Klassiekers (177)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

19 februari 2014

Willem Kloos - XXXIV (Der menschen hoogste smart is wonderbaar.)

Een bespreking door Wim Kleisen


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3350 abonnees.


Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.


Vooraf

*
Sinds januari van dit jaar is op de homepage van de DBNL (Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren) de rubriek 'Gedicht belicht' te vinden. Het is de bedoeling dat daarin elke maand 'een specialist' een gedicht behandelt uit de collectie van DBNL, zeg maar à la de Klassiekers! http://www.dbnl.org/gedichtbelicht/ In de eerste aflevering besprak Carl De Strycker Kind met het bleek gelaat van Karel van de Woestijne.

*
Martin Carrette gaf een reactie op Klassiekers 176, de bespreking door Eric van Loo van Toon Tellegens 'men moet': "Tellegen, alles van hem zou klassiek mogen zijn. Zoals hij in dit simpele gedicht voor tegenstellingen de essentie van het leven samenvat en uitbeeldt, de onmogelijkheid van geluk, omdat het ook 'ongeluk' veronderstelt. Dat het gedicht naar Kouwenaar zou verwijzen is een mooi idee en ik ben blij dat Eric van Loo het verband legt tussen beide gedichten. Hoewel ik het gedicht van Kouwenaar wel kende, dacht ik er bij de lectuur van Tellegen toch niet aan. Maar dat verband voegt alweer een betekenislaag toe, wat ten overvloede bewijst dat 'men moet' een krachtig en goed gedicht is, dat de lezer voor even verzoent met de toch altijd onderhuids aanwezige tristesse in dit ondermaanse…" 



XXXIV


Der menschen hoogste smart is wonderbaar.
         Zonder gelach,
                  Zonder geween,
                           Lig ik gestrekt,
                                   Beweegloos gestrekt,
                                             Starend en stom,
                                                      In den nacht.

         Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Donkere vormen bewegen zich zacht
                                              In den donkeren nacht....
         Donkere vormen, zonder gerucht,
                                                      En ik zucht....

         Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
         Paarden en wagenen draven gestaag,
Paarden en wagenen draven gestaag met getrappel op straat....
                   Waar ik roerloos gestrekt lig,
                             Zonder gerucht,
                  In den nacht, in den nacht.


Willem Kloos (1859-1938 )

Uit: Verzen, Versluys, Amsterdam 1894



*  
Vooraf  
Tijdens mijn opleiding neerlandistiek, lang geleden inmiddels, was een onderdeel daarvan poëzie-analyse, althans, zo zou ik dit nu noemen. We kregen een gedicht voorgelegd en we moesten op grond van inhoudelijke aspecten, stijl- en vormkenmerken proberen de naam van de dichter te achterhalen. Het is maar goed dat ik bij het tentamen dit gedicht niet kreeg voorgelegd, want ik zou zonder aarzelen Paul van Ostaijen hebben genoemd. Nu was het niet zo verwonderlijk dat mijn examinator dit gedicht niet koos, want in het veel te vroeg opgeheven literaire tijdschrift Merlyn was toen vrij recent een uitvoerige, analytische bespreking door J. J. Oversteegen gepubliceerd. Het gedicht moest dus als bekend worden verondersteld.  
 
Toen ik dit gedicht koos voor een bespreking, was dit volledig uit mijn geheugen verdwenen. Ik vond de overeenkomst met Van Ostaijen zo frappant, dat ik veronderstelde dat dit een van de late gedichten van Kloos zou moeten zijn. U begrijpt dat de ontnuchtering groot was, toen bleek dat het al in 1888 geschreven is. Het is opgenomen in de bundel Verzen uit 1894. Bij de bespreking van dit gedicht kan ik niet anders dan mijn leeservaring naast die van Oversteegen leggen. U vindt de tekst van Oversteegen hier.  
 
Kunst is passie  
Kunst is passie. Het was een hoofdprincipe van de Tachtigers en zeker ook van Kloos. Passie heeft als woord twee betekenissen: hartstocht en lijden. Beide betekenissen spelen in de aandoeningen van de Tachtigers een grote rol. De dichter moet lijden, uit die smart kan Schoonheid opbloeien. Zonder Passie geen hartstocht. Het lijden van de ik-figuur betreft hier de geluiden van buiten die een doodsgedachte oproepen.  
 
