Die Kunst der Fuge

I

Zo dwalen gedachten, dwalen ze zich herhalend
als beken door bergwei, altijd een beetje anders,

altijd een beetje hetzelfde, allemaal naar iets
verlangend, een ergens, elders een herinnering

zoekend daar naartoe. En hun verlangen is niets
dan de kracht van water, hun herinnering niets

dan oevers, ergens, elders zijn ze de zee.


II

De ruimte van een winters woud van hoge beuken,
en uit de kruinen daalt het, opnieuw en opnieuw,

herhaalt zich deze beweging van ooit eens naar later,
voor de duur van dat dalen, blad na blad na

Hun herinnering is niets dan deze ruimte, en niets
hun verlangen dan dit vallen, dit zich neerleggen

tussen de anderen, dit onvindbaar voorbij zijn.


III

De zwermen vogels boven het dal, die vluchtige
momenten van bij elkaar horen en uiteen vallen.

al die herhalingen waarin wordt gezocht naar die
ene beweging, waarin herinnering en verlangen

verdwijnen in elkaar, het vinden van die momenten,
en het verliezen. Wat hen bindt en uiteen drijft

zijn kou, wind, grijze daken in de diepte.


IV

En hoog in de winterse ijlte voetsporen in de sneeuw,
een man en een vrouw die hierheen kwamen lopen, hier

- stappen het enige wat van hen bleef, een paar lijnen
dunne, door elkaar heen dwalende lijnen, herinnering

en verlangen, die beide, maar waaraan en waarnaar -
hier waar wij zijn, niets dan wij, en sneeuw,

sneeuw waarin nog geen stap is gezet.


V

Het dwaalt, vloeit samen, valt uiteen, verdwijnt,
en het herhaalt zich, alsof er steeds weer iets

moet worden gezocht, gevonden, verloren, gezocht,
alsof er steeds weer iets moet, iets moet zijn

voor het verdwijnt en daarna.


Rutger Kopland (1934)

Uit: Voor het verdwijnt en daarna (1985)
Uitgever: Van Oorschot