Alhoewel Leopolds Oosterse gedichten voor het merendeel bewerkingen zijn van eerdere vertalingen
uit het Perzisch en Arabisch in het Engels, Duits en Frans - voor zijn versies van de
kwatrijnen
van Omar Khayyám maakte hij bijvoorbeeld gebruik van de Engelse vertaling van Whinfield uit 1904,
de Duitse van Rosen uit 1909 en de Franse prozavertaling van Anet en Muhammad uit 1920, en veel
kwatrijnen uit 'Soefisch' ('Oostersch II') schreef hij dankzij
La Roseraie du Savoir; Choix de
quatrains mystiques tirés des meilleurs auteurs Persans van Hocéÿne Azad, een prozaboek dat in
1906 verscheen - eigende hij zich de gedichten qua taal en qua geest dusdanig toe, dat ze geheel
en al tot zijn oorspronkelijke werk worden gerekend, ook als er een titelaanduiding is als 'Emir
Khosrau', 'Hafiz', 'El-Ma'arri' of 'Mansoer El-Hallas'. Twee keer valt de naam van de Perzische
dichter 'Saadi': in 'Oostersch II' met een vijftal
kwatrijnen, en bij bovenstaand gedicht uit
'Oostersch III', dat een van de allermooiste gedichten uit Leopolds rijke oeuvre is.
In de eerste regel doet zich meteen het probleem voor wie de 'gij' is die hier wordt beschreven
en later ook toegesproken. Het kan een ander zijn, een tweede persoon, maar ook de dichter zelf,
die 'gij' en 'u' als een verhulde ik-vorm gebruikt en zijn eigen situatie beziet. Saadi die
schrijft over zichzelf of zich inleeft in een goed gekende ander? Leopold die aan de hand van zijn
lectuur een verondersteld moment uit het leven van Saadi weergeeft? De beschreven emoties maken
duidelijk dat het in alle gevallen om Leopold zelf gaat, in ieder geval om een personage met wie
hij zich sterk identificeert, want met de begrippen bitterheid, eenzaamheid, alleenzijn, miskenning
en het mateloze verlangen naar een 'liefste' wordt een psychische realiteit beschreven die volledig
de zijne is.
'De grondslag van geheel zijn wezen is het verlangen naar de "ééne, onverschenene, ademloos
gewacht"', schreef Knuvelder - slotregel van 'Gij, eersteling, hebt neergezien' uit 'Scherzo'
(zie bijlage) - en het is hetzelfde in de tweede strofe geuite verlangen dat in 'Saadi' centraal
staat. Een ander bekend Leopoldcitaat is nog kenmerkender voor dit gedicht, en wel 'Alleen ben ik
en zoek alleen te wezen', uit zijn vertaling van een ballade van Christine de Pisan, waarin de
regels steeds beginnen met 'Alleen ben ik' en aan het einde van iedere strofe de constatering is:
'[…] en zonder vriend gebleven.' Wie 'Saadi' metrisch leest, valt al snel op dat r. 4 de enige
regel is met een extra versvoet, met 13 i.p.v. 11 lettergrepen: 'alleen' is het toegevoegde woord,
en het krijgt daarmee alle nadruk van het gedicht.
In de eerste regel overheersen twee accentueringen: die op 'Nacht' en op 'gij', waarmee al direct
het uiterlijke op het innerlijke betrokken wordt: een duistere buitenwereld lijkt te corresponderen
met een duistere binnenwereld. Van een uitzichtloze somberheid is echter geen sprake (meer). Een
tuin heeft immers geen enkele negatieve connotatie, de lommerboom is geenszins beangstigend of
bedreigend, het donker bevindt zich óm de tuin en niet erin. Dankzij de sterren is er een
schemerduister waarin nog veel zichtbaar is: natuurlijk de bloemen, maar vooral ook de gij, die
hier zo duidelijk wordt uitgelicht en wiens bitterheid door het diepste
ging. Kennelijk is
er de mogelijkheid tot een zeker mentaal herstel, om vanuit de toestand van 'eenzaam te zijn,
alleen en zich miskend te weten' als het ware geestelijk van het 'lijdend individualisme' te
recupereren. De sleutel daartoe zit in het precieze
weten waarin men hem
miskent,
dus
onjuist kent en daarvoor is 'niet op de juiste waarde geschat worden' een te beperkte
omschrijving. Het gaat er niet om dat men weet dat hij nooit iets groots tot stand heeft gebracht
en geen 'volmaakte' liefdeservaring heeft gekend (r. 7 en 8 zijn schitterende erotische regels),
maar dat niet gezien wordt dat hij daarnaar wel degelijk een zeer sterke innerlijke drang heeft.