De droom  
De ik-figuur lijdt dus. Maar inderdaad, zijn hoogste smart is wonderbaar. Dit eerste vers is een aankondiging van wat Kloos in het vervolg van het gedicht beschrijft. Hij ligt doodstil in bed, zie verder de eerste strofe. In zijn halfslaap dringen geluiden door van buiten, het geluid van paarden en wagens. Die geluiden suggereren beweging op straat en de dichter hoort in die halfslaap niet alleen de geluiden, hij ziet ook de bewegingen. Het is duidelijk dat hier sprake is van een droom. Maar wel een droom, waarin de geluiden van buiten gaan corresponderen met de visuele elementen van de droom. Uiteindelijk slaapt de ik-figuur geheel in en verdwijnen de geluiden dus.  
 
Vormaspecten  
Kloos, die in zijn eerste periode toch streng de hand hield aan een strakke vorm van zijn gedichten, schreef hier een vrij gedicht. In de derde strofe herhaalt de dichter variërend de beelden uit de eerste twee strofen. De aa-klanken, veelvuldig gebruikt, contrasteren met de –a- van bijvoorbeeld gelach en getrappel. Zo werkt de dichter ook met ‘ee’ en ‘e’: geween – gestrekt. Opvallend is ook de alliteratie in: '… gestrekt, / Starend en stom…' aan het slot van de eerste strofe. Het versterkt 'beweegloos' in sterke mate. Het derde vers herneemt de eerste twee verzen op kunstige manier. De droom loopt uit in gedachtepuntjes. Daarna varieert de dichter met andere woorden uit de voorgaande strofen. We moeten hier sterk denken aan de Melopee van Van Ostaijen. Oversteegen wijst op het metrum van dit gedicht, waarin het eerste vers met zijn jambische metrum sterk afwijkt van de overige verzen. Inhoud en vorm komen hier overeen: het eerste vers staat apart van de overige verzen.  
 
Inhoudelijke aspecten  
Wie de film Wilde Aardbeien van Ingmar Bergman heeft gezien, zal ongetwijfeld dit gedicht met die film associëren. De beginscène van deze film laat een man zien die droomt dat er buiten een paard met een lijkkoets voorbijrijdt. Hij gaat, nog steeds in zijn droom, naar buiten en ziet dat er een kist van de lijkwagen glijdt, waardoor het deksel er gedeeltelijk afschuift. Een arm van de dode komt naar buiten. Als de man het deksel oplicht ziet hij zichzelf daar liggen. Dit shot uit de film associeert voor mijn gevoel met de halfslaap van Kloos. Alleen gaat de hoofdpersoon in de film naar buiten en lijkt de ik-figuur in het gedicht in slaap te vallen.  
Oversteegen leest het gedicht volgens de close-readingmethode die in die tijd heel gangbaar was en die ik als waardevol beschouw. Ik durf hier niet verder op in te gaan, Oversteegen is zo volledig dat ik alleen maar zou napraten.  
 
Biografische context  
Oorspronkelijk stond dit gedicht samen met een gedicht XXXIII (Mijn oogen branden), het voorafgaande dus, onder de titel 'Pathologieën' geplaatst. In beide gedichten overheerst de doodsgedachte. Kloos maakte in die tijd een depressieve periode door. Oversteegen verwijst naar de door G.H. ’s-Gravesande geschreven De geschiedenis van De Nieuwe Gids. Deze gedichten getuigen ervan. Opvallend is dat zij ook qua vorm afwijken van de overige gedichten in de bundel. Die zijn grotendeels in sonnetten en andere klassieke vormen vormgegeven.  
 
