Klassiekers (186)
Een uitgave van Meander
Redactie: Joop Leibbrand

12 november 2014

Jotie T'Hooft - Eenhoorn
    
Een bespreking door Martin Carrette


Alle Klassiekers zijn compleet met poëtisch woordenboek hier te raadplegen. (Voor wie over poëticale begrippen meer informatie wil, is er het Algemeen Letterkundig Lexicon van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.)
Zie voor al ons andere literaire aanbod de sites Meander en Meander Magazine.

De eerste Klassieker verscheen op 6 juli 2000.
Deze aflevering wordt verzonden aan 3500 abonnees.

Steun Meander en Meander Klassiekers en word ook donateur.

 
Vooraf

Naar aanleiding van de door Wopke van der Lei verzorgde aflevering over Ab Vissers Nocturne schreef Eric van Loo: "Vooral het begin van het gedicht roept echo's op van Bloem en Slauerhoff, met hun hartsgrondige weerzin tegen het aangeharkte Nederland; ik dacht zelfs bijna aan plagiaat, maar kon niets vinden. Misschien heeft het ook met de eerste zin te maken: 'De avond heeft niets lieflijks in dit land' heeft hetzelfde ritme als 'En dan: wat is natuur nog in dit land?'"

*
En Jan Buijsse schreef:
"Het is goed dat Wopke van der Lei door zijn bespreking van ‘Nocturne’ weer eens aandacht vraagt voor het werk van de bijkans vergeten dichter Ab Visser, die eerder door zijn bijdragen over het detectiveverhaal bekend is gebleven dan door zijn poëzie. Toch wil ik een paar opmerkingen bij zijn bespreking maken.
Allereerst over de titel. De nocturne is hier geen nachtlied: er is weinig zangerigs of zelfs dromerigs aan het gedicht. Het is eerder een nachtwake, gekweld als de lyrische ik is door somberheid en pijn. Het lijkt wel of hij met zijn metten bezig is, waar de nocturne een onderdeel van is. Tot die nocturne behoort een aantal psalmen. Nu vormen enige regels uit psalm 90 het motto van de bundel Millennium waarin de nachtwake genoemd wordt: ‘Want duizend jaren zijn in uw ogen/ als de dag van gisteren,/ wanneer hij voorbij is,/ als een nachtwake…’. Gekweld door de pijn brengt de ik de nacht wakend door, als in een vigilie.
Van der Lei spreekt verder over ‘Hollands nachten’. Nu was Visser Groninger van geboorte (wel uit Friese ouders) en ‘dit land’ (r.1) is dan ook het Groninger Hoogeland, waar Visser een gedicht aan wijdde dat in Millennium op de pagina tegenover de ‘Nocturne’ staat, met o.a. de regel ‘De vette grond, van regendampen meestal grauw,’.  Daar weegt de lucht grauw en bitter als nat zand, inderdaad een prachtig beeld. Het (b)ruisen in de bomen vervult 'nachtlang' de schemering: zowel in de schemering als ’s nachts blijft het waaien. De kleurverandering van de tuinen is echter niet te wijten aan de duisternis, de kleuren zie je dan toch niet meer, maar aan de herfst. Alle blad is al gevallen en in de herfst heeft door gevallen blad, uitgebloeide bloemen of een enkele herfstaster de tuin een andere kleur dan in de zomer. Of, zoals in het gedicht ‘November’ (ook in Millennium): ‘De blaren reegnen in de regen mee,/ het bruin gazon draagt nu verguld-op-snee,/ dat bruin doorlichtend als het bruin van gember.’. Visser had het begrijpelijk genoeg sowieso niet zo op de natte herfst. In het zesregelige gedicht ‘Herfst’ (elders in Millennium) schrijft hij: ‘Zachtjes vervloek ik de regen’.
De laatste strofe van ‘Nocturne’ lijkt een paradox te bevatten. Moet je lezen: alhoewel ik al hier (namelijk met die somber makende omgeving) al geslachtenlang mee verbonden ben, ben ik toch niet tot vereenzelviging ermee in staat, — wat onafhankelijkheid suggereert, of: ik, die mij toch met niets kan vereenzelvigen, moet erkennen dat het in dit geval anders is. De verbondenheid blijkt sterker dan zijn drang naar eigenheid. Hoe dan ook, het beeld van de wereld — de avond, de lucht, de geluiden, de regen — waarin niets 'lieflijks' is maar waar het wel 'ijzig' is, is de metafoor voor zijn ziekte en voor ‘een pijn, waarvoor geen naam bestaat’ (r.12). Ware het gedicht een sonnet, we zouden kunnen spreken van een wending. We mogen geen uitspraak doen over deze pijn, er dan namelijk een naam aan gevend. Maar ja, dat wil de lezer eigenlijk maar al te graag. Bestaat er, om het Achterbergiaans te zeggen, een woord dat ermee samenvalt? Is het levensmoeheid of de angst in een zo grote somberheid te vervallen dat van dichten geen sprake meer kan zijn? Tegelijk moet bedacht worden dat het woord pijn regelmatig in Vissers poëzie terugkeert, niet verwonderlijk natuurlijk voor de Bechterewpatiënt die hij was. Voor het begrijpen van het werk van een dichter is kennis van aspecten uit zijn leven wel nuttig. Hier wordt de fysiek aanwezige pijn op een hoger plan uitgesproken. De zinsnede is door Vasalis gebruikt als titel voor haar verhandeling bij de toekenning van de Herman de Vries-prijs aan Visser in 1958. Zij ziet er een verwijzing naar de kern van Vissers werk in, de spanning tussen verbondenheid en onthechting, is hij burger of bohemien.
Het ontbreekt er tenslotte nog maar aan dat Visser bij dit gedicht niet enige andere regels uit psalm 90 uitroept: ‘Geef ons vreugde, vergoed de dagen dat u ons kwelde, de jaren dat wij ellende doorstonden.’ - jaren als een nachtwake."

