Het eerste gedicht uit
Gaatjes in mijn oren heet
Jongbloed en is daarmee een verwijzing naar
uitgeverij Jongbloed in Leeuwarden, die bekend staat om de luxueuze uitgave van mooie
bijbels in dundruk, goud op snee en gebonden in leer. Ria Borkent, een protestante
dichteres, vraagt zich af of dat wel kan. Is het geoorloofd dat de bijbel versierd
wordt? Gaat het niet om de inhoud van de bijbel, in plaats van hoe de bijbel er van
buiten uitziet? Ze worstelt met het hele begrip 'schoonheid'. Houdt aardse schoonheid
niet af van het wezenlijke in het leven? Dit dilemma van de kunstenaar, die immers
van nature een versierder is, is in het kort de inhoud van de hele bundel.
In
dit gedicht wordt de vraag gesteld, of een voorwerp dat het lichaam versiert, niet
afhoudt van belangrijke zaken als het uitzicht op de hemel. Het ouder worden brengt
lichamelijk verval met zich mee, de strijd tegen de ouderdom is bij voorbaat verloren en
zelfs mooie oorbellen houden de aftakeling niet tegen. Daarom zegt de moeder kortaf tegen
haar dochter, als deze vraagt of ze gaatjes in haar oren mag laten maken: "nee", maar
zij voegt daar onmiddellijk aan toe "nog niet". Daarmee geeft zij de twijfel aan of
haar overtuiging wel juist is.
De omslag van de bundel vertoont twee gaatjes in
de hoofdletter 'O' van 'Oren', één aan de voorzijde van de kaft, één aan de achterzijde
als een speelse versiering. Die gaatjes ziet de lezer niet als een aantasting van
de gaafheid van de omslag, maar eerder als een bevestiging van de gaafheid ervan.
In
de tweede strofe van
Sieraad staat het kort maar scherp, tot drie maal toe, alsof
de dichter zichzelf wil overtuigen van de waarheid. Die waarheid verdraagt geen versiering.
Je kunt er niet omheen. Maar toch twijfelt de dichter aan die stellige uitspraak.
Ze weet dat de gaafheid en de aantasting in het gedicht zich op twee niveaus afspelen.
De uiterlijke gaafheid is niet op één lijn te stellen met de innerlijke gaafheid.
En alleen de innerlijke aantasting is een bron van verdriet.
De twee slotwoorden van
het gedicht komen daardoor verrassend en troostrijk over. Ook al weet de mens dat
de strijd tegen de dood bij voorbaat verloren is, daar kan niet uit worden afgeleid,
dat een eenvoudig sieraad die dood naderbij brengt.
Het
metrum begint regelmatig
met twee keer een drievoetige
jambe. De
antimetrie in het woord 'tegen' in de eerste
regel komt functioneel over, omdat die als het ware al in de betekenis van het woord
zelf zit.
De twee eerste regels van de tweede strofe beginnen met een
antimetrie,
al zullen sommige lezers in die twee regels eerder een
trochee zien. Ik ga liever
uit van het
metrum in het gedicht dat het vaakst voortkomt en spreek daarom liever
van een
antimetrie. Regel 5 herneemt de regelmaat van de drievoetige
jambe.
De derde
strofe is overwegend maatvast met een natuurlijke
antimetrie in het woord 'Mag'. Het
gedicht krijgt - zoals het behoort - door de maatbehandeling een natuurlijk klank.
Het
rijm komt bij mij ook ongedwongen over. Regel 4, 5 en 7 hebben hetzelfde
eindrijm.
De klank van het laatste woord van regel 2 keert als een echo terug in regel 6. Dat
zorgt voor een evenwichtige rijmverdeling. Het verging mij als een schok dat de schijnbare
stelligheid van regel 3 en 4 metrisch losgemaakt is van de voorgaande en volgende
regels. Daardoor ontstaat er een isolement van die regels, waardoor ze extra aandacht
krijgen. Wil de dichter zichzelf overtuigen van een opvatting, die ze eigenlijk niet
kan aanvaarden?
Misschien vindt niet iedereen het gedicht mooi, er zit een zekere
stugheid in; het heeft mij in elk geval sterk aangesproken door de vormgeving van
het dualisme dat eruit spreekt.
Pim Heuvel