Een van de rijkste bundels die Vestdijk schreef (na de
Gestelsche liederen
althans), is
Thanatos aan banden (De Bezige Bij 1948). De bundel telt 128 blz. en
bevat zeven afdelingen, waarvan de eerste ook de titel
Thanatos aan banden draagt,
een cyclus van dertig
sonnetten, gedateerd 'Januari 1945'.
Het kind is hiervan het
twaalfde gedicht.
In
Kille poëzie. De vergeefse zoektocht naar een oude liefde,
een artikel in het
Jaarboek Gerrit Achterberg 3 (2003), schrijft Piet Gerbrandy dat
dichters als J.C. Bloem en Simon Vestdijk hem niets meer zeggen om dezelfde reden
als waarom Achterberg hem niet meer boeit, namelijk het hanteren van een techniek
die heeft afgedaan. Hij legt uit: "Poëzie waarin een dichter iets wil zeggen en voor
dat doel wat aardige
vergelijkingen bedenkt om zijn bewering wat op te sieren, zoals
dichters dat tot halverwege de negentiende, en in Nederland tot halverwege de twintigste
eeuw altijd hebben gedaan, is voor mij passé. Het beeld moet op zichzelf kunnen staan."
Het
is een goede aanleiding om in de Klassiekers eens een gedicht van Vestdijk te bespreken
en daarbij dan speciaal te letten op de beeldspraak. Die is inderdaad niet, zoals
bijvoorbeeld bij Lucebert autonoom; Vestdijk is een dichter die beelden toepast, maar
daarbij is er een groot verschil of een beeld ornamenteel is, een in feite overbodige
versiering van bepaalde uitspraken, of juist essentieel is, omdat bij elke andere
wijze van zeggen betekeniselementen verloren zouden gaan.
In
Het kind valt al direct
op dat er geen sprake is van het voor een
sonnet zo obligate schema beeld (
octaaf)
en toepassing van het beeld (
sextet). Er is een centraal beeld – het weven – maar
dat onttrekt zich opvallend genoeg aan een vast stramien.
Het hele gedicht is een
aanspreking van de 'gij' uit r. 12 en 14, over wie de dichter spreekt van 'uw liefde'
(r. 3), 'uw draden' (r.9) en die direct in de eerste regel met een fraai en functioneel
metonymia 'Harten verflard' genoemd worden. We vallen er midden in een kapot huwelijksleven
mee; de eens in een liefdesband vast verbonden harten zijn als het ware tot afgescheurde,
rafelige lappen verworden en daaraan heeft het krijgen van een kind, dat als 'hartenbinder'
de huwelijksliefde had moeten redden, niets kunnen veranderen. De liefdevolle verwevenheid
van man en vrouw had tot een levenskunstwerk moeten leiden, maar schering en inslag
is het, dat het mislukt. Het geluk wordt afgebroken, de voorstelling werd nooit een
werkelijke afspiegeling van de werkelijkheid, zij bleek vals en onbetrouwbaar te zijn,
los en onbruikbaar hangen de (levens)draden erbij - het woord 'loos' heeft een veelheid
aan betekenissen!
Toch: de zin, de 'glans' van het leven (er wordt geweven in hetzelfde
'raamwerk') is de liefde en om die te bewaren en nieuwe kansen te geven, moet het
kind, in stede van zich te voegen in het heilloze patroon van de ouders, zijn eigen
levensbeeld gaan maken. R. 4 geeft met het gebruik van de conjunctief (de aanvoegende
wijs) in combinatie met 'opdat' een duidelijke bedoeling aan. Van wie? Een andere
dichter dan Vestdijk was wellicht in de verleiding gekomen een grote Wever te introduceren,
maar daarvan is hier geen sprake; er is geen voorbeschikt ontwerp, er zijn alleen
de 'wetten' van de eigen levens.
