een rokje dragen -
maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

(Ondertussen ruist de stilte van twee kanten in een oor.)

Er is een ander leven vóór ik antwoord geef, volop mogelijkheden,
voor het zelfde geld had het materiaal waaruit ik besta
een andere vorm of naam. Wat als ik ja zou zeggen,
ja, ik ben het: Richard. Bent u dat moeder?
Wat is het lang geleden.

Zou ik door Richard te worden ook Richard zijn, inclusief lichaam,
ademhaling, geheimen, de manier waarop hij ’s ochtends vroeg
zijn veters strikt? Houdt hij bijvoorbeeld van pastinaak?

Zou zijn moeder de verbinding verbreken
of uit standvastigheid
of uit eenzaamheid
of uit gezelligheid
in mij geloven?

Is Richard nog in leven of belt zij steeds een ander op,
vraagt ze naar hem omdat wie weet toch iemand zegt:

Richard? Ja hoor. Die is boven.

Laat niemand haar vertellen dat Richard is verdronken, dat hij is
verdwaald, ontvoerd, verongelukt. Was er niet ergens
een feestje, een man? Heb ik Richard niet alleen
gekend maar zelfs gekust, gesproken,
dronk hij wijn, lachten we samen?

Nu, precies nu is het nog mogelijk geen geluid te maken,
op te hangen of met zakjes te gaan kraken alsof we - helaas -
zijn ingesneeuwd, ik kan u niet verstaan.

Ik stel me haar voor, ze staat in een donkere kamer, kijkt vragend.
Maar ik dan? Waar haal ik op dit uur een Richard vandaan?

Mevrouw, de eerlijkheid gebiedt mij u te zeggen
dat ik Richard niet ben, nooit ben geweest
en niet herken, hoewel onze nummers
misschien weinig verschillen, onze levens
zijn gescheiden door een acht, een vier, een twee.

Er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal
maar wier moeders mij niet kennen, niet zullen bellen.

U verspilt uw tijd, ik besta slechts uit halve stemmen,
halve gezichten, geen Richard waardig, geen hond
heb ik ooit meer gebracht dan halfslachtige aanwezigheid.

(Er klinkt een vastbesloten stilte op de lijn.)

Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee
dat het iemand zal lukken.

Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.


Ester Naomi Perquin (1980)

Uit: Namens de ander, Van Oorschot, Amsterdam, 2009.




Vooraf
Dit titelloze gedicht staat in dichterskringen bekend als 'Richard'. Dat is begrijpelijk, omdat het in dit gedicht helemaal draait om een afwezige, die Richard heet. Het eigenlijke onderwerp is miscommunicatie. Wie heeft het niet meegemaakt? Er wordt gebeld, maar de beller heeft een verkeerd nummer gedraaid of getoetst. 'Verkeerd verbonden' is de incorrecte benaming voor dit verschijnsel. Duidelijk. Einde verhaal.
Het overkomt iedereen. Het is mij zelfs gebeurd dat iemand nóg een keer belde om verhaal te halen. Hoe kon het nou toch dat ik de telefoon aannam en niet degene die zij belde? 'Mevrouw, ik kan er niks aan doen dat u een verkeerd nummer hebt ingetoetst.'
'Val mij niet lastig,' dacht ik en zette mijn gesprek voort, dat door de telefoon was onderbroken. Daarna vroeg ik me pas af, wat de reden kon zijn dat de belster zo gefrustreerd reageerde. Ik probeerde me in haar te verplaatsen. Was zij oud, vergeetachtig, in de war? Niet in staat om zich te verplaatsen in mij, aan de andere kant van haar lijn? Voor een zinvol gesprek is het nodig dat de sprekers hun best doen om begrijpelijk te zijn en om de ander te begrijpen. Maar dit gesprek begon meteen met een misverstand. Zoiets draait al gauw uit op irritaties.
Iets dergelijks moet Ester Naomi Perquin overkomen zijn, als aanleiding om dit gedicht te schrijven. Of helemaal niet. Poëzie kan volkomen verzonnen zijn, maar laten we er even van uitgaan dat dit gedicht gebaseerd is op het herkenbare, universele gegeven van miscommunicatie. In zo'n geval ruikt een dichter een gegeven om de poëzie te bedrijven.
De telefoon gaat. De 'ik' in het gedicht neemt op en zegt, bijvoorbeeld: 'Met Ester.' Misschien heeft zij de gewoonte om op te nemen met: 'Met mij,' ervan uitgaande dat wie haar ook belt, haar moet hebben en haar stem zal herkennen. De belster stelt een volkomen misplaatste vraag. 'Richard, ben jij dat?'
Nou nee, dat lijkt me duidelijk. Het kan zijn dat Ester en Richard samen een huis delen, maar uit de rest van het gedicht blijkt dit niet. Het goede antwoord is: 'Nee mevrouw, ik denk dat u een verkeerd nummer heeft gebeld.' Einde verhaal.

