Toen Rutger Kopland in 1978 zijn bundel '
Al die mooie beloften' publiceerde (met daarin die prachtige cyclus 'G', ongetwijfeld een van de hoogtepunten van de naoorlogse poëzie) nam hij daarin niet het bovenstaande gedicht op, omdat hij dat "te christelijk" achtte. Vier jaar later werd het – vrijwel volledig herschreven - wel het openingsgedicht van '
Dit uitzicht'. In deze vorm, die daarmee dus de definitieve geworden is, nam hij het ook op in zijn verzamelbundel '
Herinneringen aan het onbekende' (1988)
Al die mooie beloften
De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad
gevonden, ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.
En in dit liefelijke landschap de zoon
van de maker, aan een boom genageld,
maar geen spoor van geweld
of verzet, alleen maar
vrede, rust.
Zijn lege ogen kijken het landschap in,
om zijn mond spelen eeuwige vragen,
waarom dan, wie ben je,
waar was je, e.d.
Zonder verwijt, hij moet hebben geweten
wat er zou gaan gebeuren.
Ik heb geen antwoord.
Uit: 'Dit Uitzicht', Van Oorschot, Amsterdam 1982
In beide versies zegt de ikfiguur – die we gemakshalve maar met Kopland zelf zullen identificeren – direct dat hij de grazige weiden die hij zocht, werkelijk gevonden heeft. De verwijzing naar de beginregels van psalm 23 met daarin de evocatie van het hemelse paradijs is evident. In de oude vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap luidt het begin: "
De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijne ziel." Een modernere versie luidt: "
De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel."
Al veel eerder liet Kopland zich door deze psalm inspireren. Het openingsgedicht van zijn debuutbundel '
Onder het vee' (1966) – ook het eerste gedicht van de verzamelbundel – is getiteld '
Een psalm' . Hier volgt het:
Een psalm
De grazige weiden de rustige wateren
op het behang van mijn kamer
ik heb geloofd als een bang kind
in behang
als mijn moeder voor mij gebeden
had en mij weer een dag langer
vergeven was bleef ik achter
tussen roerloze paarden en koeien
te vondeling gelegd in een wereld
van gras
nu ik opnieuw door gods landerijen
moet gaan vind ik geen schrede
waarop ik terug kan keren, alleen
een kleine hand in de mijne
die zich krampt als de geweldige lijven
van het vee kreunen en snuiven
van vrede.
De dichter kijkt terug op het geloof van zijn jeugd en stelt vast dat het zowel letterlijk als figuurlijk niet meer geweest is dan 'behang': iets wat de echte werkelijkheid aan het oog onttrok, wat hem werd opgedrongen en waarbij hij zich altijd onveilig heeft gevoeld. Natuurlijk ook iets wat uiteindelijk kon worden doorgeprikt. Moeder zal met de beste bedoelingen voor hem gebeden hebben, maar 'vergeven' heeft niet voor niets ook de betekenis van 'vergiftigd'; en waar moeder oprecht geprobeerd zal hebben hem tot 'Gods kindje' te maken, opdat hij door God zou kunnen worden opgenomen, heeft hij dat zelf angstig als diepe eenzaamheid ervaren; van vondelingen wordt immers afstand gedaan. In de idyllische verbeelding van Gods wereld zoals hij die op het echte behang in zijn kamer zag, voelde hij zich dan ook allerminst thuis.
Dat voelt hij zich later wel in de reële, haast dierlijk-aardse wereld waarin hij met zijn kind loopt: als het schrikt van de overweldigende levenskracht van het vee, houdt hij het als échte vader zélf beschermend vast.
In '
Al die mooie beloften' (allereerst gaan we in op de Revisorversie) bevindt de dichter zich dus opnieuw in 'gods landerijen'. Alleen al het noemen van 'grazige weiden' volstaat om thuis te zijn in het religieuze beeld dat hij oproept, maar het is duidelijk dat hij een gewone wandeling maakt in een reële omgeving, waarschijnlijk het Zuid-Nederlandse rivierenlandschap. Met milde spot ("prachtig, prachtig") stelt hij vast dat de 'vader' niets te veel beloofd heeft, waarmee hij de zaak natuurlijk wel op zijn kop zet, omdat de ideële bijbelse weiden nu eenmaal niet van deze wereld zijn. Hij staat vervolgens stil bij een kruisbeeld van Christus, zoals je dat zo vaak op het Brabantse of Limburgse platteland aantreft en hem valt op dat in het beeld niet het getormenteerde lijden van Jezus wordt uitgedrukt, maar - in alle menselijke kwetsbaarheid - juist een liefelijke, haast romantische vrede en rust; het ademt in alle opzichten verzoening. Weer lijkt het erop dat de wandelaar hier de eenvoudige zekerheid des geloofs ervaart, maar de werkelijkheid is anders. Behalve de vraag "waar was je" ("Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Matth.27:46, Marc.15:34) geeft hij Christus ook de omineuze vragen "waarom toch" en "wie ben je" in en hij noemt dat nota bene 'eeuwige' vragen: niet alleen zullen ze altijd gesteld worden, ze zullen ook voor immer vraag blijven, dus nooit beantwoord kunnen worden. Vooral de slotregel is verraderlijk. We lijken de echo te horen van "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." (Lucas 23:34); ook zou het feit dat niemand 'schuldig' is het verlossende effect van de kruisdood van Gods Zoon kunnen zijn. Het is echter eerder zo, dat Kopland hier schrijft, dat nooit iemand schuldig, dus zondig geweest is, waarmee de kruisiging met terugwerkende kracht tot iets overbodigs wordt gemaakt. En ook dat is weer niemands 'schuld' in het bijzonder. Het is alsof de dichter wil zeggen: zo gaan soms de dingen in het leven; we nemen ze zoals ze zijn, zonder te weten waarom, maar door het te accepteren wordt het vanzelf goed.
De herziene versie wijkt op een aantal punten af. Allereerst heeft Kopland niet alleen de 'mooie'
sonnetvorm verlaten, maar ook de zachte, gedragen, glijdende toon. Hij kapt regels soms bruusk af, last onverwachte pauzes in, schrijft zakelijker, bitser haast, afstandelijker, neutraler. De vertrouwelijke aanspreekvorm 'vader' is weg; 'de maker' staat wel heel ver van ons af.
De ingekeerde Christus, die eerst zijn hoofd liet hangen – de traditionele weergave – kijkt nu 'leeg' het landschap in: alsof de grazige weiden hem vreemd zijn, hij er buiten staat.
Nauwkeurige
vergelijking leert, dat slechts één regel dezelfde gebleven is: "om zijn mond spelen eeuwige vragen". Het kan niet anders of dit is de kernregel van het hele gedicht en daarmee ook een regel die we op Kopland zelf mogen betrekken. De nieuwe slotregel luidt niet voor niets: "Ik heb geen antwoord."
'Al die mooie beloften': waarom toch, waarom dan...
Joop Leibbrand