In strofe twee, een soort tussenstrofe, is het
voor een goed begrip nodig te zien dat het eerste 'het' verwijst naar het 'teerder
weefsel' uit r. 2 en het tweede 'het' naar het kind. Er wordt benadrukt (mede door
de herhaling en de
alliteratie in r. 8) dat het kind in alle opzichten zijn eigen
leven moet gaan leiden. Het lieve, onschuldige vlinderachtige is maar kortstondig
aanwezig, misschien zelfs maar een schijngestalte. Wie leeft wordt daardoor al spoedig
een 'tijdsverslinder'; niet voor niets komt uit pop en vlinder de veelvratige rups
voort.
De derde strofe hervat de aanspreking van de ouders met de vaststelling,
de waarschuwing haast, hoe zij door hún leven het leven van hun kind blijvend beïnvloeden,
omdat het zich aan de verwevenheid met hen nooit zal kunnen onttrekken: de 'nerven'
zijn als het ware de zenuwbanen die zijn bestaan zullen bepalen. Waar eerder het ouderlijke
weefsel los uiteenviel, blijken hun afzonderlijke draden 'benard' te zijn, wat een
negatief effect op het kind suggereert. Mocht het later in psychoanalyse gaan, dan
zou de volgende uitspraak van Freud op hem van toepassing kunnen zijn: "Ik zou de
draden in het weefsel dat door de analyse wordt onthuld, strakker kunnen aanhalen
en dan kunnen aantonen dat ze in één enkele knoop bijeenkomen." (
Over dromen, 1901)
Wat
zou meer voor de hand liggen, dan dat met die wetenschap een poging tot herstel gedaan
zou worden? Onmogelijk, zegt de laatste strofe (die het moet doen zonder de eerder
gebruikte beeldspraak, al blijft zij impliciet aanwezig); de levensdraden zullen na
de gemiste kans apart moeten blijven. Het zo opvallend voorop geplaatste 'Alleen'
is niet slechts een verbindingswoord dat een tegenstelling uitdrukt, maar heeft ook
de omineuze betekenis van alleenzijn, van eenzaamheid dus. Het gedicht eindigt somber,
illusieloos, want aan voldongen levensfeiten blijkt niets meer te kunnen worden veranderd.
De enige 'groei' die de ouders nog gegund is, is die tot hun afzonderlijke dood en
met één draad kan het huwelijksweefsel zeker niet worden gered.
De derde strofe
wees al op de latere effecten voor het kind. R. 13 maakt duidelijk dat een kind (dit
kind, alle kinderen) tot aan de volwassenheid min of meer onbezorgd zijn eigen leven
kan leiden, maar dat mét de volwassenheid een einde komt aan het 'spelen', het alleen
voor zichzelf mogen bestaan. Dan zal het raamwerk dat leven is, verlangen dat er een
nieuw weefsel wordt opgezet, met gedeelde draden, en omdat het dan op competenties
aankomt die de vorige generatie miste, is het perspectief niet schitterend. Vestdijk
zegt het niet, maar wijsheid lijkt geboden: niet voor niets had Pallas Athene naast
haar vele andere taken ook nog het spinnen en weven onder haar hoede.
Onlangs
verscheen (
Jean Cocteau Gedichten, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2003). In
Plaint-chant
(1923) schrijft Cocteau: "(...) On sent les muses hésiter.// Une prend les fils, une
trie,/ Une perce le canevas./ Les courbes de leur broderie/ Décident seules où tu
vas." In de vertaling van Theo Festen: "(...) Voel ik de
muzen talmen.// Eén neemt de
wol, één kiest de draad,/ Een steekt hem door het doek;/ De richting die het borduursel
gaat/ Bepaalt onze levenskoers."
In Vestdijks
Het kind vormen de geformuleerde
inzichten dankzij de beeldspraak een kunstig weefsel dat geheel op zichzelf staat.
Taal, beeld en gedachten vormen een onlosmakelijk, elkaar versterkend geheel. Je hoort
Euterpe fluiten van bewondering...
Joop Leibbrand