Uitdijend universum
Maar de dichter Perquin weet dit gegeven prachtig uit te werken tot een universum aan mogelijkheden. Zij rekt de tijd uit door een uitvoerige gedachtegang weer te geven. Er is haar eerder gevraagd iets of iemand anders te zijn. Iemand uit het verleden, iemand die rokjes droeg, of iemand die praat als een non. Zij somt een aantal rollen op, die zij wel of niet (meer) wenst te spelen. 'Richard zijn' is een nieuw verzoek. Zal zij aan het verzoek voldoen?
Er ontstaat een lange denkpauze, waarin de 'ik' mogelijkheden tot antwoorden afweegt. Zal zij zich coöperatief tonen en Richard worden? Uit haar eigen 'materiaal' een Richard vormen, zich in al zijn eigenschappen en gewoontes verplaatsen en de belster antwoorden: 'Ja, ik ben het moeder.' Dat de belster Richards moeder is, is een aanname. Zij zou evengoed een tante kunnen zijn, een buurvrouw of een vriendin. De 'ik' maakt hier een mogelijke fout, vergelijkbaar met die van de belster, ze neemt aan dat de mevrouw Richards moeder is. Het universum aan mogelijkheden en mogelijke misverstanden dijt uit.
Stel dat zij het spelletje meespeelt en Richard wordt, of tenminste beweert dat zij inderdaad Richard is, dan kan de mevrouw die belt op verschillende manieren reageren: ophangen, omdat zij beseft dat er iets niet klopt, of het antwoord geloven om uiteenlopende redenen: ze houdt het spelletje van haar kant vol, of ze is eenzaam en vindt het hoe dan ook gezellig om een telefoongesprek te voeren.
Een volgende wending in de gedachtegang is: het zou kunnen dat Richard dood is en dat de mevrouw tegen beter weten in willekeurige mensen belt, omdat zij wil horen dat hij nog leeft. 'Hij is gewoon boven, ik haal hem wel even.' Zij wil in geen geval horen dat Richard dood is of verdwenen. Voor wie gelovig is, kan het een geruststellende gedachte zijn, dat met 'boven' de hemel wordt bedoeld. Zou mevrouw dat graag horen: 'Richard is in de hemel'?
Nu vraagt 'ik' zich af, of zij geen Richard kent of heeft gekend. Is het mogelijk dat Richard op een of andere manier een schakel vormt tussen haar en de bellende mevrouw? Het moet niet gekker worden. Nog even en 'ik' gaat zich echt voorstellen dat zij Richard is, of met hem samenleeft. De vraag van mevrouw wordt dwingend, een eis: 'Jij bent Richard, punt uit.'
Dit, 'Nu' is het moment om een einde aan het gesprek te maken. Door te zwijgen, gewoon op te hangen of een slechte verbinding te simuleren. 'Ik kan u niet verstaan:' alweer een vorm van slechte communicatie. Jammer voor mevrouw, maar die zou zich eens in 'ik' moeten verplaatsen: 'ik' kan toch niet zomaar een Richard voor de dag toveren?