*
In deze aflevering begroeten we met Martin Carrette een nieuwe medewerker. Zie over hem http://martincarrette.wordpress.com/

 
Eenhoorn  


Here, zonder naam en zonder gezicht 
Zie vanuit den hoge   
Op uw droeve eenhoorn neer   
Die danig hunkert naar uw licht, 
 
Die sierlijk door de wouden dwaalt 
Maar bladeren geen voedsel vindt, 
die voor de poort der doden draalt, 
Allen bladeren op uw wind. 
 
Here, zonder handen zonder stem 
Snij de lichtlans van zijn voorhoofd 
En vang hem in uw stalen klem 
Voor de wereld hem de glans ontrooft, 
 
Lok hem langs de stapsteen sterven, 
Niet als anderen domweg gedoofd 
Maar rein, vrij van bederven 
Langs de kruisweg waar hij in gelooft. 


Jotie T'Hooft (1956 - 1977)

Uit: Junkieverdriet, Manteau, Brussel|Den Haag, 1976.  




 
*    
In 1976 verscheen Junkieverdriet, de tweede bundel van de 'treurige prins' der Vlaamse poëzie, Jotie T’Hooft. Een jaar nadien kwam hij door een overdosis heroïne aan zijn einde. Hij was 21.  
Schreeuwlandschap (1975), zijn debuut, had hem onmiddellijk een plaats op de Vlaamse Parnassus bezorgd.  
 
Junkieverdriet, bekroond met de Reina Prinsen Geerligsprijs, bevat een gedicht dat een instant klassieker werd: 'Eenhoorn'. Het laat niet alleen een getormenteerde dichter, maar ook een groot poëtisch en stilistisch talent vermoeden, met zijn zorgvuldige opbouw, zijn archaïsche ondertoon, een sterke symboliek, én met echo’s van een klassieker uit de Nederlandse poëzie, 'Aendachtigh gebedt' van G.A. Bredero, een dichter met wie T'Hooft wel wat gemeen heeft. Beiden waren romantische zielen, rusteloos op zoek naar zin, beiden stierven jong, na een turbulent leven. Dat Jotie T’Hooft het gedicht van Bredero kende en erdoor werd geïnspireerd, valt niet te bewijzen, al zou het best kunnen, want T’Hooft was een niet-schools gevormde lezer. Alleen al de motto’s bij de afdelingen in Junkieverdriet bewijzen dat de jonge hemelbestormer zeer verscheiden bronnen aanboorde. 
 
Formeel is 'Eenhoorn' een bijna traditioneel gedicht, bestaande uit vier kwatrijnen met gekruist rijm, waarvan alleen het eerste een licht afwijkend rijmschema heeft. De eerste twee bepalen na de apostrofische opening de eenhoorn met een aantal eigenschappen: hij is droef, hunkert naar licht, is sierlijk, maar op de dool (dwaalt door de wouden), vindt geen voedsel en draalt voor de poort der doden. Dat laatste is een niet mis te verstane allusie op wat al in het hoofd van de dichter speelde. De laatste twee kwatrijnen beginnen ook met een aanspreking van een niet te kennen God (Here, zonder naam en zonder gezicht - zonder handen zonder stem), waarna een drievoudige smeekbede volgt: snij de lichtlans van zijn voorhoofd, vang hem in uw stalen klem, lok hem langs de stapsteen sterven…. maar rein, vrij van bederven… 
 
T’Hooft toont zich op jonge leeftijd al een technisch beslagen dichter, met gebruik van klassieke stijlfiguren als apostrof en anafoor, zelfs op het microniveau van de klank smokkelt hij alliteraties en herhalingen (veel dentalen) binnen, waardoor de lezer de indruk krijgt van een sterke bijna tot stamelen leidende emotie. Daarbij opteert hij ook voor een archaïsche toon - de dichter weet dat hij zijn toevlucht neemt tot een illusie, maar nood breekt wet: 'Here', maar verder weet hij het niet: God is de onkenbare, zonder naam en zonder gezicht, en de onbereikbare (zonder handen, zonder stem), een bijna oudtestamentisch godsbeeld. Subtiel wordt de lezer binnen geleid in het taalregister van het gebed (den hoge, de smekende imperatieven die refereren naar Latijnse equivalenten, ora pro nobis, dona eis pacem… etc.). 
 