Of, en dat is de grootste miskenning, dat men niet begrijpt dat hij zelf wéét dat het altijd
alleen bij verlangen zal blijven, omdat dat inherent is aan een door hem geaccepteerd levenslot.
Dat zijn levensopdracht niet is te vervullen, maar te verlangen, te berusten, te aanvaarden en
daaraan uiting te geven.
Strofe drie maakt dat in een driedubbele
imperatief ('Aanzie', 'aanzie', 'aanvaard') duidelijk.
Bloemen
verklaren, waarmee de symbolische overeenkomsten tussen bloemen en sterren (die in
de nachtelijke tuin niet alleen metaforisch in beeld zullen zijn, maar ook echt) nog eens extra
wordt benadrukt. Traditioneel worden in allerlei culturen aan de witte bloemen van de struikjasmijn
veel betekenissen toegekend, maar in het algemeen staan ze voor liefde, erotiek, vriendschap,
naastenliefde, en natuurlijk reinheid en zuiverheid. Ze vullen de verlangens van de gij voor een
groot deel in. De jasmijn bloeit echter maar kort, de bloemen vallen snel af. Daartegenover de
sterren: eeuwig, vast, onveranderlijk.
Wat 'verklaren' de bloemen en de sterren, zo verschillend als ze gelijk zijn? Het 'blank geheim'
leggen ze niet uit; integendeel, ze belichten het, zodanig dat het een zuiver en onaangetast
geheim blijft, terwijl er toch ook de duidelijke suggestie is van iets essentieels, iets van een
ultieme maar ongezegde waarheid: 'lessen, die hun gave zijn.' Het begrip 'gave' heeft daarbij
duidelijk een metafysisch aspect.
Zie de gij in de tuin zitten: waarschijnlijk in wit gewaad, bleek belicht, tegen een boom in vol
gebladerte. Een bloem, een ster, zichzelf. Sub specie aeternitatis hetzelfde. Bloemen en sterren
verklaren en ook de gij 'verklaart', geeft 'lessen'. Het is hem 'gegeven' te schrijven, woorden
aan te bieden voor wat Lucebert in
van de afgrond en de luchtmens zo formuleerde: 'maar
wat dan is deze eenzaamheid/ mijn bestemming en zuiver gestemd zijn zeggen de wijzen' ('Elegie').
Wat verstechniek betreft is de wijze waarop Leopold rijm,
klankkleur,
metrum en
ritme tot een
eenheid smeedt ongeëvenaard. Let op het
metrum, de vijfvoetige
jambe, dat na de sterke afwijkingen
in de eerste strofe steeds regelmatiger wordt, geheel in overeenstemming met de inhoud. Maar hoe
dan bijvoorbeeld in r. 8 'rústig' tegen de maat ingaat, wat meteen die rust creëert. Let op het
rijmschema, dat telkens omarmend is, maar heel gevarieerd toegepast. De middelste, de 'actiefste'
strofe, heeft uitsluitend
mannelijk rijm, maar in de eerste strofe omsluit het vrouwelijke het
mannelijke en in de laatste is dat - heel functioneel - juist omgekeerd.