Spiegel
Het lijkt erop dat 'ik' besluit eerlijk te zijn en toe te geven dat zij Richard niet is en ook niet kent, ook al is er maar een cijfer verschil tussen hun telefoonnummers. De vergelijking gaat nog verder: 'er zijn mensen met wie ik minder scheel dan een getal' lees ik als huisgenoten, familieleden, vrienden. Hun moeders kennen haar niet en bellen haar niet. Zo weinig weten naasten van haar af. Er volgen nu een aantal 'de druiven zijn zuur-' argumenten: Ik ben sowieso de moeite niet waard, in tegenstelling tot Richard. Ik laat maar de helft van mijn stem horen, de helft van mijn gezicht zien, ben altijd maar half aanwezig. 'Ik' is een toonbeeld van halfslachtigheid, terwijl Richard waarschijnlijk volkomen Richard is. Als hij er is.
De belster blijft stil, wat wordt opgevat als vastbeslotenheid. Vastbesloten tot wat? Tot volhouden dat Richard aan de lijn is, of tot het volhouden van het gesprek, met om het even wie? Is het hardnekkige ontkenning van het gegeven dat Richard niet aan de lijn is, of erger, dat Richard is verdwenen of gaan 'hemelen'?
De gebelde suggereert dat zij het best mogelijke doet: ze wenst de mevrouw toe dat het ooit iemand zal lukken om Richard te zijn. Meer heeft ze niet te bieden. Tegelijkertijd houdt ze haar een spiegel voor en toont haar dat ze het onmogelijke wenst. Domme mevrouw. Wie kan het lukken om Richard te zijn, behalve Richard zelf?
Communicatie, in het bijzonder telefonische communicatie: een universum aan mogelijke misverstanden. Het mag een wonder zijn als wij elkaar ooit wél begrijpen. Niet alleen woorden spreken een rol, maar ook toon en onderliggende verlangens. Je moet het als luisteraar maar begrijpen. In mijn strengste buien vind ik dat sprekers de plicht hebben om begrijpelijk te zijn. Laat de complicaties maar aan een dichter over. Dan wordt het misverstand weer amusant, zoals in 'Richard' van Perquin.

Vormaspecten
In het voorafgaande ben ik helemaal voorbijgegaan aan de vorm van dit gedicht. Dat komt doordat mijn aandacht meteen werd getrokken naar de beschreven situatie, die even herkenbaar als bizar is. Het gedicht heeft dan ook geen specifieke, vaste vorm. Je zou het een prozagedicht kunnen noemen, een weergave van een vrij eenzijdig gesprek en de daardoor ontstane gedachtegang.
Als poëtisch element is het stijlmiddel opsomming of enumeratie ruim vertegenwoordigd. Het is een en al opsomming van mogelijkheden met daarbinnen korte opsommingen, zoals:

      Veel mensen hebben gewild dat ik iemand was, soms iemand
      die ik was geweest, soms iemand die ik zou moeten zijn
      - kijk eens angstig, praat als een non, spring op en neer,
      kun je niet een keer een rokje dragen -
      maar Richard heeft niemand mij gevraagd.

En:

      Zou zijn moeder de verbinding verbreken
      of uit standvastigheid
      of uit eenzaamheid
      of uit gezelligheid
      in mij geloven?

Zulke opsommingen zijn beslist niet uitputtend. Daardoor versterken ze de suggestie van het uitdijende universum aan mogelijkheden. Beeldspraak herken ik in de ruisende en vastbesloten stiltes in de regels die tussen haakjes staan. Door de haakjes fungeren die regels als 'terzijdes' of regie-aanwijzingen die de gedachtegang onderbreken.
De stilte wordt gepersonifieerd: zij ruist en is vastbesloten. De stilte versterkt de geladenheid van het gesprek en van de gedachtegangen aan weerszijden van de telefoonlijn. En het misverstand wordt groter, de communicatiekloof onoverbrugbaar. Het werkt komisch, maar stemt ook treurig.