Dit gedicht is inhoudelijk eenvoudig en tegelijk van een schrikbarende diepgang, gedragen door een sterke symboliek. Hier is een jongere aan het woord met verbijsterend zelf- en levensinzicht, die erin slaagt in poëzie zijn grote wanhoop als het ware te objectiveren en op afstand te beschouwen. 
 
Hij noemt zichzelf een 'eenhoorn', een mythologisch fabeldier, zwanger van symboliek sinds de klassieke oudheid, geassocieerd met zuiverheid - alleen een maagd kan hem vangen. In de christelijke iconografie wordt de eenhoorn symbool voor Christus, de zoon van God! Hoe ondraaglijk en tragisch moet het dagelijkse leven voor een jongeman met zulke hoge verwachtingen niet geweest zijn: hij vindt bladeren geen voedsel: het routineuze onpersoonlijke leven dat T’Hooft rondom zich zag, stootte hem af, hij had een ander mensbeeld voor ogen en zag uiteindelijk geen andere uitweg dan de dood. Hij voelde zich als het ware een uitverkorene van een onkenbare en onbereikbare God. En hij weet dat, indien die verre God hem zóu roepen, het een zware tol zal eisen: 'lok hem langs de stapsteen sterven', met andere woorden hij weet dat die goddelijke uitverkiezing hem het leven kost, na een kruisweg, een lijdensweg, die onvermijdelijk is voor wie zich niet conformeert. Dat is zijn rotsvaste geloof. Poëzie zou geen duurzaam redmiddel blijken. Een andere afloop was voor de eenhoorn die hij wilde zijn, ondenkbaar. 'Zuiverheid was onbereikbaar, onhoudbaar en vandaar die 'droeve eenhoorn'. 
 
De eenhoorn is dus een beeld voor zijn isolatie in een wereld vol middelmaat en conformisme. Maar mijns inziens gaat het hier om meer dan alleen maar een concrete mens in een concrete wereld, is het te gemakkelijk zomaar de link te leggen naar realia uit het concrete leven van de concrete dichter. T’Hooft heeft het volgens mij over de unieke artistieke persoonlijkheid van de kunstenaar - van élke kunstenaar -, waarvoor in een wereld van materialisme nauwelijks plaats is. Over het dilemma van elke eenhoorn/kunstenaar: ten volle kunstenaar zijn en meedraaien in het geoliede maar vernietigende raderwerk van de maatschappij is als water en vuur met elkaar verzoenen. 
 
Dit gedicht roept bij mij sterke reminiscenties op aan Bredero’s 'Aendachtigh gebedt'. Eenzelfde thematiek, gelijkaardige poëtische technieken: ook Bredero spreekt God aan, maar doet dat (zoals T’Hooft) op een voor zijn tijd wat archaïserende manier. De 17de-eeuwer hanteert een nog bijna middeleeuws Gods- en mensbeeld (hij wordt wel eens de laatste middeleeuwer genoemd), met een soms gelijklopende woordkeus: ook hier een droeve, neerslachtige man, ook hier de smeekbeden (gedooght niet, ontfangt…), ook hier het beeld van de wereldvreemde, in de wereld verdwaalde (die hier op d’aerd’ als vreemdeling most swerven), voor wie het routineuze dagelijkse  leven pijnlijk is (en ga met smart betreden den algemenen weg van d’ouwde lang verleden - voor de middeleeuwer was het leven op aarde niets dan ellende, alle hoop was gericht op een paradijselijk leven na de dood. Ook het einde van beide gedichten vertoont een sterke gelijkenis. T’Hooft wil rein, vrij van bederven langs de stapsteen worden gelokt, bij Bredero klinkt dit als geen ander blydschap … als by den Bruydegom van mijnen siel te rusten
 
Maar ook los van zijn illustere 17de-eeuwse voorganger blijft EENHOORN een indrukwekkend gedicht van een veel te jong gestorven, zeer getalenteerde dichter.

Martin Carrette



Reageren op deze bespreking? Zelf een bijdrage leveren?
Neem contact op met Meander Klassiekers.

Het e-mailadres is:
Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

De volgende aflevering verschijnt op 17 december  2014. Eric van Loo bespreekt dan Poëzie is een daad... van Remco Campert uit de bundel Het huis waarin ik woonde (1955).

Kijk voor een overzicht van alle eerder verschenen afleveringen op de site van de Klassiekers of klik hier.

Verdere verspreiding van afleveringen van de Klassiekers is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s).

Abonnement nemen of opzeggen? Ga naar aanmelden klassiekers of naar afmelden klassiekers. Adres wijzigen? Eerst afmelden, daarna weer opnieuw aanmelden.