Omdat Leopold zich bij lange na niet beperkt tot
eindrijm alleen, maar zorgvuldig een fijnmazig
netwerk van
assonanties spant, is het gedicht een wonder van klank, waarbij het telkens zo is
dat de inhoud erdoor ondersteund wordt. Hoor hoe de
ie's en
i's, extra versterkt
door het
dubbelrijm, in r. 2 en 3 de woorden ook qua betekenis bij elkaar houden. Hoe het
drievoudige 'in' in de tweede strofe versterkt wordt door nog drie keer dezelfde klank en daarmee
het willen
indringen benadrukt; in de laatste strofe is de
i vrijwel verdwenen,
evenals de
ee van 'eenzaam' en 'alleen', die in de eerste strofe nog zo domineert. In de
derde strofe, die 'opent', overheerst ineens de
aa, de meest open klinker die er is, en
tevens wordt met het herhaalde 'aanzie' de titel gespiegeld.
Saadi, aanzie. Het is de poëzie.
Bijlage:
GIJ, eersteling, hebt neergezien
in mijne ziel; een dicht gehouên
menschenbestaan lag te aanschouwen,
voor u ook voor het eerst misschien.
"Ik heb gezien een smartelijk begeven,
ontsterven al achter den buitenschijn,
verlatenheid en een hooghartig streven
eenzamer dan den eenzame te zijn."
Gij hebt geluisterd naar de taal
van mijn gedachten; wat de velen
in kronkelzinnen dicht verhelen,
werd u verstaanbaar deze maal.
"Ik heb vernomen woorden van hoovaarding
ruilend met kreten van verworpenheid
van zelfverheffing en van zelfontwaarding
de wanhoop en verloren wisselstrijd."
En dit, wat duister in mij leeft,
mij zelven vreemd en toch mijn eigen,
wel zal uw mond het niet verzwijgen,
nu eenmaal zij gesproken heeft.
"Ik ken den grondslag van geheel uw wezen,
weet, dat uws levens rijke werken tracht,
dat het aan één' mag weggegeven wezen,
ééne, onverschenene, ademloos gewacht."
uit: Scherzo
Anton Korteweg had er in Geen beter leven (1985) deze reactie op:
Gekomen
Ach, Leopold,
Een', onverschenen, ademloos verwacht, dat
hou je toch ook als ze eindelijk eindelijk,
stralend, gekomen, van
jou is geweest.
Aantekening:
Leopolds Saadi is Shaykh Sa'di of Sa'di Shirazi, voluit Muslihuddin Abu Muhammad Abdullah ibn
Mushrifuddin Sa'di (en dat in talloze spellingvariaties), de Perzische arabist, wereldreiziger,
dichter, prozaïst en denker die als tijdgenoot van Rumi leefde van ca. 1212 tot 1295. Hij was een
moraliserend dichter, wiens
mystieke inslag minder gekenmerkt werd door transcendentie dan wel
door 'buthaîne', een in berusting ervaren bitterheid om het leven. Zijn belangrijkste werken zijn
de
Bustan (Vruchtentuin), elegante poëzie over wijsheid, rechtvaardigheid en goed bestuur,
maar vooral over aardse liefde, en de
Gulistan (Rozentuin), een met gedichten afgewisselde
verzameling verhalen over
mystiek en erotiek en over morele kwesties als oprechtheid en sociale
rechtvaardigheid. Van dit eerste literaire werk uit Perzië dat in Europa bekend werd, verscheen
dit jaar een vertaling door J.T.P. de Bruijn (uitg. Bulaaq, ISBN 9054600837). Hij schreef verder
talloze losse gedichten in wisselende versvormen, werk dat in de 19e eeuw dankzij verschillende
vertalingen volop toegankelijk was en hem tot FitzGeralds
vertaling van Omar Khayyáms
Rubáiyyát (1859) tot de belangrijkste Oosterse dichter maakte.
In de ontvangsthal van het gebouw van de VN in New York is van Sa'di deze tekst aangebracht:
Of one Essence is the human race,
Thusly has Creation put the Base;
One Limb impacted is sufficient,
For all Others to feel the Mace.
Joop Leibbrand