Bio
Ester Naomi Perquin (Utrecht, 1980) groeide op in Zierikzee en woont in Rotterdam. In 2006 studeerde zij af in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.
Perquin debuteerde in het voorjaar van 2007 met Servetten halfstok (2007). Zie daarvoor ook hier. Voor deze bundel ontving ze in oktober 2007 te Brussel de debuutprijs Het Liegend Konijn. Daarna verschenen Namens de ander (2009) en Celinspecties (2012).
Perquin is redacteur van Tirade en sinds 2011 stadsdichter van Rotterdam. Zie voor de prijzen die ze voor haar werk ontving dit overzichtje van het Letterkundig Museum.


Wilma van den Akker



Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

Eerder verschenen:

1M. Vasalis - Aan een boom in het Vondelpark 2J.P. Rawie - Interieur 3Jan Kal - Mont Ventoux 4Jan Emmens - Voor de kade 5M. Vasalis - Streng en aanbiddend 6Simon Vinkenoog - Ver als de horizon ben je 7Gerrit Achterberg - Dryade 8Gerard Reve - Wiegelied 9Paul van Ostaijen - Melopee 10Hanny Michaelis - Het kind 11J.C. Bloem - De nachtegalen 12Gerrit Achterberg - Verzoendag 13Hans Warren - Bekentenis 14E. du Perron - Het kind dat wij waren 15P.C. Boutens - De maan is al boven de seringen 16H. Roland Holst - "Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen 17H. Roland Holst - De zachte krachten 18W. Elsschot - Bij het doodsbed van een kind 19J.H. Leopold - Staren door het raam 20Han G. Hoekstra - De ceder 21Paul Rodenko - Het beeld 22Anna Blaman - De Spin 23Martinus Nijhoff - Moeder 24Martinus Nijhoff - Impasse 25Rutger Kopland - Die Kunst der Fuge 26Rutger Kopland - Al die mooie beloften 27Ad Zuiderent - Tuinpad 28Jan Hanlo - Oote 29Ida Gerhardt - Alpha en Omega 30Ed Leeflang - De vader van de baby Constantijn, wat hem 31Jacques Hamelink - Grijsaard 32Ed Leeflang - Hoor Prediker. Over de dommen en gevatten 33Ed. Hoornik - Te Middelharnis is een kind verdronken 34Ed. Hoornik - Overgang 35Willem van Toorn - Een kraai bij Siena 36Jan Kuijper - Statica 37Lucebert - vrede 38Lucebert - gedicht 39Hans Andreus - Voor de lieve lezer 40Anthonie Donker - Achterbalcon 41Gerrit Kouwenaar - men moet 42Anneke Brassinga - Roeping 43Jan Arends - drie gedichten 44Jan Eijkelboom - 21 november 1981 45Ria Borkent - Sieraad 46Simon Vestdijk - Het kind 47Jac. van Hattum - Visvangst 48Simon Vestdijk - De overlevende 49Rutger Kopland - Soms bij het zien, bij het zien van een rij 50Leo Vroman - Een boot 51W.F. Hermans - Bewaakte overweg 52H. Marsman - 'Paradise regained' 53Anna Enquist - Typologie van de drenkeling 54Willem Jan Otten - Op zaal 55Hester Knibbe - Vannacht 56J. Slauerhoff - De ontdekker 57J.A. dèr Mouw - 'K BEN Brahman, maar we zitten zonder meid. 58J.A. dèr Mouw - LANG rolt, een bol van klank, de klank van 't schot, 59J.H. Leopold - Regen 60Jan G. Elburg - gelovig soms 61J.C. Bloem - Insomnia 62J.H. Leopold - Saadi 63Anton Korteweg - Wij samen 64Frederik van Eeden - De Waterlelie 65Leo Vroman - Nacht 66Hans Andreus - Laatste gedicht 67Geerten Gossaert - Het brandende wrak 68Gerrit Komrij - Een gedicht 69Gerrit Achterberg - Fotografie 70Patty Scholten - De olifant 71Leo Vroman - Voor wie dit leest 72Neeltje Maria Min - Mijn moeder is mijn naam vergeten 73Eva Gerlach - Lievelingsdieren 74Gerrit Krol - Roodborstje 75Ida Gerhardt - Christus als hovenier 76Co Woudsma - Thuis 77Herman Gorter - Zie je ik hou van je 78Judith Herzberg - Een kinderspiegel 79Harmen Wind - Remedie 80Marijke Hanegraaf - Stokgooier en lezer 81M. Vasalis - De idioot in het bad 82Anneke Reitsma - Schaapscheerderskou 83A. Roland Holst - De ploeger 84Hein Walter - Hestia 85Paul van Ostaijen - Het dorp 86Herman de Coninck - Voor mekaar 87Hans Andreus - Liggen in de zon 88Paul Marijnis - Bij een boeket 89Lloyd Haft - Naar Psalm 1 90Chrétien Breukers - Een bericht 91Gerrit Kouwenaar - zo helder is het werkelijk zelden 92Leo Herberghs - Psalm 23 93Harry Mulisch - Dat komt gewoon doordat zijn vader eens 94Esther Jansma - Raam in de lucht 95Leo Vroman - Jeldican en het woord 96Marc Tritsmans - Vermeer 97Gust Gils - een minnend paar 98Hans Faverey - Ik sla een hoek om. 99J. Slauerhoff - Dit eiland 100Hans Kloos - Panta rhei 101Anna Enquist - Ineens 102Constantijn Huygens - Op het overlijden van Tesselschades oudste dochter... 103Guillaume van der Graft - Brood op de wereld 104H.A. Gomperts - Côte d'Azur 105C.O. Jellema - Aurora borealis 106Rutger Kopland - Enkele andere overwegingen 107Miriam Van hee - reeën 108J. Slauerhoff - Brieven op zee 109Bernd G. Bevers - Het wonder 110Marjoleine de Vos - Het leven in juni 111Guillaume van der Graft - Vogels en vissen 112 Gabriël Smit - Omdat wij zijn 113Gerrit Achterberg - Code 114Tonnus Oosterhoff - De moy je m’épouvante 115Patrick Lateur - Mirjam 116Ankie Peypers - Een jonger vrouw 117M. Vasalis - Cannes 118J. Slauerhoff - De Zonnesteek 119Hans Andreus - Mol 120Kester Freriks - Sprookje 121Hester Knibbe - Psalm 4631 122Simon Vestdijk - Zelfkant 123Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw 124Michaël Zeeman - Halverwege, de liefde 125Geert van Istendael - Spade 126Martinus Nijhoff - Verwachtingen en haren eenmaal grijs 127Mustafa Stitou - Het onderliggende het zich tonende 128Ellen Warmond - Changement de décor 129Paul van Ostaijen - Avondgeluiden 130Mark Boog - Geluk 131Jane Leusink - Geen spaak 132Floor Buschenhenke - Magnetic resonance imaging scanner 133Hendrik de Vries - Mijn broer 134P.N. van Eyck - Brent Bridge 135Gerrit Kouwenaar - toen wij nog jong waren 136Victor Vroomkoning - Uur U 137Willem van Toorn - Eiland 138Gerrit Achterberg - Het meisje en de trom 139Andries Dhoeve - Landwaarts aan zee 140Lucebert - twee handjes 141Marnix Gijsen - De krantenvrouw 142Jacques Hamelink - Krijgslist van La Pucelle 143Judith Herzberg - Mozes 144Jules Deelder - Nationaal gedicht 145Piet Paaltjens - Het monster 146H. Marsman - De boot van Dionysos XVII 147Henk van Loenen - Onder de sterren 148Hans Faverey - Het sneeuwt 149Guy van Hoof - Bestand 150Herman de Coninck - Je truitjes en je witte en rode 151Hans Andreus - Het lied van het morgenlicht 152Paul Snoek - Waarom ik zilver smelt in mijn gedichten 153Leo Vroman - Vrede 154Gerrit Achterberg - Hulshorst 155Ida Gerhardt - Sappho 156Marjoleine de Vos - Mevrouw Despina knielt niet 157Margreet Schouwenaar - Hildegard noemt 158Willem Elsschot - Het huwelijk 159Eva Gerlach - Verdeeld 160Gery Florizoone - Drie knotwilgen 161Ingrid Jonker - Ontvlugting 162Hugo Claus - De moeder 163Jean Pierre Rawie - Voorgoed

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.