Intertekstuele aspecten  
Dit vormverschil is ingrijpend. Wie Van Ostaijen als dichter kent, herkent zeker in de derde strofe veel van het expressionisme van deze dichter. Leg de Melopee van Van Ostaijen hier maar eens naast. Rik Wouters besprak het hier eerder. Maar dit is niet de enige overeenkomst met Van Ostaijen. Ook de door mij genoemde halfslaap, waarin geluiden uit de buitenwereld doordringen in iemands bewustzijn, treffen we aan in ‘Avondgeluiden’, ook wel ‘Avendgeluiden’.  
 
André Breton publiceerde in 1924 het Manifest van het Surrealisme. Daarin propageerde hij ook het ‘automatische schrijven’, het schrijven zonder rationele activiteit, als in een toestand van halfslaap. Kloos kende noch Breton, noch Van Ostaijen, want die waren uiteraard nog niet actief. Maar de overeenkomst met Van Ostaijens Avondgeluiden is opvallend. Van Ostaijen beschrijft daarin ook hoe geluiden van buiten doordringen tot de (half)slapende hoofdpersoon. Ik verwijs verder naar mijn bespreking van dit gedicht op deze site.
Der menschen hoogste smart... is een van de gedichten van Kloos, geschreven in een van die momenten van inspiratie tijdens zijn depressieve periode, die juist door dit depressieve aspect tot een bijzondere inspiratie blijkt te hebben geleid.  
 
Uiteraard gaat ook Oversteegen in op dit aspect. Hij citeert een brief aan Van Eeden, waarin Kloos uitvoerig zijn beleving van zo’n halfslapende toestand beschrijft. Voor Van Eeden moet dit interessant zijn geweest, hij was immers psychiater. Daarom schrijft Kloos hem dan ook deze brief. Van Eeden was als psychiater gespecialiseerd in dromen en hield van zichzelf een Dromenboek bij. Kloos schrijft dat een intensivering van deze toestand tot hallucinaties zou kunnen leiden. In een toestand van oververmoeidheid worden de zintuigen soms extreem geprikkeld. Mensen horen dan soms stemmen en/of muziek. Waar dan de grens met hallucineren wordt overschreden, laat ik aan psychiaters over.  
 
Oversteegen noemt Breton niet in dit verband. Hij citeert hier zonder haar naam te noemen de Zuid-Nederlandse mystica Hadewych, waarmee we dus in de mystiek terechtkomen. Dit verband met mystiek zou ik niet durven poneren. We kennen mystiek in twee vormen. Enerzijds treffen we een hartstochtelijk verlangen aan om in momenten van uiterste liefdeservaring één met God of het goddelijke te komen. Dat zien we hier zeker niet.  
In de andere vorm gaat de activiteit niet van God uit, maar van de mens. Activiteit mogen we dit ook weer niet noemen. Hier speelt het dualisme van materie en geest een grote rol. Mensen zijn gevormd uit materie en houden zich veelal bezig met wat Tao de duizend-en-een-dingen noemt en Eckhart het ‘dit en dat’. Hiervan moeten mensen afzien, dit moeten ze loslaten. Mensen hoeven zich niet tot ascetisme te bekeren, ze kunnen gewoon maatschappelijk actief zijn, maar wat ze moeten loslaten, is ambitie, het zich voor ogen stellen van een werelds doel. Dan stelt de ziel zich open, waardoor in de uiterste diepte ervan een goddelijke vonk, het enige niet-materiële aspect van de mens bereikbaar wordt voor de godheid.  
Van deze mystiek bespeur ik niets in dit gedicht. Het gaat om geluiden uit de buitenwereld die de zintuigen van de dichter treffen. Ik houd het op Breton. Het verschijnsel van de halfslaap kwam ook voor zijn tijd voor, hij hoefde het alleen maar te benoemen.  
 
Tot slot  
Ik heb weinig neiging de gedichten van Kloos te herlezen. Maar dit en enkele andere van zijn vroege gedichten blijven mij toch helder voor de geest staan. Jammer dat zijn dichterschap zo jammerlijk in alcoholisme teloor ging.


Wim Kleisen




Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 12 maart 2014. Lambert Wierenga bespreekt dan Ridder van Mark Boog uit de bundel Maar zingend. Gedichten (2013).


Kijk voor een overzicht van alle eerder verschenen afleveringen op de site van de Klassiekers of klik hier.


Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.